Vandaag is het de achtste dag (octaafdag) van Kerstmis, waarmee het Kerstfeest wordt afgesloten. Deze dag is bijzonder toegewijd aan de Heilige Maria, Moeder van God, en is de eerste van het nieuwe burgerlijke jaar. En vanaf 1967 Werelddag van de vrede.
De lezingen belichten een of meerdere van deze thema’s. Daarbij gaat het uiteindelijk steeds om het openstaan voor het mysterie, voor God, als weg naar redding en vrede.
Numeri 6,22-27
Het bijbelboek Numeri gaat over het Joodse volk in de woestijn. In de Hebreeuwse tekst geeft het allereerste woord dat ook aan: Bamidbar. Dat betekent: In de woestijn. Pas in hoofdstuk tien (v. 11) begint het volk effectief aan de tocht door de woestijn.
In de voorafgaande hoofdstukken wordt er aantal zaken geregeld voor een goed en geordend verloop van de tocht. Te midden daarvan staat het pareltje dat we vandaag horen als eerste lezing: een zegen die de priester Aäron en zijn zonen zullen uitspreken over het volk, nu aan het begin van hun tocht door de woestijn, en ook later als ze in het beloofde land zijn aangekomen. Van deze zegen wordt gezegd, dat Mozes hem zelf heeft ontvangen van jhwh met de bedoeling om hem door te geven aan Aäron en zijn zonen.
‘Jhwh zei tegen Mozes’, zo begint de lezing van vandaag. Het is ongebruikelijk dat jhwh rechtstreeks spreekt tot een mens. Mozes neemt echter een bijzondere positie in onder de profeten. ‘Aan de profeten maak Ik mij met visioenen bekend en Ik spreek tot hen in dromen. Met mijn dienaar Mozes doe Ik dat niet. Hij is mijn vertrouweling in heel mijn huis. Met hem spreek Ik van mond tot mond, duidelijk en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van jhwh’ (Num. 12,7v). Toch blijft hij de mens Mozes: ‘de bescheidenste van alle mensen op aarde’ (Num. 12,3).
Een zegen is meer dan een woord of een teken, het is een belofte en toezegging, die reëel en concreet moet worden in het leven van degene die gezegend wordt.
De zegen, die aan Aäron en zijn zonen wordt toevertrouwd, bestaat uit drie verzen. Elk vers bestaat weer uit twee helften. De eerste helft verwoordt de zegenrijke aanwezigheid van jhwh, en de tweede helft geeft aan wat die aanwezigheid betekent voor degene die de zegen ontvangt.
De drievoudige zegen drukt dus het volgende uit: Wanneer jhwh iemand zegent, dan mag die persoon erop vertrouwen die hij of zij behoed wordt en beschermd. Wanneer jhwh zijn gelaat over iemand uitspreidt, zijn aangezicht over iemand doet lichten, dan mag die persoon vertrouwen op zijn genade, zijn goedheid. Wanneer jhwh zijn gelaat naar iemand keert, of zijn aangezicht over iemand verheft, dan mag die persoon vertrouwen op vrede.
De drievoudige zegen mondt uit in de belofte van vrede. Dat is de climax van het geheel, daar is de zegen uiteindelijk op gericht.
Vrede is een groot goed in de Bijbel. Het staat voor een leven in volheid en heelheid. Vrede is veel omvattend: daarbij gaat het om heel concrete eerste levensbehoeften als eten en drinken; om rust en welzijn; om bescherming en veiligheid; om perspectief; om leven in harmonie, zowel voor het individu als voor de gemeenschap: kortom een algeheel welbevinden. Vrede is een blijvende opdracht voor elke mens en op elk moment: ‘Keer je af van het kwaad en doe het goede, zoek vrede en jaag die na’ (Ps. 34,15).
Het afsluitende vers 27 is van belang. ‘Als zij – Aäron en zijn zonen – zo mijn naam over de Israëlieten uitspreiden, zal Ik hen zegenen.’ De naam waaronder God zich kenbaar heeft gemaakt in Exodus 3 is jhwh. Die naam duidt op de voortdurende aanwezigheid van God in de geschiedenis van zijn volk in het hier en nu: ‘Ik zal er zijn voor jou, voor jullie.’ God maakt zich kenbaar in concrete daden.
Wanneer Aäron en zijn zonen het volk zegenen, zijn Naam over het volk uitspreiden, is dat een toezegging van Gods aanwezigheid, een belofte. Maar wel een toezegging en belofte die om instemming vraagt, om erkenning en beantwoording, de bereidheid en de wil om te horen.
Deze zegen uit Numeri heeft veel betekend voor Franciscus van Assisi. Eens heeft hij deze zegen op een papiertje geschreven en specifiek gericht tot een medebroeder, die een moeilijke periode doormaakte: ‘Moge de Heer jou zegenen, broeder Leo’ (Zegen voor broeder Leo). Franciscus gaf hem deze zegen mee ter bemoediging.
Ook in zijn Testament, dat Franciscus in de laatste maanden van zijn leven heeft laten optekenen, lijkt Franciscus naar deze zegen te verwijzen, wanneer hij schrijft: ‘De Heer heeft mij een groet geopenbaard; wij moeten zeggen: ‘De Heer geve je vrede’ (Testament 23). Deze zegenwens is de afsluiting en climax van de zegenbede uit Numeri. Bijzonder zijn de inleidende woorden van Franciscus, dat de Heer hem deze groet heeft geopenbaard om ze door te geven aan zijn broeders. Deze inleiding vertoont veel overeenkomsten met de inleiding op de zegen van Aäron en zijn zonen. Daar ontvangt Mozes de zegen van jhwh, de Heer, zelf om hem door te geven aan Aäron en zijn zonen.
Galaten 4,4-7
Een belangrijk thema in de brief van Paulus aan de Galaten is de plaats en betekenis van de Tora, de Joodse wet, in het leven van de gemeente. Het is goed om te weten dat Paulus zich in zijn brief richt tot de jonge christengemeente in Galatië, die bestaat uit Joden en heidenen, die beiden hun gerechtigheid zoeken bij Christus. Hij richt zich dus niet tot alle Joden.
Tot die Joden die zich tot Christus bekennen zegt Paulus: ‘In Christus zijn wij, Joden, gelijk geworden aan de heidenen, in die zin dat ook wij zondaars zijn gebleken’ (2,17).
In de lezing van vandaag spreekt Paulus over de komst van Jezus, Gods Zoon. Hij is een echte mens – geboren uit een vrouw – en een echte Jood – geboren onder de Wet. In Jezus is God ten diepste in ons mens-zijn ingegaan, zo gedenken we met Kerstmis. Om heel ons mens-zijn op te tillen, als eersteling van de nieuwe schepping: in en door Hem mogen wij komen tot de vrijheid van de kinderen Gods.
Zie: J.H.M. Lammers, ‘Galaten. Appel aan een weifelende gemeenschap’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf, Vught 2014, 20162, 31-37
Lucas 2,16-21
Het evangelie van deze octaafdag van Kerstmis, sluit aan op het evangelie van Kerstnacht. Toen hoorden we hoe Jozef en Maria naar Betlehem gingen, waar Jezus werd geboren en over de bekendmaking van zijn geboorte aan herders. Eerst alleen door een engel des Heren, die uiteindelijk werd omgeven door een grote engelenschaar.
Na die bekendmaking sporen de herders elkaar aan om op weg te gaan naar Betlehem ‘om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is’ (v. 15), zo wordt er soms vertaald. Maar letterlijk staat er: ‘om te zien het woord wat daar is geschied en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’
En vandaag horen we dat de herders zich inderdaad op weg begeven. En wanneer zij het kind zien, vertellen zij wat hun over dit kind is gezegd door de engel. Daarmee worden zij tot de eerste verkondigers van de redder die is geboren, de Messias, de Heer (2,11). Dat is eigenlijk heel bijzonder. Dat herders de eerste verkondigers zijn, mensen die onder de geringen en minderen worden geschaard, die niet in tel zijn. Maar ook elders in het Lucas-evangelie zijn het juist outcasts, mensen die aan de kant staan, die zich laten aanspreken door Jezus en in zijn voetspoor gaan.
We horen in het evangelie hoe er op de verkondiging van de herders wordt gereageerd. Omstanders reageren verbaasd op wat de herders zeggen, terwijl Maria al de woorden bewaart in haar hart. Deze reactie van de omstanders wordt soms negatief verstaan.
Ook eerder in het evangelie staat dat omstanders verbaasd zijn, namelijk wanneer Zacharias te kennen geeft, dat de zoon van Elisabet en van hemzelf de naam Johannes zal dragen. Even later blijkt dat deze naamgeving allen die ervan hoorden bezig hield en dat zij zich afvroegen: ‘Wat zal er wel niet worden van dit kind?’ (1,66).
Verderop in het evangelie bij de opdracht van Jezus in de tempel wordt gezegd, dat zijn vader en moeder verbaasd stonden over wat er van Hem werd gezegd door Simeon (2,33).
De ontmoeting met het goddelijke, met het mysterie, roept vaak verwondering en verbazing op. Bij de omstanders en ook bij Maria. Verbazing op zich is niet vreemd of verkeerd. Het komt erop aan wat je ermee doet.
In het evangelie wordt er bij Maria iets toegevoegd aan haar reactie, namelijk dat zij de woorden bewaart en ze overweegt in haar hart, ze in haar hart bij elkaar brengt. Ze blijft niet steken in de verbazing, maar gaat ermee op weg en probeert ze te verstaan om tot een dieper besef van hun betekenis te komen en van het ‘verbazend’ goede nieuws dat zij bevatten. De woorden bewaren in het hart wil zeggen dat van nu af aan deze woorden richting geven aan haar hart, haar doen en laten. Dat zij bepalend zijn en leidend voor de keuzes die zij in haar leven maakt.
Het evangelie van vandaag eindigt met de naamgeving van de pasgeborene op de achtste dag. Hij krijgt de naam Jezus. De naam, die de engel Gabriël bij de aankondiging van de geboorte al aan Maria had ingegeven. De naam die betekent: God redt, de Heer is redding!
door: drs. Theo van Adrichem ofm
bron: Tijdschrift voor Verkondiging 97-06
