Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 6

Bijbeltekst(en)

1Vanuit Elim trok het hele volk van Israël weer verder. Op de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte bereikten ze de woestijn van Sin, die tussen Elim en de Sinai ligt.

4De HEER zei tegen Mozes: ‘Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen. De mensen moeten er dan elke dag op uit gaan om net zo veel te verzamelen als ze voor die dag nodig hebben. Daarmee stel Ik hen op de proef: Ik wil zien of ze zich aan mijn voorschriften houden. 5Op de zesde dag moeten ze tweemaal zo veel verzamelen en klaarmaken als op de andere dagen.’ 6Hierop zeiden Mozes en Aäron tegen de Israëlieten: ‘Vanavond nog zult u inzien dat de HEER zelf u uit Egypte heeft geleid, 7en morgen, in de ochtend, zult u de majesteit van de HEER zien. Hij heeft gehoord hoe u zich beklaagt. Dat is tegen Hem gericht, want wie zijn wij dat u zich bij ons zou beklagen?’ 8Mozes vervolgde: ‘Vanavond zal de HEER u vlees te eten geven, en morgenochtend zult u volop brood hebben, want de HEER heeft uw geklaag gehoord. Dat is immers tegen Hem gericht en niet tegen ons – want wie zijn wij?’

9Mozes zei tegen Aäron: ‘Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: “Wend u tot de HEER, want Hij heeft uw geklaag gehoord.”’ 10Zodra Aäron dit aan het volk had opgedragen en allen zich met het gezicht naar de woestijn hadden opgesteld, verscheen in een wolk de majesteit van de HEER. 11De HEER zei tegen Mozes: 12‘Ik heb gehoord hoe de Israëlieten zich beklagen. Zeg tegen hen: “Wanneer de avond valt zullen jullie vlees eten, en morgenochtend brood in overvloed. Dan zullen jullie inzien dat Ik, de HEER, jullie God ben.”’

13Diezelfde avond kwamen er grote zwermen kwartels aangevlogen, die in het kamp neerstreken, en de volgende morgen lag er overal rond het kamp dauw. 14Toen de dauw opgetrokken was, bleek de woestijn bedekt met een fijn, schilferachtig laagje, alsof er rijp op de aarde lag. 15‘Wat is dat?’ vroegen de Israëlieten elkaar toen ze het zagen; ze begrepen niet wat het was. Mozes zei tegen hen: ‘Dat is het brood dat de HEER u te eten geeft. 16De HEER heeft bepaald dat ieder ervan kan verzamelen wat hij nodig heeft. Iedereen mag er één omer van nemen voor elke persoon die bij hem in de tent woont.’ 17De Israëlieten deden dat. De een verzamelde veel, de ander weinig. 18Toen ze het namaten, hadden zij die veel verzameld hadden niet meer dan een omer, en zij die weinig verzameld hadden niet minder, terwijl toch iedereen zo veel had genomen als hij nodig had. 19Mozes verbood om ook maar iets ervan tot de volgende dag te bewaren.

Exodus 16:1-19NBV21Open in de Bijbel

Nadat de Israëlieten veilig door de Rietzee zijn getrokken, begint er een lange en barre tocht door de woestijn, op weg naar het land dat God beloofd heeft. De Israëlieten lijden honger en beginnen opnieuw te klagen. Het is makkelijk om ze weg te zetten als een stelletje zeurpieten, maar daarmee doen we geen recht aan het feit dat ze vaak dagenlang onder de brandende zon moesten lopen, zonder een waterbron of iets eetbaars tegen te komen. God stoort zich aan het geklaag, maar toch helpt Hij zijn volk: ’s avonds stuurt Hij kwakkels (vogels waarvan het vlees kon worden gegeten), en de volgende ochtend laat Hij manna uit de hemel regenen. Zo herinnert Hij de
Israëlieten eraan dat Hij het is die hen bevrijd heeft en die hen steeds opnieuw helpt. De Israëlieten mogen iedere dag zoveel manna verzamelen als ze nodig hebben, maar ze mogen niets voor de volgende dag bewaren. Ze moeten erop vertrouwen dat de volgende dag opnieuw in hun behoefte zal worden voorzien, en zo van dag tot dag leven met God.

Ook Jezus benadrukt dat de hemelse Vader iedere dag voor de mensen zorgt, en dat ze zich daarom geen zorgen hoeven te maken voor de dag van morgen (Matteüs 6:25-34).
Hoe moeilijk of makkelijk vind jij het om dit in je eigen leven in praktijk te brengen?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons