Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Zaterdag 4 april

Bijbeltekst(en)

Op weg naar Jeruzalem

17Onderweg naar Jeruzalem nam Jezus de twaalf leerlingen apart. Hij zei tegen hen: 18‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, die Hem ter dood zullen veroordelen. 19Ze zullen Hem uitleveren aan de heidenen, en die zullen Hem bespotten, geselen en kruisigen. Maar op de derde dag zal Hij worden opgewekt uit de dood.’

20Daarop kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Hem toe. Ze wierp zich voor Hem neer om Hem om een gunst te vragen. 21Hij vroeg haar: ‘Wat wilt u?’ Ze antwoordde: ‘Beloof me dat deze twee zonen van mij in uw koninkrijk naast U mogen zitten, de een rechts van U en de ander links.’ 22Maar Jezus zei hun: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die Ik zal moeten drinken?’ ‘Ja, dat kunnen wij,’ antwoordden ze. 23Toen zei Hij: ‘Uit mijn beker zullen jullie inderdaad drinken, maar wie er rechts en links van Mij zullen zitten kan Ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie mijn Vader ze heeft bestemd.’ 24Toen de andere leerlingen hiervan hoorden, namen ze het de beide broers kwalijk. 25Jezus riep hen bij zich en zei: ‘Jullie weten dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken. 26Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, moet dienaar van de anderen zijn, 27en wie van jullie de eerste wil zijn, moet slaaf van de anderen zijn – 28zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

29Toen ze uit Jericho vertrokken, volgde Hem een grote menigte. 30Er zaten daar twee blinden langs de weg die, toen ze hoorden dat Jezus voorbijkwam, luidkeels begonnen te roepen: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 31De mensen berispten hen en zeiden dat ze hun mond moesten houden. Maar ze riepen nog harder: ‘Heer, Zoon van David, heb medelijden met ons!’ 32Jezus bleef staan, riep hen bij zich en vroeg: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ 33Ze antwoordden: ‘Heer, open onze ogen!’ 34Jezus kreeg medelijden en raakte hun ogen aan. Meteen konden ze zien, en ze volgden Hem.

Matteüs 20:17-34NBV21Open in de Bijbel

De moeder van Jakobus en Johannes heeft een verzoek voor Jezus: macht voor haar zonen. Ze krijgt een flinke reprimande: je weet niet wat je vraagt!

Jezus gebruikt zijn macht om te dienen, tot in de dood. Met zijn lijden en sterven geeft hij zelf het ultieme voorbeeld – ‘als losgeld voor velen’, staat er in vers 28. Twee mannen – blind, minderwaardig, machteloos – zitten langs de weg. De mensen vinden hen niet belangrijk genoeg en snauwen dat ze stil moeten zijn. Maar Jezus laat zien wat dienen is: iedereen is belangrijk voor hem, iedereen is het waard om gezien te worden. Deze twee mannen hebben ook een verzoek voor Jezus: ‘Heer, open onze ogen!’ Ze krijgen zijn genezing, zijn liefde. En ze beantwoorden Jezus’ hulp door hem te gaan volgen. Zouden zij beter dan de moeder van Jakobus en Johannes hebben begrepen wat dat inhoudt?

Vraag: Hoe kunt u uw macht of mogelijkheden gebruiken om anderen te dienen en te helpen?

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.14.1
Volg ons