‘De zeven koppen zijn de zeven heuvels waarop de vrouw zit, en het zijn zeven koningen. 10Vijf van hen zijn omgekomen, één is er nu, en de laatste moet nog komen en zal dan maar kort blijven. 11Het beest dat was, en niet is, is zelf de achtste koning, al is het een van de zeven, en het zal vernietigd worden. 12De tien hoorns die je zag zijn tien koningen, die nu nog geen koning zijn maar straks samen met het beest voor één uur koninklijke macht zullen krijgen. 13Ze hebben allemaal hetzelfde doel voor ogen en dragen hun macht en gezag over aan het beest. 14Ze binden de strijd aan met het lam, maar het lam, de hoogste Heer en koning, zal hen overwinnen, samen met wie Hem toehoren: zij die geroepen en uitgekozen zijn en die trouw zijn. 15De waterstromen die je zag,’ zei de engel, ‘waar de hoer aan zit, zijn vele landen, en volken van elke taal. 16De tien hoorns die je zag en het beest zelf zullen een afschuw krijgen van de hoer en ze zullen haar te gronde richten. Ze zullen haar uitkleden, haar vlees eten en haar in brand steken. 17Want God heeft hen ertoe aangezet om zijn plan uit te voeren, zodat ze allemaal met hetzelfde doel voor ogen hun macht aan het beest overdragen, tot wat God gezegd heeft werkelijkheid wordt. 18De vrouw die je zag is de grote stad, die heerst over de koningen op aarde.’