12Mijn volk raadpleegt een stuk hout, uit stokjes lezen ze de toekomst af. Ze zijn bezeten van ontucht en keren zich af van hun God. 13Ze brengen offers op de bergtoppen en branden wierook op de heuvels en onder eik, populier en terebint, want in hun schaduw is het aangenaam. Vandaar dat jullie dochters overspel plegen en jullie schoondochters ontrouw zijn! 14Maar jullie dochters zal Ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal Ik niet straffen voor hun ontrouw, want de priesters gaan zelf met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van vrouwen die zich aan afgoden hebben gewijd. Zo komt een volk zonder verstand ten val.
15Als jij zo trouweloos bent, Israël, maak dan Juda tenminste niet medeschuldig. Kom niet naar Gilgal, trek niet naar Bet-Awen, en zweer daar niet: ‘Zo waar de HEER leeft!’ 16Israël verzet zich als een onwillige koe. Zou de HEER het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld? 17Het volk van Efraïm heeft zich vergooid aan afgodsbeelden – laat het maar! 18Ze zijn hun kater nog niet kwijt of ze haasten zich al naar de hoeren. Zie hun hartstocht branden, hun vorsten zijn dol op schande. 19Maar een wervelstorm zal hen meesleuren. Met al dat offeren zullen ze bedrogen uitkomen.