1Luister, priesters! Hoor toe, oudsten van Israël! Leden van het hof, luister aandachtig! De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? Maar in Mispa hebben jullie mijn volk in de val gelokt, op de Tabor je netten voor hen uitgespreid; 2een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven. Maar Ik zal jullie leren, allemaal! 3Ik kende Efraïm, Israël lag Mij na aan het hart; maar nu is Efraïm overspelig geworden, Israël heeft zich onrein gemaakt. 4Hun daden verhinderen hen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor ze niet meer vertrouwd zijn met de HEER. 5Israëls hoogmoed zal tegen hemzelf getuigen, Efraïm struikelt door zijn wandaden; ook Juda sleept hij mee in zijn val. 6Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om de HEER te zoeken, zullen ze Hem niet vinden: Hij zal zich voor hen verborgen houden. 7Ze zijn de HEER ontrouw geweest en hebben bastaardkinderen voortgebracht. Maar vóór nieuwemaan worden ze met hun bezittingen verslonden.