1Zet de ramshoorn aan je mond! Gieren cirkelen boven het volk van de HEER, want het heeft het verbond met Mij geschonden en is in opstand gekomen tegen mijn wet. 2Hoor ze roepen: ‘O God, U bent toch de onze? Wij zijn uw Israël!’ 3Maar de Israëlieten wijzen af wat goed is, en daarom zal de vijand hen achtervolgen.
4Ze hebben een koning aangesteld, maar buiten Mij om, leiders gekozen zonder Mij erin te kennen. Van hun zilver en goud hebben ze godenbeelden gemaakt, tot hun eigen ondergang. 5Je stierkalf wijst je af, Samaria! En ook Ik ben woedend op je: zul je dan nooit tot zuiverheid in staat zijn? 6Dat kalf komt gewoon uit Israël, het is gemaakt door een ambachtsman, een god is het niet! Nee, het kalf van Samaria zal verpulverd worden. 7Want wie wind zaait zal storm oogsten. Het zaad brengt geen koren voort, en als het al vrucht draagt dan geeft het geen meel, en als het al meel geeft dan wordt het door vreemden verslonden.