8Israël wordt verslonden; door de andere volken wordt het beschouwd als een gebroken kruik waar niemand meer naar omkijkt, 9omdat het zijn toevlucht gezocht heeft bij Assyrië. Een wilde ezel houdt zich afgezonderd, maar het volk van Efraïm loopt met zijn liefde te koop. 10Maar ook al zouden ze van de andere volken slechts liefde ontvangen, voor Mij is nu de maat vol. Ze krimpen al ineen onder de druk van de machtige koning van Assyrië.
11Hoeveel altaren heeft Efraïm niet gebouwd – maar om te zondigen! Altaren die dienen om te zondigen! 12Al schrijf Ik mijn wet in tienduizendvoud, die is voor hen als van een vreemde. 13Ze brengen Mij offers om zelf het vlees te eten. Daarom schept de HEER geen behagen meer in hen. Hij zal nu hun wandaden in rekening brengen en hun zonden bestraffen: ze gaan terug naar Egypte! 14Israël is zijn maker vergeten; Israël heeft paleizen gebouwd en Juda talrijke vestingsteden. Daarom zal Ik hun steden in vlammen doen opgaan; vuur zal hun burchten verteren.