8Dat handelsvolk heeft altijd een valse weegschaal bij de hand, het is verzot op afzetterij. 9Hoor Efraïm zeggen: ‘Maar ik ben toch rijk geworden? Heb ik mij geen aanzien verworven? Wijst mijn winst soms op iets kwalijks dat de naam van zonde verdient?’ 10Maar Ik, de HEER, ben je God al sinds Egypte, en Ik laat je opnieuw in tenten wonen, als in de tijd van onze ontmoeting. 11Ik heb tot de profeten gesproken en talrijke visioenen geschonken; door mijn profeten heb Ik je een spiegel voorgehouden. 12Was Gilead al misdadig, Efraïm is nog dieper gevallen: al die stierenoffers in Gilgal! En al die altaren, als steenhopen langs een geploegde akker!
13Jakob vluchtte naar Aram; Israël werd knecht om een vrouw te krijgen, om een vrouw hoedde hij de schapen. 14Door een profeet leidde de HEER Israël uit Egypte weg, door een profeet werd Israël gehoed.
15Hoe diep heeft dit volk zijn Heer gekrenkt! Maar het bloed aan Efraïms handen zal de HEER hem aanrekenen, en de smaad die Efraïm Hem aandeed zal Hij vergelden.