Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Haman gooit hoge ogen | 6/17

Bijbeltekst(en)

Bevelschrift tegen de Joden

1Na verloop van tijd gaf koning Ahasveros een hoge positie aan Haman, de zoon van Hammedata, een nakomeling van Agag: hij plaatste hem boven alle rijksgroten aan zijn hof. 2Alle hoge functionarissen van de koning die in de Koningspoort waren, vielen telkens voor Haman op de knieën en bogen zich voor hem neer, want zo had de koning het geboden. Alleen Mordechai knielde of boog nooit. 3De functionarissen van de koning in de Koningspoort spraken Mordechai daarover aan: ‘Waarom overtreedt u het gebod van de koning?’ 4Dit vroegen ze hem elke dag weer, zonder dat hij zich iets van hun woorden aantrok. Toen lichtten ze Haman erover in, om te zien of Mordechai in zijn houding zou volharden; hij had hun namelijk verteld dat hij een Jood was. 5Toen Haman te weten kwam dat Mordechai niet voor hem knielde of boog, werd hij woedend, 6en hij besloot Mordechai uit de weg te ruimen. Maar nadat men hem had verteld uit welk volk Mordechai stamde, was de dood van Mordechai alleen hem niet genoeg: vanaf dat moment zon Haman op middelen om alle Joden in Ahasveros’ rijk om te brengen, heel Mordechais volk.

7In de eerste maand van het twaalfde regeringsjaar van koning Ahasveros, de maand nisan, liet Haman in zijn bijzijn het poer werpen, dat wil zeggen het lot, over alle dagen en over alle maanden, een voor een, tot en met de twaalfde maand, de maand adar. 8Daarna zei Haman tegen koning Ahasveros: ‘Er is een bepaald volk dat over alle provincies van uw rijk verspreid leeft en te midden van de andere volken zijn eigen leven leidt. Hun wetten verschillen van die van alle andere volken en aan de wetten van de koning houden ze zich niet. De koning is er niet bij gebaat hen ongemoeid te laten. 9Als het de koning goeddunkt, laat er dan een bevel op schrift gesteld worden dat ze moeten worden uitgeroeid. Dan zal ik tienduizend talent zilver afdragen aan de ambtenaren van de koning om in de koninklijke schatkist te storten.’ 10De koning deed zijn zegelring af en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedata, de nakomeling van Agag, de vijand van de Joden. 11‘Over dat zilver kunt u vrij beschikken,’ zei hij tegen Haman, ‘en ook over dat volk: doe ermee wat u het beste lijkt.’

Ester 3:1-11NBV21Open in de Bijbel

De laatste hoofdrolspeler van het boek Ester wordt geïntroduceerd: Haman. Haman is een nakomeling van Agag. En daardoor wisten de eerste lezers en hoorders meteen: een vijand. Agag was de koning van de Amalekieten. Dit volk stamde af van Amalek, een kleinzoon van Esau (Genesis 36:12). In de Bijbel zijn de Amalekieten steeds belangrijke vijanden van Israël (Deuteronomium 25:17-19; 1 Samuel 15:8). Meteen aan het begin wordt dus door zijn naam en zijn acties duidelijk gemaakt dat Haman de bad guy is.  

Dit principe kun je ook omdraaien: hoe laat jij zien dat je wel te vertrouwen bent? 

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.9
Volg ons