8Maar jou, Israël, mijn dienaar,
Jakob, die Ik uitgekozen heb,
nakomeling van Abraham, mijn vriend,
9jou die Ik heb weggehaald van de einden der aarde,
die Ik van haar verste uithoeken terugriep –
jou zeg Ik: Jij bent mijn dienaar,
jou heb Ik uitgekozen, Ik heb je niet afgewezen.
10Wees niet bang, want Ik ben bij je,
vrees niet, want Ik ben je God.
Ik zal je sterken, Ik zal je helpen,
je steunen met mijn bevrijdende rechterhand.
11Allen die zich fel tegen je keerden
zullen gehoond worden en te schande staan.
Zij die jou bestreden
worden minder dan niets en gaan te gronde.
12Zij die jou onderdrukten
zijn onvindbaar, je zoekt ze vergeefs.
De vijanden die jou bevochten
zullen verdwijnen in het niets.
13Want Ik ben de HEER, je God,
Ik neem je bij je rechterhand en zeg je:
Wees niet bang, Ik zal je helpen.
14Wees niet bang, kleine Jakob,
arm volk van Israël,
Ik zal je helpen – spreekt de HEER –,
de Heilige van Israël is je bevrijder.
15Ik maak van jou een scherpe dorsslede,
een nieuwe slede met dubbele sneden.
Bergen zul je dorsen en vermalen,
van heuvels laat je niets over dan kaf.
16Je zult ze wannen, en de wind neemt ze op,
de stormwind jaagt ze uiteen.
Dan zul je juichen om de HEER,
je om de Heilige van Israël gelukkig prijzen.
17Armen en behoeftigen zoeken water – niets!
Hun tong verdroogt van de dorst.
Ik, de HEER, zal hun antwoord geven,
Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.
18Ik laat op kale heuvels rivieren ontspringen
en bronnen in de valleien.
De woestijn maak Ik tot een waterplas,
dor gebied tot een bronrijke streek.
19Ik plant in de woestijn
ceder en acacia, mirte en olijfwilg,
en Ik laat in de wildernis
den, sneeuwbal en cipres opschieten.
20Dan zullen zij zien en beseffen,
begrijpen en erkennen
dat de hand van de HEER dit heeft verricht,
dat de Heilige van Israël dit alles schiep.