Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 5 / Gen. 12-14

Bijbeltekst(en)

Abram naar Kanaän

1De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat Ik je zal wijzen.

2Ik zal je tot een groot volk maken,

Ik zal je zegenen, je naam veel aanzien geven,

een bron van zegen zul je zijn.

3Ik zal zegenen wie jou zegenen,

wie jou vervloekt, zal Ik vervloeken.

In jou zullen alle volken op aarde gezegend worden.’

4-5Abram trok weg uit Charan, zoals de HEER hem had opgedragen, en Lot, de zoon van zijn broer, ging met hem mee. Abram was toen vijfenzeventig jaar. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en alle bezittingen die ze hadden verworven en de slaven en slavinnen die ze in Charan hadden verkregen. Zo gingen ze op weg naar Kanaän. Toen ze daar waren aangekomen, 6trok Abram het land door tot aan de eik van More, bij Sichem. In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten. 7Maar de HEER verscheen aan Abram en zei: ‘Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.’ Toen bouwde Abram op die plaats een altaar voor de HEER, die aan hem verschenen was. 8Daarvandaan trok hij naar het bergland dat oostelijk van Betel ligt, en ergens ten oosten van Betel en ten westen van Ai sloeg hij zijn tent op. Hij bouwde er een altaar voor de HEER en riep er zijn naam aan. 9Steeds verder reisde Abram, in de richting van de Negev.

Abram en Sarai in Egypte

10Toen brak er in het land hongersnood uit. Abram trok naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven, want de hongersnood was zwaar. 11Toen hij op het punt stond Egypte binnen te trekken, zei hij tegen zijn vrouw Sarai: ‘Luister, ik weet heel goed dat jij een mooie vrouw bent. 12Als de Egyptenaren je zien, zullen ze zeggen: “Dat is zijn vrouw,” en dan doden ze mij en laten ze jou in leven. 13Zeg daarom dat je mijn zus bent, dan zal het dankzij jou misschien goed met me aflopen en komt mijn leven niet in gevaar.’ 14Inderdaad was Abram nog maar nauwelijks in Egypte of de Egyptenaren zagen dat Sarai een bijzonder mooie vrouw was. 15Ook de officieren van de farao merkten haar op, en ze prezen haar aan bij de farao, die de vrouw liet overbrengen naar zijn paleis. 16En dankzij haar ging het Abram goed: de farao gaf hem schapen en geiten, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen.

17Maar de HEER trof de farao en zijn hof met zware plagen om wat er gebeurd was met Abrams vrouw Sarai. 18Toen ontbood de farao Abram. ‘Wat hebt u mij aangedaan!’ zei hij. ‘Waarom hebt u me niet verteld dat ze uw vrouw is? 19Waarom hebt u gezegd dat ze uw zus is? Nu heb ik haar tot vrouw genomen. Hier is uw vrouw weer, neem haar mee en vertrek van hier.’ 20En de farao gaf zijn mannen bevel om Abram, met zijn vrouw en al zijn bezittingen, uitgeleide te doen.

1Vanuit Egypte trok Abram, met zijn vrouw en zijn bezittingen, weer naar de Negev. Lot ging met hem mee.
Scheiding tussen Abram en Lot

2Abram was bijzonder rijk: hij had veel vee, zilver en goud. 3Vanuit de Negev trok hij verder naar Betel, van de ene pleisterplaats naar de andere, tot aan de plaats tussen Betel en Ai waar zijn tent al eerder had gestaan 4en waar hij toen een altaar had gebouwd. Daar riep Abram de naam van de HEER aan.

5Ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen, geiten, runderen en tenten. 6Beiden bezaten zo veel vee dat er te weinig land was om bij elkaar te blijven wonen. 7Hierdoor ontstond er ruzie tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee. (In die tijd woonden ook de Kanaänieten en de Perizzieten in het land.) 8Daarom zei Abram tegen Lot: ‘Waarom zouden we ruziemaken, jij en ik, of jouw herders en de mijne? We zijn toch familie? 9Het is maar beter dat we uiteengaan. Het hele land ligt voor je open. Als jij naar links gaat, ga ik naar rechts; als jij naar rechts gaat, ga ik naar links.’ 10Lot keek om zich heen en zag hoe rijk aan water de hele Jordaanvallei was; voordat Sodom en Gomorra door de HEER werden verwoest, was de vallei tot aan Soar toe even waterrijk als de tuin van de HEER en als Egypte. 11Daarom koos Lot voor zichzelf de Jordaanvallei en trok in oostelijke richting. Zo gingen ze uiteen. 12Abram bleef in Kanaän wonen, maar Lot ging wonen in het gebied rond de steden in de vallei. Hij sloeg zijn tenten op bij Sodom. 13De mensen daar waren slecht, ze zondigden zwaar tegen de HEER.

14Nadat Lot was weggegaan, zei de HEER tegen Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. 15Al het land dat je ziet geef Ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd. 16En Ik zal je zo veel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: zoals het stof van de aarde ontelbaar is, zullen zij niet te tellen zijn. 17Kom, doorkruis het land over de hele lengte en breedte, want aan jou zal Ik het geven.’ 18Toen brak Abram op en ging wonen bij de eiken van Mamre, bij Hebron. Daar bouwde hij een altaar voor de HEER.

Lot door Abram bevrijd

1Toen Amrafel koning van Sinear was, Arjoch koning van Ellasar, Kedorlaomer koning van Elam en Tidal koning van Goïm, 2brak er oorlog uit tussen hen en koning Bera van Sodom, koning Birsa van Gomorra, koning Sinab van Adma, koning Semeber van Seboïm en de koning van Bela, het huidige Soar. 3De laatsten trokken gezamenlijk op naar de Siddimvallei, nu de Zoutzee. 4Twaalf jaar waren zij aan Kedorlaomer onderworpen geweest, maar in het dertiende jaar waren ze in opstand gekomen. 5In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren, en zij versloegen de Refaïeten in Asterot-Karnaïm, de Zuzieten in Ham, de Emieten in Sawe-Kirjataïm 6en de Chorieten in het bergland waar zij woonden, het Seïrgebergte; ze rukten op tot aan El-Paran, aan de rand van de woestijn. 7Daarna keerden ze terug over En-Mispat, het huidige Kades, en onderwierpen het hele gebied van de Amalekieten en ook de Amorieten die in Chaseson-Tamar woonden. 8-9Toen trok de koning van Sodom ten strijde, samen met de koning van Gomorra, de koning van Adma, de koning van Seboïm en de koning van Bela, het huidige Soar. In de Siddimvallei leverden deze vijf koningen slag met de vier andere: koning Kedorlaomer van Elam, koning Tidal van Goïm, koning Amrafel van Sinear en koning Arjoch van Ellasar. 10Toen de koningen van Sodom en Gomorra moesten vluchten, kwamen ze terecht in de aardpekbronnen die in de Siddimvallei veel voorkwamen. De anderen vluchtten de bergen in. 11Hun tegenstanders maakten alles buit wat de inwoners van Sodom en Gomorra bezaten, ook hun hele voedselvoorraad. Daarna trokken ze weg. 12Ook Lot, de zoon van Abrams broer, voerden ze weg, met al zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom.

13Dit werd door een vluchteling aan Abram gemeld, die bij de eiken van de Amoriet Mamre woonde, de broer van Eskol en Aner; Mamre en zijn broers hadden met de Hebreeër Abram een bondgenootschap gesloten. 14Toen Abram hoorde dat zijn neef gevangengenomen was, bracht hij allen op de been die in zijn huis opgegroeid waren en met de wapens konden omgaan – driehonderdachttien in getal – en hij achtervolgde Kedorlaomer en diens bondgenoten tot aan Dan. 15’s Nachts viel hij hen met zijn mannen van verschillende kanten tegelijk aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, dat ten noorden van Damascus ligt. 16Alle buitgemaakte bezittingen heroverde hij. Ook zijn neef Lot wist hij veilig terug te brengen, met al zijn bezittingen, evenals de vrouwen en de andere krijgsgevangenen.

17Toen Abram na zijn overwinning op Kedorlaomer en de andere koningen terugkeerde, kwam de koning van Sodom hem tegemoet in de Sawevallei, de huidige Koningsvallei. 18En Melchisedek, de koning van Salem, liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van God, de Allerhoogste, 19en sprak een zegen over Abram uit:

‘Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste,

schepper van hemel en aarde.

20Gezegend zij God, de Allerhoogste:

uw vijanden leverde Hij aan u uit.’

Abram gaf aan Melchisedek een tiende van wat hij had heroverd. 21De koning van Sodom verzocht Abram hem de mensen terug te geven, de bezittingen mocht Abram houden. 22Maar Abram antwoordde hem: ‘Ik zweer bij de HEER, bij God, de Allerhoogste, de schepper van hemel en aarde, 23dat ik volstrekt niets zal aannemen van wat uw eigendom is, nog geen draad of schoenriem. U zult niet kunnen zeggen: “Ik ben het die Abram rijk heeft gemaakt.” 24Ik vraag niets anders dan wat mijn mannen al verbruikt hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die zich bij mij hebben aangesloten; laat hen nemen wat hun toekomt.’

Genesis 12-14NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons