Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 4 / Gen. 9-11, Ps. 9

Bijbeltekst(en)

1Toen zegende God Noach en zijn zonen; Hij zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en bevolk de aarde. 2De dieren die in het wild leven, de vogels van de hemel, de dieren die op de aardbodem rondkruipen en de vissen van de zee zullen ontzag en angst voor jullie voelen – ze zijn in jullie macht. 3Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen; dit alles geef Ik je, zoals Ik je ook de planten heb gegeven. 4Maar vlees waarin nog leven is, waar nog bloed in zit, mag je niet eten. 5En Ik zal genoegdoening eisen wanneer jullie eigen bloed, waarin je levenskracht schuilt, wordt vergoten; Ik eis daarvoor genoegdoening van mens en dier. Van iedereen die zijn medemens doodt, eis Ik genoegdoening. 6Wie bloed van mensen vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want God heeft de mens als zijn evenbeeld gemaakt. 7Wees vruchtbaar en word talrijk, en verspreid je over de hele aarde.’

8Ook zei God tegen Noach en zijn zonen: 9‘Hierbij sluit Ik een verbond met jullie en met je nakomelingen, 10en met alle levende wezens die bij jullie zijn: vogels, vee en wilde dieren, met alles wat uit de ark is gekomen, alle dieren op aarde. 11Ik sluit met jullie dit verbond: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen. 12En dit,’ zei God, ‘zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen Mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: 13Ik plaats mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. 14Wanneer Ik wolken samendrijf boven de aarde en in die wolken de boog zichtbaar wordt, 15zal Ik denken aan mijn verbond met jullie en met al wat leeft, en nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt. 16Als Ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal Ik denken aan het eeuwigdurende verbond tussen God en al wat op aarde leeft. 17Dit,’ zei God tegen Noach, ‘is het teken van het verbond dat Ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb.’

18De zonen van Noach, die samen met hem uit de ark waren gekomen, heetten Sem, Cham en Jafet; Cham was de vader van Kanaän. 19Met de drie zonen van Noach begon de verspreiding van de mensheid over de hele aarde.

20Noach was landbouwer en legde als eerste een wijngaard aan. 21Hij dronk van de wijn, werd dronken en ging in zijn tent liggen, zonder kleren aan. 22Toen Cham, de vader van Kanaän, zag dat zijn vader naakt was, vertelde hij dat aan zijn twee broers, die buiten waren. 23Daarop namen Sem en Jafet een mantel, legden die over hun schouders, liepen achteruit de tent binnen en bedekten het naakte lichaam van hun vader, met afgewend gelaat, zodat zij hem niet naakt zagen. 24Toen Noach uit zijn roes ontwaakte en te weten kwam wat zijn jongste zoon hem had aangedaan, 25zei hij:

‘Vervloekt zij Kanaän,

knecht van zijn broers zal Kanaän zijn,

de minste van alle knechten.

26Geprezen zij de HEER, de God van Sem;

knecht van Sem zal Kanaän zijn.

27Moge God ruimte geven aan Jafet,

hem laten wonen in de tenten van Sem;

knecht van Jafet zal Kanaän zijn.’

28Noach leefde na de zondvloed nog driehonderdvijftig jaar. 29In totaal leefde Noach negenhonderdvijftig jaar. Daarna stierf hij.

Nakomelingen van Noachs zonen

1Dit zijn de nakomelingen van Sem, Cham en Jafet, de zonen van Noach; na de zondvloed kregen zij zonen.

2Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesech en Tiras. 3Zonen van Gomer: Askenaz, Rifat en Togarma. 4Zonen van Jawan: Elisa en Tarsis; andere nakomelingen van Jawan: de Kittiërs en de Dodanieten. 5Van hen stammen de mensen af die verspreid over de kustgebieden leven, elke familie en elk volk in zijn eigen land en met zijn eigen taal.

6Zonen van Cham: Kus, Misraïm, Put en Kanaän. 7Zonen van Kus: Saba, Chawila, Sabta, Rama en Sabtecha. Zonen van Rama: Seba en Dedan. 8Kus was ook de vader van Nimrod, die de eerste machthebber op aarde was. 9Hij was een geweldig jager, door niemand overtroffen. Vandaar de uitdrukking: een voortreffelijk jager, een tweede Nimrod. 10Eerst heerste hij over Babel, Uruk, Akkad en Kalne in het land Sinear. 11Vanuit Sinear trok hij later naar Assyrië, waar hij Nineve, Rechobot-Ir en Kalach bouwde, 12en ook de grote stad Resen, tussen Nineve en Kalach. 13Misraïm was de stamvader van de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, 14de Patrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen – en de Kretenzers. 15Kanaän was de vader van Sidon, zijn eerstgeborene, en van Chet, 16en de stamvader van de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten, 17Chiwwieten, Arkieten, Sinieten, 18Arwadieten, Semarieten en Hamatieten. Later verspreidden de families van de Kanaänieten zich, 19zodat hun gebied zich van Sidon in de richting van Gerar uitstrekte tot aan Gaza, en in de richting van Sodom, Gomorra, Adma en Seboïm tot aan Lesa. 20Dit waren de nakomelingen van Cham, ingedeeld naar families, talen, landen en volken.

21Ook Sem kreeg zonen. Hij, Jafets oudste broer, is de stamvader van alle nakomelingen van Eber. 22Zonen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram. 23Zonen van Aram: Us, Chul, Geter en Mas. 24Arpachsad was de vader van Selach, en Selach de vader van Eber. 25Eber kreeg twee zonen. De ene heette Peleg; in zijn tijd werd de aarde verdeeld. De andere heette Joktan. 26Joktan was de vader van Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, 27Hadoram, Uzal, Dikla, 28Obal, Abimaël, Seba, 29Ofir, Chawila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan. 30Hun woongebied strekte zich uit van Mesa tot aan de Sefar, het gebergte in het oosten. 31Dit waren de nakomelingen van Sem, ingedeeld naar families, talen, landen en volken.

32Dit waren de families die afstamden van de zonen van Noach, ingedeeld naar afkomst en volken. Van hen stammen de verschillende volken af die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid.

De toren van Babel

1Ooit werd er op de hele aarde één enkele taal gesproken. 2Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen ze in Sinear bij een vlakte, en daar vestigden ze zich. 3Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur.’ De kleiblokken gebruikten ze als stenen, en aardpek als specie. 4Ze zeiden: ‘Laten we een stad bouwen met een toren die tot in de hemel reikt. Zo vestigen we onze naam, en dan zullen we niet over de hele aarde verspreid raken.’ 5Maar toen daalde de HEER af om te kijken naar de stad en de toren die de mensen aan het bouwen waren. 6‘Dit is één volk en ze spreken allemaal een en dezelfde taal,’ zei de HEER, ‘en wat ze nu doen is nog maar het begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik. 7Laten Wij naar hen toe gaan en verwarring brengen in hun taal, zodat ze elkaar niet meer verstaan.’ 8De HEER verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt. 9Zo komt het dat die stad Babel heet, want daar bracht de HEER verwarring in de taal die op de hele aarde gesproken werd, en van daar verspreidde Hij de mensen over de hele aarde.

Van Sem tot Abram

10Dit zijn de nakomelingen van Sem.

Toen Sem 100 jaar oud was, verwekte hij Arpachsad, twee jaar na de zondvloed. 11Na de geboorte van Arpachsad leefde Sem nog 500 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.

12Toen Arpachsad 35 jaar was, verwekte hij Selach. 13Na de geboorte van Selach leefde Arpachsad nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.

14Toen Selach 30 jaar was, verwekte hij Eber. 15Na de geboorte van Eber leefde Selach nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.

16Toen Eber 34 jaar was, verwekte hij Peleg. 17Na de geboorte van Peleg leefde Eber nog 430 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.

18Toen Peleg 30 jaar was, verwekte hij Reü. 19Na de geboorte van Reü leefde Peleg nog 209 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.

20Toen Reü 32 jaar was, verwekte hij Serug. 21Na de geboorte van Serug leefde Reü nog 207 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.

22Toen Serug 30 jaar was, verwekte hij Nachor. 23Na de geboorte van Nachor leefde Serug nog 200 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.

24Toen Nachor 29 jaar was, verwekte hij Terach. 25Na de geboorte van Terach leefde Nachor nog 119 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.

26Toen Terach 70 jaar was, verwekte hij Abram, Nachor en Haran.

Terach

27Dit is de geschiedenis van Terach en zijn nakomelingen. Terach verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot; 28hij stierf nog tijdens het leven van zijn vader Terach, in Ur, een stad van de Chaldeeën, in zijn geboorteland. 29Abram en Nachor trouwden allebei. Abrams vrouw heette Sarai, Nachors vrouw heette Milka; zij was een dochter van Haran, die naast Milka nog een dochter had, Jiska. 30Sarai was onvruchtbaar, zij had geen kinderen.

31Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee, evenals zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen gingen ze op weg naar Kanaän. Maar toen ze in Charan waren aangekomen, bleven ze daar wonen. 32Terach leefde tweehonderdvijf jaar. Hij stierf in Charan.

Genesis 9-11NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Op de wijs van De dood van de zoon. Een psalm van David.

2Ik wil U loven, HEER, met heel mijn hart,

vertellen van uw wonderdaden.

3Ik wil vrolijk zijn, voor U juichen,

uw naam bezingen, Allerhoogste,

4nu mijn vijanden terugdeinzen,

ten val komen en onder uw blik vergaan.

5Want U hebt mijn rechten verdedigd,

U nam plaats op uw zetel, rechtvaardige rechter.

6U hebt volken bedreigd, goddelozen omgebracht,

hun namen uitgewist voor eeuwig.

7De vijanden zijn verslagen, uit de herinnering verdwenen.

U vaagde hun steden weg: ruïnes voor altijd.

8Zo vergaat het hun! Maar de HEER zetelt voor eeuwig,

zijn rechterstoel staat onwrikbaar vast.

9Hij bestuurt de wereld naar recht en wet,

alle volken berecht Hij eerlijk.

10Moge de HEER een burcht zijn voor de verdrukte,

een burcht in tijden van nood.

11Wie uw naam kent, kan op U vertrouwen,

U verlaat niet wie U zoeken, HEER.

12Zing voor de HEER die zetelt op de Sion,

maak aan de volken zijn daden bekend.

13Hij wreekt vergoten bloed, gedenkt de doden,

de noodkreet van de nederigen vergeet Hij niet.

14Heb erbarmen, HEER, zie hoe mijn haters mij kwellen,

draag mij weg van de poorten van de dood.

15Dan kan ik vertellen van uw roemrijke daden,

juichen in de poorten van Sion: ‘U hebt mij gered!’

16De volken verdwijnen in de kuil die zij groeven,

hun voet raakt verstrikt in het net dat zij heimelijk spanden.

17De HEER maakt zich bekend en doet recht,

door zijn hand komt de goddeloze ten val. higgajon, sela

18Laten de goddelozen weggaan naar het dodenrijk,

alle volken die God zijn vergeten.

19Maar God vergeet de armen niet,

voor de zwakken is niet alle hoop verloren.

20Sta op, HEER, laat de macht niet aan mensen.

Mogen de volken berecht worden in uw aanwezigheid.

21Jaag ze angst aan, HEER,

zij moeten weten dat ze mensen zijn. sela

Psalmen 9NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons