Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 40 / Job 38-39, Spr. 24

Bijbeltekst(en)

Gods antwoord aan Job

1Toen antwoordde de HEER Job vanuit een storm. Hij zei:

2‘Wie is het die mijn besluit bedekt

onder woorden vol onverstand?

3Sta op, Job, wapen je;

Ik zal je ondervragen, zeg Mij wat je weet.

4Waar was jij toen Ik de aarde grondvestte?

Vertel het Me, als je zoveel weet.

5Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch?

Wie strekte het meetlint over haar uit?

6Waar zijn haar sokkels verankerd,

wie heeft haar hoeksteen gelegd,

7terwijl de morgensterren samen jubelden,

de hemelbewoners juichten van vreugde?

8En wie sloot de zee af met een deur,

toen ze uit de schoot van de aarde brak?

9Ik hulde haar in een gewaad van wolken

en omwond haar met donkere nevels.

10Ik legde haar mijn grenzen op

en sloot haar af met deur en grendelbalk,

11en zei: “Tot hier en niet verder,

dit is de grens die Ik je trotse golven stel.”

12Heb jij ooit de morgen ontboden,

de dageraad zijn plaats gewezen,

13om de uiteinden van de aarde te pakken

en de goddelozen van haar af te schudden?

14De aarde krijgt vorm als klei onder een zegel,

haar oppervlak wordt gedrapeerd als een kleed.

15Alleen de goddelozen blijven verstoken van het licht,

hun opgeheven arm wordt gebroken.

16Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt,

heb jij over haar diepste bodem gewandeld?

17Zijn de poorten van de dood aan jou getoond,

de deuren van het diepste donker – heb jij die gezien?

18Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten?

Vertel het, als jij het allemaal weet!

19Waar is de weg naar de oorsprong van het licht,

en de plaats van het donker – is die jou bekend,

20zodat je het naar zijn gebied kunt voeren

en het pad naar zijn huis kunt vinden?

21Jij weet dat vast, want jij werd toen geboren,

zoveel jaren liggen achter je!

22Ken jij de voorraadkamers van de sneeuw,

heb jij de voorraadkamers van de hagel gezien,

23die Ik heb aangelegd voor tijden van nood,

voor dagen van oorlog en strijd?

24Hoe kom je op de plaats van waar het licht verspreid wordt,

van waar de oostenwind over de aarde uitwaait?

25Wie heeft de geulen gekliefd voor de stromen,

de weg voor donder en bliksem gebaand,

26zodat de regen neervalt op de onbewoonde aarde,

op de woestijn waar geen mensen leven,

27en wildernis en woestenij doordrenkt raken

en er overal jong gras opschiet?

28Heeft de regen een vader?

Wie brengt de dauwdruppels voort?

29Uit welke schoot wordt het ijs geboren,

wie baart de rijp van de hemel,

30wanneer de wateren stollen, hard als steen,

wanneer het oppervlak van de zee bevroren raakt?

31Kun jij de Plejaden aan banden leggen

of de ketenen van Orion losmaken?

32Kun jij de dierenriem op tijd laten schijnen

en de Grote Beer met haar jongen de weg wijzen?

33Ken jij de wetten van de hemel,

kun jij zijn orde aan de aarde opleggen?

34Kan jouw stem de wolken bevelen

om je met hun regenvloed te bedekken?

35Kun jij de bliksems uitsturen,

zullen ze jou zeggen: “Wij staan klaar”?

36Wie heeft de ibis zijn wijsheid gegeven,

van wie heeft de haan zijn inzicht gekregen?

37Wie is in staat om de wolken te schikken,

en de kruiken van de hemel – wie kan ze kantelen,

38zodat het stof op aarde stolt

en in kluiten samenklontert?

39Kun jij voor de leeuw op prooi jagen

en de honger van de welpen stillen,

40wanneer ze weggedoken zitten in hun holen,

of op de loer liggen onder een dak van bladeren?

41Wie verschaft de raaf zijn voedsel

wanneer zijn jongen God aanroepen,

wanneer ze zonder voedsel rondzwerven?

1Weet jij wanneer de berggeit moet werpen?

Ben jij getuige van de weeën van de hinde?

2Kun jij de maanden tellen dat ze moet dragen,

weet jij wanneer ze moet baren,

3wanneer ze hurkt om te jongen,

om van haar kalveren verlost te worden?

4Haar kroost wordt sterk en groeit op in het vrije veld,

dan gaat het weg en het komt niet meer terug.

5Wie heeft de wilde ezel zijn vrijheid gegeven,

wie heeft de balker van zijn banden bevrijd?

6Ik laat hem wonen in de wildernis,

de zoutvlakte is zijn domein.

7Hij spot met het lawaai van de stad,

het geschreeuw van de drijvers hoort hij niet.

8Hij stroopt de bergen af, zijn weidegronden,

hij speurt naar ieder stukje groen.

9Zou de wilde stier bereid zijn jou te dienen,

zou hij willen overnachten bij je voederbak?

10Kun jij hem met een touw voren laten trekken,

zou hij achter jou de dalgrond eggen?

11Kun je op hem vertrouwen, zo sterk als hij is,

en aan hem het werk overlaten?

12Ben jij er zeker van dat hij binnenhaalt

wat jij gezaaid hebt en het naar de dorsvloer brengt?

13Het struisvogelvrouwtje staat vrolijk te klapwieken,

maar met haar slagpennen en veren is zij nog geen ooievaar.

14Ze legt haar eieren op de grond

en laat haar legsel door het zand verwarmen;

15ze vergeet dat een voet het kan breken,

dat een wild dier het kan vertrappen.

16Ze is hard voor haar jongen, alsof ze niet van haar zijn,

onverschillig of haar moeite misschien voor niets geweest is,

17want God heeft haar elk inzicht onthouden

en haar niet met wijsheid begiftigd.

18Maar wanneer ze opspringt en wegsnelt,

lacht ze paard en ruiter uit.

19Geef jij het paard zijn kracht?

Bekleed jij zijn nek met welige manen?

20Laat jij hem voorwaarts springen als een sprinkhaan,

terwijl zijn geweldige briesen angst aanjaagt?

21Van vreugde schraapt hij de grond in het dal;

fier rukt hij uit, de strijd tegemoet.

22Hij spot met het gevaar, niets maakt hem bang;

hij deinst niet terug voor het zwaard.

23Pijlen schieten hem voorbij,

speren en lansen flitsen langs hem heen.

24Driftig stampend woelt hij de grond om,

onbeteugelbaar wanneer de hoorn eenmaal schalt.

25Bij elke stoot van de trompet roept hij “Aaah!” –

hij ruikt de oorlog van verre,

hoort het getier van de aanvoerders, de kreten.

26Is het aan jouw wijsheid te danken dat de valk opstijgt

en zijn vleugels spreidt om zuidwaarts te trekken?

27Vliegt de gier weg als jij hem beveelt,

om zijn nest hoog in de bergen te bouwen,

28op een rots waar hij woont en overnacht,

op een richel, een onbereikbare piek?

29Van daar spiedt hij naar prooi,

zijn oog speurt in de verste verten.

30Zijn jongen slurpen bloed;

waar gevallenen liggen, daar is hij.’

Job 38-39NBV21Open in de Bijbel

1Wees niet jaloers op boosaardige mensen,

zoek hun gezelschap niet,

2want ze hebben kwaad in de zin

en stichten onheil met hun mond.

3Door wijsheid wordt een huis gebouwd,

door inzicht houdt het stand,

4door kennis worden de kamers gevuld

met rijke en kostbare schatten.

5Alleen een wijze heeft kracht,

inzicht maakt hem sterker.

6Wie met beleid een oorlog voert

zegeviert dankzij een keur van raadgevers.

7Voor een dwaas is wijsheid onbereikbaar,

als de oudsten in de poort bijeen zijn, weet hij niets te zeggen.

8Wie altijd kwaad in de zin heeft

wordt een konkelaar genoemd.

9Het wangedrag van een dwaas is zondig,

een spotter wordt door iedereen verafschuwd.

10Als je in tijden van nood de moed verliest,

hoe gering is dan je kracht.

11Bevrijd hen die ter dood veroordeeld zijn,

doe alles om hun leven te redden.

12Zeg niet: ‘We wisten het niet,’

want Hij die de harten doorgrondt,

het innerlijk doorziet,

weet of je de waarheid spreekt.

Hij vergeldt elk mens naar zijn daden.

13Mijn zoon, eet honing, dat is goed voor je,

zoete honing streelt de tong.

14Zie wijsheid als de honing voor je leven.

Als je wijsheid vindt, heb je een toekomst,

je hoop gaat niet verloren.

15Jij, goddeloze, belaag niet het huis van een rechtvaardige,

verwoest zijn woning niet.

16Een rechtvaardige komt zevenmaal ten val,

maar telkens staat hij op.

Een goddeloze struikelt door zijn slechte daden,

en komt voorgoed ten val.

17Verheug je niet over de val van je vijand,

juich niet als hij ten onder gaat.

18Want de HEER ziet het en keurt het af,

en zal zijn woede van je vijand afwenden.

19Wind je niet op over slechte mensen,

wees niet jaloers op goddelozen.

20Want wie kwaad doet, heeft geen toekomst,

de lamp van goddelozen wordt gedoofd.

21Mijn zoon, heb ontzag voor de HEER en de koning,

ga niet om met wie zich tegen hen verzetten.

22Zij gaan plotseling ten onder,

en wie weet hoe zwaar die twee hen zullen treffen?

Meer spreuken

23Ook deze spreuken zijn afkomstig van de wijzen.

Een partijdig oordeel in een rechtszaak is verkeerd.

24Wie een schuldige onschuldig verklaart

wordt door alle volken verwenst,

wordt door alle naties vervloekt.

25Wie de schuldigen veroordeelt zal het goed gaan,

hij wordt rijkelijk gezegend.

26Wie een eerlijk antwoord geeft

is als iemand die een kus op je lippen drukt.

27Doe eerst je werk op het land,

maak eerst je akker gereed,

bouw daarna pas je huis.

28Leg over een ander geen vals getuigenis af,

waarom zou je liegen?

29Zeg niet: ‘Wat hij mij heeft aangedaan, doe ik hem aan.

Ik betaal hem met gelijke munt.’

30Ik liep over het veld van een luiaard,

door de wijngaard van een dwaas.

31Alles was overwoekerd door onkruid,

zijn hele terrein was met distels bedekt,

de muur lag in puin.

32Ik zag het, en nam het ter harte,

ik nam het in mij op, en trok er lering uit.

33Nog even dan? Nog even slapen, nog een beetje rusten,

een ogenblik nog blijven liggen?

34Armoede overvalt je als een struikrover,

als een bandiet slaat gebrek je neer.

Spreuken 24NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons