Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 41 / Job 40-42, Ps. 131

Bijbeltekst(en)

1En de HEER vervolgde:

2‘Een mens die met de Ontzagwekkende twist – kan hij Hem iets leren?

Laat hij die God terechtwijst op dit alles antwoorden!’

3Job antwoordde de HEER:

4‘Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik U antwoorden?

Ik leg mijn hand op mijn mond.

5Ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer,

tweemaal – en doe er het zwijgen toe.’

6Toen antwoordde de HEER Job vanuit een storm:

7‘Sta op, Job, wapen je;

Ik zal je ondervragen, zeg Mij wat je weet.

8Wil je mijn recht loochenen,

wil je Mij schuldig verklaren en zelf vrijuit gaan?

9Is jouw arm zo sterk als die van God,

heb jij zo’n donderstem als Hij?

10Tooi je dan met trots en waardigheid,

omkleed jezelf met eer en glorie.

11Stort je razende woede over alles uit,

zie je een hoogmoedige – verneder hem,

12zie je een hoogmoedige – buig zijn nek,

vertrap de goddelozen, waar ze ook zijn.

13Begraaf ze allemaal in het stof,

berg hen op in de onderwereld.

14Wanneer je op eigen kracht zult winnen,

dan zal ook Ik je prijzen.

15Zie Behemot, het beest dat Ik gemaakt heb, net als jou;

het eet gras als een rund.

16Hoe krachtig zijn zijn lendenen,

hoe machtig de spieren van zijn buik!

17Hij kan zijn staart rechten als een ceder,

de pezen van zijn dijen spannen zich in bundels.

18Zijn botten zijn staven van brons,

zijn ribben stangen van ijzer.

19Hij is een van Gods eerste meesterwerken,

tegen hem trekt alleen zijn maker het zwaard.

20Zijn voedsel vindt hij in de bergen,

waar de dieren van het veld zich vermaken.

21Hij strekt zich uit onder de lotusplanten,

hij ligt verborgen tussen het riet van het moeras;

22de lotusplanten hullen hem in hun schaduw,

de waterwilgen beschutten hem.

23Onverschrokken bedwingt hij de rivier,

hij blijft kalm wanneer de Jordaan zijn muil in golft.

24Wie kan oog in oog met hem staan

en een ring door zijn neus halen?

25Kun jij Leviatan met een haak op de kant trekken

en met een koord zijn tong beteugelen?

26Kun jij een touw door zijn neus halen

en met een priem zijn kaak doorboren?

27Zou hij jou bidden en smeken

en vriendelijke woorden tot je richten?

28Zou hij een verbond sluiten met jou,

zodat jij hem voortaan als knecht kunt hebben?

29Kun je met hem spelen als met een vogel,

hem aan een touw houden, voor je dochters?

30Zal het vissersgilde over zijn prijs onderhandelen

en hem tussen de kooplieden verdelen?

31Kun jij speren in zijn huid planten

en een harpoen door zijn kop steken?

32Waag het eens hem aan te raken –

weet wel: het zou je laatste strijd zijn.

1De hoop van elke aanvaller wordt beschaamd,

alleen al bij zijn aanblik wordt hij teruggeworpen.

2Wie zou het wagen om hem op te schrikken?

Wie kan aantreden om met hem te strijden?

3Wie daagt hem uit zonder daarvoor te boeten?

Niemand, hij heeft op de hele aarde zijn gelijke niet.

4Ik zal niet zwijgen over zijn machtige dijen,

over zijn geweldige krachten en fraaie gestalte.

5Wie kan zijn opperhuid afvillen?

Wie dringt door zijn dubbele pantser heen?

6Wie heeft de kracht om zijn kaken te openen?

Schrikwekkend gapen de tanden in zijn muil.

7Zijn rug is met schilden geschubd,

ondoordringbaar verzegeld.

8Ze sluiten dicht op elkaar aan

en laten niet de minste lucht door;

9het ene kleeft vast aan het andere,

aaneengesloten en onscheidbaar.

10Wanneer hij proest, flikkert het licht,

zijn ogen schitteren als de dageraad.

11Brandende fakkels komen uit zijn bek,

vonkenregens vliegen door de lucht.

12Zijn neusgaten walmen,

als een kokende ketel of rokend riet.

13Zijn adem laat kolen ontbranden,

uit zijn bek slaat een vlam.

14Zijn nek zwelt op van kracht,

zijn muil straalt niets dan verschrikking uit.

15Zijn vlees sluit dicht om hem heen,

als om hem gegoten, onwrikbaar.

16Zijn hart is hard als een rots

en hard als de onderste maalsteen.

17Komt hij overeind, dan deinzen machtigen terug,

sidderend slaan ze op de vlucht.

18Geen tegen hem getrokken zwaard houdt stand,

geen speer, geen lans, geen pijl.

19IJzer beschouwt hij als stro,

brons als rot hout.

20Hij slaat niet op de vlucht voor de pijl uit de boog,

slingerstenen raken hem – het zijn maar stoppels.

21Voor hem is een knuppel als stro

en hij lacht om het suizen van speren.

22Zijn onderlijf is zo scherp als een scherf;

als een dorsslede snijdt hij door de modder.

23Hij laat de diepten kolken,

de zee als een mengkroes zieden.

24Hij laat een spoor van lichten achter,

alsof de zee met zilverwitte koppen is bekroond.

25Hij heeft op de aarde zijn gelijke niet,

hij is een schepsel zonder vrees.

26Op al wat hoog is kijkt hij neer,

hij is de koning van alle trotse dieren.’

Jobs antwoord aan God en zijn verdere lot

1Nu antwoordde Job de HEER:

2‘Ik weet dat niets buiten uw macht ligt

en geen enkel plan voor U onuitvoerbaar is.

3Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?

Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip,

over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.

4U zei: “Luister, nu zal Ik spreken.

Ik zal je ondervragen, zeg Mij wat je weet.”

5Ik héb U horen spreken,

en nu heb ik gezien wie U bent.

6Daarom zal ik verder zwijgen,

nu vind ik troost voor mijn kommervol bestaan.’

7Nadat de HEER tot Job had gesproken, richtte Hij zich tot Elifaz uit Teman: ‘Ik ben in woede ontstoken tegen jou en je twee vrienden, omdat jullie niet juist over Mij hebben gesproken, zoals mijn dienaar Job. 8Welnu, neem elk zeven jonge stieren en zeven rammen, ga daarmee naar mijn dienaar Job, zodat jullie een offer kunnen brengen voor jezelf. Job, mijn dienaar, zal voor jullie bidden en Ik zal hem ter wille zijn. Dan zal Ik jullie niet blootstellen aan schande, ook al hebben jullie niet juist over Mij gesproken, zoals mijn dienaar Job.’ 9En Elifaz uit Teman, Bildad uit Suach en Sofar uit Naäma deden zoals de HEER had gezegd en de HEER was Job ter wille. 10Nadat Job voor zijn vrienden had gebeden, bracht de HEER een keer in het lot van Job en Hij gaf hem het dubbele van wat hij eerder bezat.

11Al zijn broers en al zijn zussen, en iedereen die hem van vroeger kende, kwamen naar zijn huis om samen met hem te eten; ze toonden hun medeleven en troostten hem, omdat de HEER zoveel rampspoed over hem had gebracht. En elk van hen gaf hem een geldstuk en een gouden ring. 12De HEER zegende Job in zijn latere leven nog meer dan in zijn vroegere, en zo kreeg Job veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. 13Ook kreeg hij zeven zonen en drie dochters. 14De eerste dochter noemde hij Jemima, de tweede Kesia en de derde Keren-Happuch. 15In het hele land waren geen mooiere vrouwen dan de dochters van Job. En hun vader gaf aan hen een even groot erfdeel als aan hun broers. 16Hierna leefde Job nog honderdveertig jaar en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen opgroeien, tot in het vierde geslacht. 17En toen stierf Job, oud en verzadigd van het leven.

Job 40-42NBV21Open in de Bijbel

1Een pelgrimslied van David.

HEER, niet trots is mijn hart,

niet hoogmoedig mijn blik,

ik zoek niet wat te groot is

voor mij en te hoog gegrepen.

2Nee, ik ben stil geworden,

ik heb mijn ziel tot rust gebracht.

Als een kind, de borst ontwend,

stil op de arm van zijn moeder,

zo is mijn ziel in mij.

3Israël, hoop op de HEER,

van nu tot in eeuwigheid.

Psalmen 131NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons