Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 354 / 1Joh. 5, Hoogl 5-8

Bijbeltekst(en)

1Ieder die gelooft dat Jezus de christus is, is uit God geboren, en ieder die de Vader liefheeft, heeft ook lief wie uit Hem geboren zijn. 2Dat wij Gods kinderen liefhebben weten we doordat we God liefhebben en zijn geboden naleven. 3Want God liefhebben houdt in dat we ons aan zijn geboden houden. Zijn geboden zijn geen zware last, 4want ieder die uit God geboren is, overwint de wereld. En de overwinning op de wereld hebben wij behaald met ons geloof.

5Wie anders kan de wereld overwinnen dan iemand die gelooft dat Jezus de Zoon van God is? 6Hij, Jezus Christus, is gekomen door water en bloed – niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest getuigt ervan, omdat de Geest de waarheid is. 7Er zijn dus drie getuigen: 8de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend. 9Als we het getuigenis van mensen aannemen, zullen we zeker het getuigenis van God aannemen, dat zoveel meer gezag heeft, want het is het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft. 10Wie in de Zoon van God gelooft, draagt het getuigenis in zich. Wie God niet gelooft, maakt Hem tot leugenaar, omdat hij geen geloof hecht aan het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft. 11Dit getuigenis luidt: God heeft ons eeuwig leven geschonken en dat leven is in zijn Zoon. 12Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.

Laatste opmerkingen

13Dit alles schrijf ik u omdat u moet weten dat u eeuwig leven hebt, u die gelooft in de naam van de Zoon van God. 14Wij kunnen ons vol vertrouwen tot God wenden, in de zekerheid dat Hij naar ons luistert als we Hem iets vragen dat in overeenstemming is met zijn wil. 15En omdat we weten dat Hij naar ons luistert, wat we Hem ook vragen, weten we ook dat we alles al hebben gekregen wat we Hem gevraagd hebben. 16Als iemand zijn broeder of zuster een zonde ziet begaan die niet tot de dood leidt, moet hij voor hem of haar bidden en zo de zondaar het leven geven. Dit geldt wanneer er sprake is van een zonde die niet tot de dood leidt. Er bestaat ook zonde die wel tot de dood leidt. In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet. 17Alle onrecht is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood.

18We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt. Want wie uit God geboren is kan zichzelf beschermen, zodat het kwaad geen vat op hem heeft. 19We weten dat wij uit God voortkomen, terwijl de hele wereld in de macht is van hem die het kwaad zelf is. 20We weten ook dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht heeft gegeven om de ware God te kennen. En wij zijn in Hem, omdat we in zijn Zoon Jezus Christus zijn. Hij is de ware God, Hij is het eeuwige leven. 21Kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.

1 Johannes 5NBV21Open in de Bijbel
Hij

1Hier ben ik in mijn hof,

zusje, bruid van mij.

Ik pluk mijn mirre en mijn balsem,

ik eet mijn honing uit mijn honingraat,

ik drink mijn melk en mijn wijn.

Meisjes

Eet, vriend en vriendin!

Drink, en word dronken van liefde!

*

Zij

2Ik sliep, maar mijn hart was wakker.

Hoor! Mijn lief klopt aan!

‘Doe open, zusje, mijn vriendin,

mijn duif, mijn allermooiste.

Mijn hoofd is nat van de dauw,

mijn lokken vochtig van de nacht.’

3‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan,

moet ik het weer aandoen?

En ik heb mijn voeten al gewassen,

moet ik ze weer vuilmaken?’

4Mijn lief stak zijn hand naar binnen,

een siddering trok door mij heen – om hem!

5Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen.

Mijn handen dropen van mirre,

mirre vloeide van mijn vingers

op de grendel van de deur.

6En ik deed open voor mijn lief,

maar hij was weg,

mijn lief was weggegaan.

Een duizeling beving mij

toen ik zag dat hij er niet meer was.

Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,

ik riep hem, maar hij antwoordde niet.

7De wachters vonden mij

op hun ronde door de stad.

Ze sloegen mij, ze verwondden mij,

ze rukten mij de sluier af,

de wachters van de muren.

8Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem,

als jullie mijn lief vinden,

wat zeggen jullie tegen hem?

Dat ik ziek van liefde ben.

Meisjes

9Wat heeft jouw lief meer dan een ander,

mooiste van alle vrouwen?

Wat heeft jouw lief meer dan een ander,

dat je ons dit zo bezweert?

Zij

10Mijn lief glanst en schittert,

hij steekt boven duizenden uit.

11Zijn hoofd is van goud, het zuiverste goud,

zijn lokken zijn als dadeltrossen, ravenzwart.

12Zijn ogen zijn als duiven

bij een stromende beek,

die baden in water,

die gedompeld zijn in melk.

13Zijn wangen zijn als balsemtuinen,

die overheerlijk geuren.

Zijn lippen zijn als lelies,

druipend van vloeiende mirre.

14Zijn armen zijn als staven van goud,

met turkoois bezet.

Zijn buik is als een schijf van ivoor,

versierd met saffier.

15Zijn benen zijn als zuilen van albast,

op voetstukken van zuiver goud.

Zijn gestalte is zo fier als een ceder van de Libanon.

16Zijn mond is zoet,

aan hem is alles begeerlijk.

Dit is mijn lief, dit is mijn vriend,

meisjes van Jeruzalem!

Meisjes

1Waar is je lief naartoe gegaan,

mooiste van alle vrouwen,

waar is je lief naartoe?

Laten we hem samen zoeken.

Zij

2Mijn lief is naar zijn tuin gegaan,

naar zijn balsemtuin beneden.

Daar wil hij weiden,

daar wil hij lelies plukken.

3Ik ben van mijn lief,

en mijn lief is van mij.

Hij weidt tussen de lelies.

*

Hij

4Je bent zo mooi, vriendin van mij,

zo bekoorlijk als Tirsa,

zo lieflijk als Jeruzalem,

een ontzagwekkende verschijning.

5Wend je ogen af, ze verwarren mij.

Je haar golft als een kudde geiten

die afdaalt van de Gilead.

6Je tanden zijn als witte schapen:

twee aan twee komen ze uit het water,

er ontbreekt er niet een.

7Als het rood van een granaatappel

fonkelt je lach,

door je sluier heen.

8Ook al zijn er zestig koninginnen,

en wel tachtig bijvrouwen,

meisjes zonder tal,

9zoals mijn duif is er maar één,

mijn allermooiste is de enige.

De enige voor haar moeder is zij,

een stralend licht voor wie haar baarde.

Alle meisjes die haar zien, prijzen haar gelukkig,

elke koningin, elke bijvrouw juicht haar toe.

Meisjes

10Wie is zij,

die daar oplicht als de dageraad,

zo helder als de volle maan,

zo stralend als de zon,

wie is die ontzagwekkende verschijning?

Hij

11Ik ging naar mijn notengaard beneden,

om te kijken naar de bloesems bij de beek,

naar de ranken aan de wijnstok,

de granaatappels in bloei.

12En plotseling voelde ik mij meegevoerd

als op een wagen van mijn nobel volk.

Meisjes

1Draai rond, meisje uit Sulem, draai rond,

draai rond, we willen naar je kijken.

Hij

Kijk! Zie je dat meisje uit Sulem,

zoals ze danst tussen twee reien?

2Wat zijn je voeten mooi in je sandalen, koningskind!

Je heupen draaien sierlijk rond,

de schepping van een kunstenaar.

3Je navel is een ronde kom,

die gevuld is met kruidige wijn.

Je buik is een bergje tarwe,

dat door lelies wordt omzoomd.

4Je borsten zijn als kalfjes,

als de tweeling van een gazelle.

5Je hals is als een toren van ivoor,

je ogen als de vijvers van Chesbon,

bij de poort van Bat-Rabbim.

Je neus is als een toren van de Libanon,

die uitkijkt over Damascus.

6Je hoofd rijst op als de Karmel,

omkruld door purperen lokken,

waarin een koning ligt verstrikt.

*

Hij

7Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk,

liefde en verrukking, dat ben jij.

8Als een palm is je gestalte,

je borsten zijn als druiventrossen.

9Ik dacht: Laat ik die palm beklimmen,

ik wil zijn bladeren grijpen.

Laten jouw borsten

als trossen van de wijnstok zijn,

je adem als de geur van appels,

10je tong als zoete wijn ...

Zij

... wijn die zo naar mijn liefste stroomt

en hem in zijn slaap op de lippen vloeit.

11Ik ben van mijn lief,

en hij verlangt naar mij.

12Kom, mijn lief,

laten we het veld in gaan,

en tussen de hennabloemen slapen.

13Laten we de wijngaard in gaan, morgenvroeg,

en kijken of de wijnstok al is uitgebot,

zijn bloesems al ontloken zijn,

de granaatappel al bloeit.

Daar zal ik jou beminnen.

14De liefdesappels geuren al.

Boven onze poorten hangt een keur van vruchten,

vers geplukte, goed gedroogde.

Mijn lief, ik heb ze bewaard voor jou.

1Was jij maar mijn broertje,

gezoogd aan mijn moeders borst.

Als ik je dan vond, daarbuiten,

dan kuste ik jou,

en niemand zou me verachten.

2Dan nam ik je mee

en bracht je in mijn moeders huis,

en jij zou me alles leren.

Ik gaf je kruidige wijn te drinken,

van het sap van mijn granaatappel.

3Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,

met zijn rechterarm omhelst hij mij.

4Meisjes van Jeruzalem, ik bezweer je:

wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken

voordat zij het wil.

*

Meisjes

5Wie is zij,

die daar komt uit de woestijn,

leunend op de arm van haar lief?

Zij

Onder de appelboom wekte ik jou.

Daar kreeg je moeder weeën,

weeën van jou,

daar baarde ze jou.

6Draag mij als een zegel op je hart,

als een zegel op je arm.

Sterk als de dood is de liefde,

beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.

De liefde is een vlammend vuur,

een vuurgloed van de HEER.

7Zeeën kunnen haar niet doven,

rivieren spoelen haar niet weg.

Zou een man met al zijn rijkdom liefde willen kopen,

dan werd hij smadelijk veracht.

Broers

8Wij hebben een zusje,

borsten heeft ze nog niet.

Wat doen we met ons zusje

als de mensen over haar gaan spreken?

9Was zij een muur,

dan bouwden wij er zilveren kantelen op.

Was zij een deur,

dan sloten wij die met een balk van cederhout.

Zij

10Ik ben een muur,

mijn borsten zijn als torens.

Zo ben ik in zijn ogen als een stad

die vrede biedt.

11Salomo bezat een wijngaard in Baäl-Hamon.

Hij stelde er bewakers aan,

duizend sjekel zilver gaf men voor de oogst.

12Mijn eigen wijngaard blijft van mij.

De duizend sjekel zilver is voor jou, Salomo,

en tweehonderd voor de bewakers.

Hij

13Jij die in je hof verblijft,

mijn vrienden zijn gespitst op je stem.

Laat míj die horen!

Zij

14Ga nu vlug, mijn lief!

Spring als een gazelle,

als het jong van een hert

over de bergen vol balsemkruid.

Hooglied 5-8NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons