Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 352 / 1Joh. 1-2, Hoogl 1-2

Bijbeltekst(en)

1Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. 2Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. 3Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent. En verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus. 4We schrijven u deze brief om onze vreugde volkomen te maken.

Licht en duisternis

5Dit is wat wij Hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis. 6Als we zeggen dat we met Hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. 7Maar gaan we onze weg in het licht, zoals Hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde. 8Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. 9Belijden we onze zonden, dan zal Hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van al het onrecht dat wij bedrijven. 10Als we zeggen dat we nooit gezondigd hebben, maken we Hem tot een leugenaar en is zijn woord niet in ons.

1Kinderen, ik schrijf u dit opdat u niet zondigt. Maar mocht een van u zondigen, dan hebben wij een pleitbezorger bij de Vader: Jezus Christus, de rechtvaardige. 2Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld.

3Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan zijn geboden houden. 4Wie zegt: ‘Ik ken Hem,’ maar zich niet aan zijn geboden houdt, is een leugenaar; de waarheid is niet in hem. 5In ieder die zich aan Gods woord houdt, is zijn liefde werkelijk tot volmaaktheid gekomen; hierdoor weten we dat we in Hem zijn. 6Wie zegt in Hem te blijven, behoort in de voetsporen van Jezus te treden. 7Geliefde broeders en zusters, ik houd u in deze brief geen nieuw gebod voor maar een oud, dat u vanaf het begin bekend is. Dat oude gebod is de boodschap die u gehoord hebt. 8Toch is het ook een nieuw gebod, omdat de duisternis wijkt en het ware licht al schijnt, en dit is werkelijkheid in Jezus’ leven en in uw leven. 9Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat, bevindt zich nog altijd in de duisternis. 10Wie de ander liefheeft, blijft in het licht en komt niet ten val, 11maar wie de ander haat, bevindt zich in de duisternis. Hij gaat zijn weg in het duister, zonder te weten waarheen die weg voert, want de duisternis heeft hem blind gemaakt.

12Kinderen, ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van zijn naam. 13Ik schrijf u, ouderen: u kent Hem die er is vanaf het begin. Ik schrijf u, jongeren: u hebt hem die het kwaad zelf is overwonnen. 14Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent. Ouderen, u schrijf ik: u kent Hem die er is vanaf het begin. Jongeren, u schrijf ik: u bent sterk, het woord van God blijft in u, en u hebt hem die het kwaad zelf is overwonnen.

15Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, 16want alles wat in de wereld is – begeerte, inhaligheid, pronkzucht –, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld. 17De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet blijft tot in eeuwigheid.

Kinderen van God en kinderen van de duivel

18Kinderen, het laatste uur is aangebroken. U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Nu al treden er veel antichristen op, en daardoor weten we dat dit het laatste uur is. 19Ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons, want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn. Maar het moest aan het licht komen dat niemand van hen bij ons hoorde. 20U echter bent gezalfd door Hem die heilig is, en allen kent u de waarheid. 21Ik schrijf u niet omdat u de waarheid niet zou kennen, maar juist omdat u die kent en omdat uit de waarheid nooit een leugen voortkomt. 22Bestaat er een grotere leugenaar dan iemand die ontkent dat Jezus de christus is? Wie de Vader en de Zoon niet erkent, is de antichrist. 23Ieder die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader. 24Wat uzelf betreft: wat u vanaf het begin hebt gehoord, laat dat in u blijven. Als in u blijft wat u vanaf het begin hebt gehoord, zult u in de Zoon en in de Vader blijven. 25En dit is wat Hij ons heeft beloofd: het eeuwige leven. 26Dit wilde ik u schrijven over hen die proberen u te misleiden. 27Wat uzelf betreft: de zalving die u van Hem ontvangen hebt is blijvend, u hebt geen leraar nodig. Zijn zalving leert u alles naar waarheid, zonder bedrog. Blijf daarom in Hem, zoals zijn zalving u geleerd heeft.

28Blijf dus in Hem, kinderen. Dan kunnen we vol vertrouwen zijn wanneer Hij verschijnt en hoeven we ons niet te schamen bij zijn komst. 29U weet dat Hij rechtvaardig is, en u moet daarom wel inzien dat ieder die rechtvaardig leeft uit God geboren is.

1 Johannes 1-2NBV21Open in de Bijbel

1Hooglied, van Salomo.

Zij

2Laat hij mij kussen,

laat zijn mond mij kussen!

Jouw liefde is zoeter dan wijn,

3zoet is de geur van je huid,

je naam is een kostbaar parfum.

Daarom houden de meisjes van jou.

4Neem mij met je mee. Laten we rennen!

Mijn koning brengt mij in zijn kamers.

Laten we juichen en zingen om jou!

Laten we jouw liefde prijzen,

meer nog dan wijn.

Natuurlijk houden de meisjes van jou!

5Meisjes van Jeruzalem,

donker ben ik, en mooi,

als de tenten van Kedar,

als het doek van Salomo’s tenten.

6Kijk niet op mij neer omdat ik donker ben,

omdat de zon mij heeft gebrand.

Mijn moeders zonen waren hard voor mij:

ik moest hun wijngaarden bewaken.

Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.

7Zeg mij toch, mijn allerliefste,

waar laat jij je kudde weiden,

waar laat jij die ’s middags rusten?

Laat me toch niet zwaar gesluierd

langs de kudden van je vrienden gaan.

Hij

8Als je mij niet vinden kunt,

mooiste van alle vrouwen,

volg dan het spoor van de kudde,

weid je geiten waar de herders schuilen.

9Vriendin van mij,

met een merrie voor farao’s wagen

vergelijk ik jou!

10Hoe lieflijk zijn je wangen en je ringen,

hoe sierlijk zijn je hals en je ketting.

11Laten we een gouden sieraad voor je maken,

bezaaid met zilveren stipjes.

Zij

12Nu mijn koning op zijn rustbed ligt,

geurt mijn nardus zoet.

13Mijn lief is mij een bundel mirre,

hij slaapt tussen mijn borsten.

14Mijn lief is mij een hennatros

in de wijngaarden van Engedi.

Hij

15Je bent zo mooi, vriendin van mij,

je bent zo mooi!

Je ogen zijn duiven.

Zij

16Wat ben je mooi, mijn lief,

wat ben je bekoorlijk.

Het groen is ons bed,

17de balken van ons huis zijn ceders,

de binten zijn cipressen.

1Ik ben een lelie van de Saron,

een wilde lelie in het dal.

Hij

2Als een lelie tussen de distels,

zo is mijn vriendin tussen de meisjes.

Zij

3Als een appelboom tussen de bomen van het bos,

zo is mijn lief tussen de jongens.

Ik verlang in zijn schaduw te zitten,

met mijn tong wil ik zijn zoete vruchten proeven.

4Hij brengt mij in het wijnhuis,

boven mij zijn vaandel van liefde.

5Verkwik me met rozijnen,

verfris me met appels,

want ik ben ziek van liefde.

6Mijn hoofd rust op zijn linkerarm,

met zijn rechterarm omhelst hij mij.

7Meisjes van Jeruzalem,

ik bezweer je bij de gazellen, bij de hinden op het veld:

wek de liefde niet, laat haar niet ontwaken

voordat zij het wil.

*

Zij

8Hoor! Mijn lief!

Kijk! Hij komt,

springend over de bergen,

dansend over de heuvels.

9Als een gazelle is mijn lief,

als het jong van een hert.

Kijk! Hij staat al bij de muur.

Hij blikt door het venster,

tuurt door de spijlen.

10Mijn lief roept mij toe:

‘Sta op, vriendin!

Mooi meisje, kom!

11Kijk! De winter is voorbij,

voorbij zijn de regens, weggegaan.

12De bloemen zijn verschenen op het veld,

nu breekt de zangtijd aan,

het koeren van de duif klinkt op het land.

13De vijgenboom is al vol vruchten,

de wijnstok rankt en geurt.

Sta op, vriendin!

Mooi meisje, kom!

14Mijn duif in de rotskloof,

verscholen in de bergwand,

laat mij je gezicht zien,

laat mij luisteren naar je stem,

want je stem is zo lieflijk,

je gezicht zo bekoorlijk.’

Hij en zij

15Vang voor ons de vossen,

vang die kleine vossen.

Ze vernielen de wijngaard,

onze wijngaard vol bloeiende ranken.

Zij

16Mijn lief is van mij,

en ik ben van hem.

Hij weidt tussen de lelies.

17Nu de dag weer ademt

en het duister vlucht –

ga nu weg, mijn lief.

Spring als een gazelle,

als het jong van een hert

over de geurige bergen.

Hooglied 1-2NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons