Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 349 / Zach.7-9, Ps. 93

Bijbeltekst(en)

Bemoediging

1In het vierde regeringsjaar van koning Darius richtte de HEER zich tot Zacharia. Het was op de vierde dag van de negende maand, de maand kislew. 2De stad Betel had Sareser en Regem-Melech met zijn mannen afgevaardigd om de gunst van de HEER af te smeken, 3en om aan de priesters in het huis van de HEER van de hemelse machten en aan de profeten de volgende vraag voor te leggen: ‘Al jarenlang wordt er bij ons in de vijfde maand getreurd en gevast. Is het werkelijk nodig dat we dat blijven doen?’

4Toen richtte de HEER van de hemelse machten zich tot mij: 5‘Zeg tegen de bevolking van dit land en tegen de priesters: “Wanneer jullie in de vijfde en de zevende maand rouwen en vasten, nu al zeventig jaar lang, doe je dat dan werkelijk voor Mij? 6Ook wanneer jullie eten en drinken, doe je dat toch omdat je het zelf wilt?”’ 7Jullie weten toch wat de HEER bij monde van de vroegere profeten heeft gezegd, toen Jeruzalem en de omliggende steden nog bewoond en vredig waren, en er ook mensen woonden in de Negev en het heuvelland. 8En nu zegt de HEER het nogmaals, bij monde van mij, Zacharia: 9‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Spreek eerlijk recht, wees goed en zorgzaam voor elkaar; 10onderdruk geen weduwen en wezen en ook geen vreemdelingen en armen, en wees er niet op uit om een ander kwaad te doen.’ 11Maar jullie voorouders weigerden halsstarrig om te luisteren; ze stopten hun oren dicht om het maar niet te hoeven horen. 12Ze lieten de woorden en vermaningen die de HEER van de hemelse machten hun door zijn geest bij monde van de vroegere profeten voorhield niet tot zich doordringen, maar sloten zich ervoor af. Daarom werden ze getroffen door de toorn van de HEER van de hemelse machten. 13Ze luisterden niet toen Hij hen riep. ‘Daarom’ – zei de HEER van de hemelse machten – ‘zal Ik niet luisteren wanneer zij Mij roepen. 14Als een stormwind zal Ik hen uiteenjagen, onder onbekende volken.’ Het land bleef ontvolkt achter; niemand ging er meer naartoe, niemand kwam er nog vandaan. Zo is dit heerlijke land door hun toedoen een woestenij geworden.

1Maar nu luidt het woord van de HEER van de hemelse machten: 2‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik brand van liefde voor Sion; met vurige liefde neem Ik het voor haar op. 3Dit zegt de HEER: Ik keer terug naar de Sion en kom in Jeruzalem wonen. Jeruzalem zal Stad van trouw heten, en de berg van de HEER van de hemelse machten Heilige berg. 4Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mannen en vrouwen zitten, elk met een stok in de hand vanwege hun hoge leeftijd, 5en de straten zullen krioelen van de spelende jongens en meisjes. 6Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ook al lijkt het jullie, die van dit volk nog over zijn, nu onmogelijk, waarom zou het voor Mij onmogelijk zijn? – spreekt de HEER van de hemelse machten. 7Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik zal mijn volk bevrijden uit het land waar de zon opkomt en uit het land waar de zon ondergaat 8en hen naar Jeruzalem brengen. Daar zullen ze wonen. Zij zullen mijn volk zijn en Ik hun God, in onwankelbare trouw.

9Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Nu jullie deze woorden uit de mond van de profeten hebben gehoord, moeten jullie volhouden. Het huis van de HEER van de hemelse machten is nu gegrondvest; de herbouw van de tempel is begonnen. 10Eerst bracht de arbeid van mens en dier niets op, en wie maar een voet buiten de deur zette werd belaagd, want Ik had iedereen tegen iedereen opgezet. 11Maar nu behandel Ik jullie niet meer als vroeger – spreekt de HEER van de hemelse machten. 12Nu is het zaad gezegend: de wijnstok zal vrucht dragen, de aarde zal haar opbrengst geven, de hemel zal zijn dauw afstaan. Dit alles zal Ik schenken aan wie er van dit volk nog over zijn. 13Vroeger golden jullie bij de andere volken als vervloekt, Juda en Israël, maar nu Ik jullie te hulp kom, zullen ze jullie als gezegend beschouwen. Wees dus niet bang en houd vol! 14Want dit zegt de HEER van de hemelse machten: Toen jullie voorouders mijn toorn opwekten, nam Ik me voor dit volk kwaad te doen – zegt de HEER van de hemelse machten –, en dat heb Ik ook gedaan, zonder erop terug te komen. 15Maar nu heb Ik me voorgenomen om het goede te doen voor het volk van Jeruzalem en Juda. Wees dus niet bang. 16Hier moeten jullie je aan houden: Spreek de waarheid tegen elkaar, bewaar de vrede door eerlijk en rechtvaardig recht te spreken in de poort; 17wees er niet op uit om een ander kwaad te doen en laat je niet verleiden tot meineed, want daar heb Ik een afkeer van – spreekt de HEER.’

18En de HEER van de hemelse machten richtte zich tot mij: 19‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De vastendagen in de vierde en de vijfde maand en de vastendagen in de zevende en de tiende maand zullen voor Juda veranderen in blijde feestdagen vol vreugde en vrolijkheid. Maar let wel: houd de vrede en de waarheid in ere! 20Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Er zullen opnieuw mensen komen uit allerlei landen en steden. 21De inwoners van de ene stad zullen naar de volgende stad gaan en zeggen: “Ga met ons mee. Wij zijn op weg om de HEER van de hemelse machten om raad te vragen en zijn gunst af te smeken.” 22Grote en machtige volken zullen naar Jeruzalem komen om daar de HEER van de hemelse machten te raadplegen en zijn gunst af te smeken. 23En dit zegt de HEER van de hemelse machten: Als die tijd is gekomen, zullen tien mannen uit volken met verschillende talen een Joodse man bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden: “Wij willen ons bij u aansluiten, want we hebben gehoord dat God bij u is.”’

Andere profetieën

1Profetie.

Het woord van de HEER heeft Chadrach bereikt, en het rust op Damascus. Naar de HEER immers zal de hele mensheid zich richten, net als de stammen van Israël. 2Ook op het aangrenzende Hamat rust het woord van de HEER, en op Tyrus en Sidon, ondanks al hun vernuft. 3Tyrus bouwde voor zichzelf een bolwerk, het hoopte zilver op als stof en goud als slijk in de straten, 4maar de Heer zal de stad in bezit nemen, haar rijkdom in zee storten, en de stad zelf gaat in vlammen op. 5Wanneer Askelon dat ziet, zal het schrikken, en Gaza zal beven van angst. Zo ook Ekron, dat zijn hoop in rook ziet opgaan. Uit Gaza verdwijnt de koning, Askelon raakt ontvolkt, 6en in Asdod wonen alleen nog bastaards. Zo zal Ik de trots van de Filistijnen breken. 7Vlees waar nog bloed in zit zal Ik hun uit de mond rukken, en het voedsel dat Ik verafschuw scheur Ik tussen hun tanden vandaan. Maar een deel van hen zal gespaard worden, en ook zij zullen toebehoren aan onze God. Ze zullen in Juda worden opgenomen, en Ekron zal met ons verbonden zijn zoals de Jebusieten. 8Ik zal de wacht betrekken en mijn huis beschermen tegen indringers. Geen geweldenaar zal het nog binnenvallen, want nu waak Ik er met eigen ogen over.

9Juich, vrouwe Sion,

Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde!

Je koning is in aantocht,

bekleed met gerechtigheid en zege.

Nederig komt hij aanrijden op een ezel,

op een hengstveulen, het jong van een ezelin.

10Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen

en de paarden uit Jeruzalem;

de oorlogsboog wordt gebroken.

Hij zal vrede stichten tussen de volken.

Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee,

van de Rivier tot aan de einden der aarde.

11Want, Sion, omwille van mijn verbond met jou, met offerbloed bekrachtigd, zal Ik de gevangenen vrijlaten uit de put zonder water. 12Keer terug naar de burcht, gevangenen. Jullie hoop is niet vergeefs geweest, want ook nu geldt de toezegging aan Sion: Ik zal je dubbel schadeloosstellen. 13Juda span Ik als mijn boog, Efraïm richt Ik als mijn pijl, en jouw zonen, Sion, hef Ik als een heldenzwaard tegen de Grieken.

14De HEER zal boven hen verschijnen: met pijlen flitsend als bliksemschichten en met schallende ramshoorn trekt God, de HEER, op in een zuiderstorm. 15De HEER van de hemelse machten is hun schild. Ze zullen de vijand verslinden en zijn slingerstenen verbrijzelen, ze zullen zijn bloed drinken tot ze dronken zijn, tot ze ervan overlopen als een plengschaal en met bloed besmeurd zijn als de hoeken van een altaar. 16Op die dag zal de HEER, hun God, zijn volk als een kudde in veiligheid brengen. Als edelstenen in een kroon zullen ze fonkelen op zijn land. 17Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen en vrouwen bloeien op, gesterkt door graan en wijn.

Zacharia 7-9NBV21Open in de Bijbel

1De HEER is koning, met hoogheid is Hij bekleed,

de HEER is met macht bekleed en omgord.

Vast staat de wereld, zij wankelt niet,

2en vast staat van oudsher uw troon,

U bent van alle eeuwigheden.

3De stromen verheffen, HEER,

de stromen verheffen hun stem,

luid verheffen de stromen hun stem.

4Maar boven het geraas van de wijde wateren,

van de machtige baren der zee,

is hoog in de hemel de machtige HEER.

5Uw uitspraken zijn betrouwbaar.

Heiligheid is van uw huis het sieraad,

HEER, tot in lengte van dagen.

Psalmen 93NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons