Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 34 / Job 20-21, Spr. 22

Bijbeltekst(en)

Sofars tweede betoog

1Toen nam Sofar uit Naäma het woord:

2‘Ik ben verontrust en moet daarom wel antwoorden;

tot in mijn binnenste ben ik gekwetst.

3Wat ik hoorde was een les in smaad;

inzicht in het leven dwingt mij tot een antwoord.

4Weet je niet dat al sinds mensenheugenis,

sinds de mens op aarde is gezet,

5het gejuich van goddelozen snel verklinkt

en de vreugde van de misdadiger kortstondig is?

6Ook al zal zijn roem ten hemel stijgen,

ook al zal zijn hoofd de wolken raken,

7als zijn eigen drek zal hij voorgoed vergaan

en zij die hem kenden, zullen vragen: “Waar is hij?”

8Als een droom vervliegt hij, spoorloos,

hij wordt uitgewist, als een nachtelijk visioen.

9Het oog dat hem zag, ziet hem niet meer;

nooit meer zal zijn woonplaats hem aanschouwen.

10Zijn kinderen zullen de gunsten van de armen zoeken,

want hij moet afstaan wat hij zich heeft toegeëigend.

11Zijn lichaam heeft nog de kracht van de jeugd,

maar hij wordt geveld – en zijn botten liggen in het stof.

12Hoewel het kwaad hem zoet smaakt in de mond

en hij het verbergt onder zijn tong,

13hoewel hij zuinig is en niets laat glippen,

maar het tegen zijn gehemelte bewaart,

14zal het in zijn ingewanden gisten,

in zijn binnenste tot addergif verworden.

15Rijkdom heeft hij doorgeslikt, maar weer uitgebraakt,

God perst alles uit zijn buik omhoog.

16Hij zuigt slangengif op,

een slangentong zal hem ook doden.

17Nooit zal hij genieten van de overvloed,

van rivieren die van room en honing stromen.

18Wat hij heeft verworven, spuugt hij uit, het smaakt hem niet,

zoals ook zijn handel hem geen vreugde schenkt.

19Want hij heeft de armen onderdrukt en in de steek gelaten;

hij heeft hun huis verwoest, hij heeft het niet gebouwd.

20Zijn binnenste is altijd rusteloos,

niets van zijn kostbaarheden weet hij te bewaren.

21Al wat hij bezit verslindt hij,

zijn welvaart zal dan ook niet duren.

22Hoe groot ook zijn vermogen, hij weet zich niet veilig;

het onheil stort zich in volle omvang over hem uit.

23Terwijl hij zijn buik nog vult,

treffen hem de vlammen van Gods woede,

een regen van verderf komt op hem neer.

24Hij kan vluchten voor een ijzeren wapen,

maar wordt door een bronzen boog doorschoten.

25De pijl steekt in zijn rug, hij trekt hem uit,

de schacht zal glinsteren van zijn gal,

ontzetting overweldigt hem.

26Het donker verbergt al zijn schatten,

een smeulend vuur verslindt ze

en verteert wat in zijn huis nog over is.

27De hemel openbaart zijn schuld,

de aarde keert zich tegen hem.

28Een vloedgolf overspoelt zijn huis,

het wordt weggevaagd op die dag van Gods woede.

29Dat wacht hem die God ontrouw is,

dat is de erfenis die God hem geeft.’

Jobs antwoord op Sofars tweede betoog

1Hierop antwoordde Job:

2‘Luister nu goed naar mijn woorden,

laat dat de troost zijn die jullie mij geven.

3Heb geduld met mij, terwijl ik spreek;

als ik uitgesproken ben, kun je weer spotten.

4Is mijn aanklacht tegen een mens gericht?

Waarom zou ik dan mijn geduld bewaren?

5Kijk naar mij en wees ontzet,

en sla je hand voor je mond.

6Als ik aan dit alles denk, grijpt angst mij aan

en siddert heel mijn lichaam.

7Waarom leven goddelozen lang,

tot in hun ouderdom welvarend en gezond?

8Zij leven en ze zien hun kinderen gedijen,

en zelfs de kinderen van hun kinderen.

9In hun huis heerst vrede zonder vrees,

ze worden niet getroffen door Gods gesel.

10Hun stieren springen en bevruchten,

hun koeien kalven zonder misdracht.

11Hun kinderen rennen buiten rond,

vrolijk als de schapen en de geiten.

12Ze zingen, begeleid door lier en tamboerijn,

ze vermaken zich bij fluitmuziek.

13Hun leven kent slechts voorspoed

en rustig dalen ze af naar het dodenrijk.

14Ze zeggen tegen God: “Blijf ver van ons,

wij willen niet de wegen volgen die U wijst.

15Wie is de Ontzagwekkende dat wij Hem zouden eren?

Wat baat het ons tot Hem te bidden?”

16Maar de welvaart ligt niet in hun eigen handen,

laat wat goddelozen denken verre van mij blijven!

17Hoe zelden dooft de lamp van wie kwaad doet!

Treft hem ooit de rampspoed

die God de mensen in zijn woede toebedeelt?

18Wordt hij weggeblazen als kaf in de wind?

Wordt hij meegerukt als dorre aren in de storm?

19Of bewaart God de ellende voor zijn kinderen?

Laat Hij het aan hém vergelden, zodat hij het zelf voelt!

20Mogen zijn eigen ogen de ondergang aanschouwen,

moge hij de woede van de Ontzagwekkende drinken!

21Waarom zou hij daar zijn familie mee bezwaren,

wanneer het getal van zijn maanden al ten einde is?

22Kan God iets van de mensen leren,

Hij die over de hemelingen rechtspreekt?

23Sommigen sterven, in kracht ongebroken,

vredig en zonder zorgen;

24ze zien eruit als melk en bloed,

het merg stroomt in hun botten.

25Anderen sterven vervuld van bitterheid,

zonder ooit vreugde te hebben gesmaakt.

26Samen liggen ze in het stof,

overdekt met wormen.

27Ja, ik weet wat jullie denken,

wat jullie tegen mij in de zin hebben.

28Jullie zeggen: “Waar staat het huis van die edele,

waar heeft die goddeloze zich gevestigd?”

29Vraag het toch aan de voorbijgangers!

Aan wat zij verklaren zullen jullie toch niet twijfelen?

30Wie kwaad doet wordt in tijden van rampspoed gespaard,

op de dag van Gods woede wordt hij gered.

31Wie zal hem zijn gedrag openlijk verwijten;

wat hij heeft misdaan – wie zal hem dat vergelden?

32Met veel eerbetoon draagt men hem ten grave

en men houdt de wacht bij zijn tombe.

33Zacht rust hij in zijn pas gedolven graf,

tallozen liepen voor zijn baar

en velen volgden deze.

34Ach, jullie troosten mij met lege woorden,

wat jullie zeggen is niets dan bedrog.’

Job 20-21NBV21Open in de Bijbel

1Een goede naam is te verkiezen boven grote rijkdom,

waardering boven zilver en goud.

2Een arme en een rijke hebben dit gemeen:

de HEER heeft hen beiden gemaakt.

3Wie verstandig is, ziet het gevaar en hoedt zich ervoor,

wie onnozel is, gaat het tegemoet en zal daarvoor boeten.

4Wie bescheiden is en ontzag heeft voor de HEER

wordt beloond met rijkdom, eer en een lang leven.

5Wie de verkeerde weg gaat, treft dorens en valstrikken aan,

wie zijn leven liefheeft, blijft er verre van.

6Leer een kind van jongs af aan de juiste weg,

en het zal er niet van afwijken wanneer het oud geworden is.

7Een rijke heeft macht over armen,

wie leent is de slaaf van zijn geldschieter.

8Wie onheil zaait, zal onheil oogsten,

door de stok waarmee hij slaat zal hij te gronde gaan.

9Een goedhartig mens wordt gezegend,

omdat hij zijn voedsel met de armen deelt.

10Jaag een spotter weg, en de ruzie is voorbij,

twistgesprekken en beledigingen houden op.

11Wie een zuiver hart heeft en beminnelijk spreekt

heeft de koning als vriend.

12De HEER waakt over wie kennis bezitten,

Hij logenstraft de woorden van bedriegers.

13Een luiaard zegt: ‘Er zwerft een leeuw door de straten,

als ik buiten kom, zal hij me verscheuren.’

14De mond van een ontrouwe vrouw is als een diepe put,

wie door de HEER is vervloekt, valt daarin.

15Kinderen zijn geneigd tot onbezonnenheid,

de stok wijst ze terecht en weerhoudt ze ervan.

16Wie een arme onderdrukt, maakt hem enkel rijk,

wie een rijke geld geeft, zorgt ervoor dat hij gebrek lijdt.

Spreuken van wijzen

17Schenk mijn kennis een aandachtig oor,

luister naar de woorden van de wijzen.

18Het is goed ze vast te houden,

zodat je ze altijd op je lippen hebt.

19Jou laat ik ze horen, nu,

opdat je op de HEER vertrouwt.

20Heb ik niet dertig spreuken voor je opgeschreven,

vol kennis en goede raad?

21Dat is om je de waarheid te leren, waarachtige woorden,

zodat je betrouwbaar kunt antwoorden

aan hem die jou heeft gestuurd.

22Steel niet van een arme, hij is al arm genoeg.

Vertrap een behoeftige niet als hij terechtstaat in de poort.

23Want de HEER verdedigt hun rechten,

wie hen beroven, berooft Hij van het leven.

24Ga niet om met een heethoofd,

houd je niet op met een driftkop,

25opdat je niet dezelfde weg gaat als hij

en voor jezelf een valstrik zet.

26Geef niet zomaar een handslag,

sta niet zomaar borg voor een schuld.

27Als je die niet kunt voldoen,

halen ze je bed onder je vandaan.

28Verplaats geen oude grenzen,

je voorouders hebben ze vastgesteld.

29Zie je iemand die een kundig vakman is?

Hij komt in dienst van de koning,

onaanzienlijken zal hij niet dienen.

Spreuken 22NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons