Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 33 / Job 18-19, Spr. 21

Bijbeltekst(en)

Bildads tweede betoog

1Toen nam Bildad uit Suach het woord:

2‘Wat een woorden! Zijn jullie nooit uitgesproken?

Gebruik je verstand, dan kunnen we praten.

3Waarom worden wij beschouwd als onmondig vee,

waarom doen jullie alsof wij onnozel zijn?

4Jij verscheurt jezelf in woede –

wordt om jou de wereld dan dooreengeschud,

wordt om jou één rots van zijn plaats getild?

5Heus, het licht van de goddeloze dooft,

de gloed van zijn vuur vlamt niet meer op.

6In zijn huis wordt alles donker,

het licht dat hem omringde dooft.

7Van zeker wordt zijn tred krampachtig,

zijn boze opzet laat hem struikelen.

8Zijn voeten voeren hem ten val,

een net verstrikt hem op zijn weg.

9Een klem grijpt om zijn hiel,

een strop houdt hem gevangen.

10In de grond is voor hem een touw verborgen,

over zijn pad een strik gespannen.

11De verschrikking staart hem allerwegen aan

en jaagt hem voort bij elke stap.

12De honger put zijn krachten uit,

de rampen wijken niet meer van zijn zijde.

13Huid en leden worden aangevreten door de dood,

door zijn eerstgeborene verteerd.

14Aan de veiligheid van zijn huis ontrukt,

wordt hij gevoerd naar de vorst der verschrikking.

15Verwoesting treft zijn bezit,

zijn woning wordt bedolven onder zwavel.

16Zijn wortels verdrogen in de grond,

zijn takken verdorren in de lucht.

17Zijn nagedachtenis op aarde zal vergaan,

niemand zal nog weten wie hij was.

18Uit het licht wordt hij het duister in geworpen,

hij wordt uit de wereld weggestoten.

19Hij heeft geen kinderen, niemand draagt zijn naam;

waar hij woonde zijn geen overlevenden.

20Jonge mensen zijn ontzet over zijn lot,

zijn ondergang doet oude mensen huiveren.

21Zo vergaat het het huis van de boosdoener,

zo vergaat het de woning van hem die God niet kent.’

Jobs antwoord op Bildads tweede betoog

1Hierop antwoordde Job:

2‘Hoe lang blijven jullie mij nog pijnigen,

hoe lang nog martelen met woorden?

3Keer op keer beschimpen jullie mij,

is het geen schande mij zo te vernederen?

4Als ik werkelijk gedwaald heb,

dan is het toch míjn dwaling?

5Als jullie werkelijk jezelf zoveel beter wanen

en mijn vernedering terecht vinden,

6weet dan dat God zich tegen mij gekeerd heeft,

dat Hij zijn netten om mij samentrekt.

7Ik schreeuw: “Onrecht!” – maar krijg geen antwoord.

Ik roep om hulp – maar vind geen recht.

8Mijn weg verspert Hij met een muur,

de paden die ik ga hult Hij in duisternis.

9Hij heeft me van mijn eer beroofd,

de kroon is van mijn hoofd genomen.

10Hij heeft mij omvergehaald, ik lig terneer;

mijn hoop heeft Hij ontworteld als een boom.

11Hij is in woede tegen mij ontstoken

en heeft mij tot zijn aartsvijand gemaakt.

12Zijn troepen hebben zich verzameld

en banen zich een weg naar mij,

ze slaan hun kampen op rondom mijn tent.

13Mijn verwanten heeft Hij van mij verwijderd,

ik word verloochend door mijn vrienden.

14Mijn familie ziet mij onverschillig aan,

mijn vertrouwelingen kennen mij niet meer.

15Ik ben een gast voor mijn bedienden en slavinnen,

een vreemdeling ben ik voor hen geworden.

16Roep ik mijn slaaf, hij antwoordt niet,

ik moet hem smeken.

17Mijn vrouw walgt van mijn adem,

mijn eigen broers deinzen terug omdat ik stink.

18Zelfs jongeren verachten mij,

ze spreken smalend als ik opsta.

19Ik word verafschuwd door mijn naaste vrienden,

ieder die ik liefheb keert zich tegen me.

20Mijn botten steken door mijn magere vel,

alleen het vege lijf heb ik behouden.

21Heb medelijden, vrienden, heb medelijden met mij,

want de hand van God heeft mij getroffen.

22Waarom vervolgen jullie mij, zoals God?

Waarom houden jullie nooit op mij te belasteren?

23O, mochten mijn woorden worden opgeschreven,

vastgelegd in een inscriptie,

24met een ijzeren stift gegrift, met lood gevuld,

voor altijd in de rotsen uitgehouwen!

25Ik weet: mijn redder leeft,

en Hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.

26Hoezeer mijn huid ook is geschonden,

toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen.

27Ik zal Hem aanschouwen,

ik zal Hem met eigen ogen zien, ik, geen ander,

heel mijn binnenste smacht van verlangen.

28Als jullie zeggen: “Hoe zullen we hem vervolgen?”

omdat ik de wortel van het kwaad zou zijn –

29vrees dan zelf het zwaard,

want jullie woede is een wandaad die het zwaard verdient.

Weet dat er rechtgesproken wordt.’

Job 18-19NBV21Open in de Bijbel

1De gedachten van de koning zijn als waterstromen in de macht van de HEER,

Hij leidt ze waarheen Hij maar wil.

2Een mens kiest in eigen ogen steeds de rechte weg,

de HEER toetst wat hem innerlijk beweegt.

3De HEER heeft liever dat je eerlijk en rechtvaardig handelt

dan dat je een offer brengt.

4Een hooghartige blik, een aanmatigend hart,

wat een goddeloze uitstraalt is zondig.

5Weldoordachte ijver strekt een mens tot voordeel,

wie overijld te werk gaat, zal gebrek lijden.

6Rijkdom verworven door bedrog

is als een vluchtige adem op zoek naar de dood.

7Het geweld van goddelozen sleurt hen naar de ondergang,

omdat ze weigeren het recht in acht te nemen.

8Een bedrieger bewandelt slinkse wegen,

een eerlijk mens handelt oprecht.

9Je kunt beter op een hoek van het dak wonen

dan in één huis met een vrouw die ruzie zoekt.

10Een goddeloze is uit op het kwaad,

hij toont geen medelijden met zijn medemens.

11Als je een spotter bestraft, leren onnozelen daarvan,

als je een wijze berispt, vermeerdert zijn wijsheid.

12De rechtvaardige God slaat de goddelozen gade,

Hij stort ze in het verderf.

13Wie zijn oren sluit voor het gejammer van de arme

zal ooit zelf om hulp schreeuwen, en geen antwoord krijgen.

14Een heimelijke gift doet woede bedaren,

onderhands gegeven geld temt razernij.

15De rechtvaardige vindt er vreugde in recht te doen,

voor de boosdoener is het recht een verschrikking.

16Wie afdwaalt van de weg van het verstand

zal belanden in het rijk van de schimmen.

17Wie altijd maar feestviert, zal gebrek lijden,

wie van wijn en verfijnd voedsel houdt wordt nooit rijk.

18Oprechten worden vrijgekocht, trouwelozen niet;

goddelozen dienen als losgeld voor rechtvaardigen.

19Je kunt beter in de woestijn wonen

dan leven met een humeurige vrouw die ruzie zoekt.

20Een wijze heeft rijke schatten en kostbare olie in huis,

een dwaas verkwanselt alles.

21Wie rechtvaardigheid en trouw nastreeft

ontvangt leven, voorspoed en eer.

22Een wijze overwint een stad vol keurtroepen,

hij haalt het bolwerk neer waarop zij vertrouwen.

23Wie zijn tong in toom houdt

bespaart zich in zijn leven allerlei ellende.

24Een spotter is verwaand en onbeschoft,

hij is grenzeloos hooghartig.

25De verlangens van een luiaard leiden tot zijn dood,

hij weigert zijn handen te gebruiken.

26Velen willen almaar meer bezit,

maar de rechtvaardige geeft met gulle hand.

27Het offer van de goddelozen is een gruwel,

vooral als de bedoeling slecht is.

28Een onbetrouwbare getuige moet de mond worden gesnoerd,

maar wie opmerkzaam is, mag uitspreken.

29Een goddeloze zet een trots gezicht,

de oprechte gaat de weg die hij moet gaan.

30Wijsheid, inzicht, plannen,

niets houdt stand tegen de HEER.

31Het paard wordt gereedgemaakt voor de strijd,

de overwinning hangt af van de HEER.

Spreuken 21NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons