Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 310 / Ezech. 20-21, Ps. 50

Bijbeltekst(en)

Israël opstandig en ontrouw

1In het zevende jaar, op de tiende dag van de vijfde maand, kwam een aantal van de oudsten uit Israël bij mij om de HEER te raadplegen. Toen ze tegenover me hadden plaatsgenomen, 2richtte de HEER zich tot mij: 3‘Mensenkind, zeg tegen de oudsten van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Komen jullie Mij raadplegen? Zo waar Ik leef: Ik zal me beslist niet door jullie laten raadplegen! – spreekt God, de HEER.” 4Oordeel over hen, mensenkind! Laat hen beseffen welke gruweldaden hun voorouders hebben begaan. 5Zeg tegen de oudsten: “Dit zegt God, de HEER: Op de dag dat Ik Israël uitkoos, heb Ik de nakomelingen van Jakob een plechtige eed gezworen en maakte Ik me in Egypte aan hen bekend met deze woorden: ‘Ik ben de HEER, jullie God.’ 6Op die dag zwoer Ik hun dat Ik hen uit Egypte weg zou leiden naar het land dat Ik voor hen had uitgezocht, een land dat overvloeit van melk en honing, de parel onder de landen van de wereld. 7Ik zei tegen hen: ‘Ontdoe je van de afschuwelijke goden die jullie aanbidden, en verontreinig je niet langer door je in te laten met de afgoden van Egypte. Ik, de HEER, ben jullie God.’

8Maar zij waren opstandig en wilden niet naar Mij luisteren, ze ontdeden zich niet van de afschuwelijke goden die ze aanbaden, ze verlieten de afgoden van Egypte niet. Dus wilde Ik mijn toorn over hen uitstorten, daar in Egypte, en mijn woede op hen koelen. 9Maar om mijn naam niet te ontwijden bij de volken waartussen ze leefden, leidde Ik hen onder de ogen van die volken weg uit Egypte en maakte me zo aan hen bekend. 10Ik leidde hen weg uit Egypte en bracht hen naar de woestijn. 11Daar gaf Ik hun mijn bepalingen, daar maakte Ik hun mijn regels bekend, die leven schenken aan wie ze volgt. 12Verder gaf Ik hun mijn sabbat als een teken voor Mij en voor hen dat eraan herinnert dat Ik, de HEER, hen geheiligd heb.

13Maar ook in de woestijn was het volk van Israël opstandig. Ze hielden zich niet aan mijn bepalingen en verwierpen mijn regels, die leven schenken aan wie ze volgt. Ze ontwijdden mijn sabbat en daarom wilde Ik daar in de woestijn mijn toorn over hen uitstorten en hen vernietigen. 14Toch deed Ik het niet, want Ik wilde mijn naam niet ontwijden bij de volken die hadden gezien hoe Ik hen had weggeleid. 15Wel zwoer Ik in de woestijn de eed dat Ik hen niet naar het land zou brengen dat Ik hun geven wilde, een land dat overvloeit van melk en honing, de parel onder de landen van de wereld. 16Ze verwierpen immers mijn regels, hielden zich niet aan mijn bepalingen en ontwijdden mijn sabbat: hun hart ging uit naar hun afgoden. 17Toch toonde Ik medelijden met hen; Ik richtte hen niet te gronde, daar in de woestijn, Ik vernietigde hen niet. 18Ik zei daar tegen hun kinderen dat ze niet moesten leven volgens de bepalingen en regels van hun ouders, en zich niet moesten verontreinigen door zich in te laten met hun afgoden: 19‘Ik, de HEER, ben jullie God: houd je aan mijn bepalingen en regels, en leef ze na. 20Vier mijn sabbat als een heilige dag; dat zal voor jullie en Mij het teken zijn waaraan te zien is dat Ik, de HEER, jullie God ben.’

21Maar ook hun kinderen gedroegen zich opstandig. Ze kwamen mijn bepalingen niet na en hielden zich niet aan mijn regels, die leven schenken aan wie ze volgt. Ze ontwijdden mijn sabbat, en daarom wilde Ik daar in de woestijn mijn toorn over hen uitstorten en mijn woede op hen koelen. 22Toch trok Ik mijn straffende hand weer terug, want Ik wilde mijn naam niet ontwijden bij de volken die hadden gezien hoe Ik hen had weggeleid. 23Wel zwoer Ik in de woestijn dat Ik hen zou verstrooien onder vreemde volken en verspreiden over verre landen, 24omdat ze mijn regels en bepalingen verwierpen en mijn sabbat ontwijdden, en de afgoden van hun ouders aanbaden. 25Ik gaf hun zelfs slechte bepalingen, en regels die leidden tot de dood. 26Met hun eigen offergaven maakte Ik hen onrein, hun eerstgeboren kinderen liet Ik hen offeren, opdat ze in ontzetting zouden beseffen dat Ik de HEER ben.”

27Spreek daarom opnieuw tegen het volk van Israël, mensenkind, zeg hun: “Dit zegt God, de HEER: Jullie voorouders hebben Mij ook verder nog met hun ontrouw bespot. 28Ik bracht hen naar het land dat Ik hun onder ede beloofd had, maar bij elke heuvel en bij iedere schaduwrijke boom die ze zagen, offerden ze hun vee en krenkten ze Mij met hun offers. Daar brachten ze hun geurige gaven en daar plengden ze hun wijnoffers. 29Ik vroeg: ‘Wat is dat toch voor plek waar jullie heen gaan om te offeren?’ Sinds die tijd wordt zo’n plek offerhoogte genoemd.”

30Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Is het niet zo dat jullie jezelf nog altijd onrein maken, net zoals jullie voorouders deden? En plegen jullie niet tot op de dag van vandaag overspel met hun afschuwelijke goden? 31Maken jullie jezelf niet nog altijd onrein met jullie offergaven, door je eigen kinderen als offer te verbranden en afgoden te vereren? En moet Ik me dan door jullie laten raadplegen, volk van Israël? Zo waar Ik leef – spreekt God, de HEER –, Ik zal me beslist niet door jullie laten raadplegen! 32Wat jullie willen, zal zeker niet gebeuren. Jullie denken dat je kunt worden als de volken die in andere landen wonen en goden van hout en steen vereren! 33Zo waar Ik leef – spreekt God, de HEER –, Ik zal jullie koning zijn, een koning die met sterke hand en opgeheven arm zijn toorn over jullie uitstort. 34Uit de landen waarover jullie verstrooid zijn, uit de volken waartussen jullie wonen, zal Ik je bijeenbrengen en wegvoeren, met sterke hand en opgeheven arm. Ik zal mijn toorn over jullie uitstorten 35en je de woestijn van de volken in jagen. Daar zullen jullie oog in oog met Mij komen te staan en zal Ik jullie aanklagen. 36Zoals Ik jullie voorouders in de woestijn van Egypte heb aangeklaagd, zo zal Ik ook jullie aanklagen – spreekt God, de HEER. 37Ik zal je onder mijn herdersstaf dwingen en je houden aan de verplichtingen van ons verbond. 38Wie tegen Mij in opstand komen en rebelleren, zal Ik scheiden van de anderen: Ik zal hen wegleiden uit het land waar ze als vreemdeling verblijven, maar het land van Israël zullen ze niet binnengaan. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben.

39Luister, volk van Israël! Dit zegt God, de HEER: Loop maar achter je afgoden aan, ga daar rustig mee door als jullie niet naar Mij willen luisteren, maar mijn heilige naam zullen jullie niet langer met je offers en afgoden ontwijden. 40Want alleen op mijn heilige berg, op de verheven berg van Israël – spreekt God, de HEER – mag het volk van Israël Mij dienen, iedereen, uit het hele land. Daar zal Ik jullie met vreugde aanvaarden. De kostbaarste offers, het beste wat jullie te geven hebben, moeten aan Mij worden gewijd. 41Wanneer Ik jullie heb weggeleid bij de volken waartussen jullie nu wonen, zal Ik jullie als een geurige gave aanvaarden. Ik zal jullie bij elkaar brengen vanuit de landen waarover jullie nu verstrooid zijn, en zo de volken laten zien dat Ik heilig ben. 42Als Ik jullie naar je land breng, het land dat Ik onder ede aan je voorouders beloofd had, zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 43Daar zullen jullie denken aan de daden waarmee je jezelf onrein hebt gemaakt. Jullie zullen van jezelf walgen vanwege al het kwaad dat jullie hebben gedaan. 44En dan, volk van Israël, als Ik met jullie doe wat past bij mijn naam en niet wat bij jullie slechte en verderfelijke daden past, zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben – zo spreekt God, de HEER.”’

Het goddelijk zwaard

1Weer richtte de HEER zich tot mij: 2‘Mensenkind, richt je blik naar het zuiden, klaag het aan en profeteer tegen het struikgewas daar. 3Zeg: “Luister naar de woorden van de HEER! Dit zegt God, de HEER: Ik steek je in brand, en het vuur zal al het levende en dorre hout verteren. De laaiende vlam zal niet doven, alle gezichten, van noord tot zuid, zullen erdoor worden verschroeid, 4en alles wat leeft zal inzien dat Ik, de HEER, die vlam heb aangestoken. Het vuur zal niet doven!”’ 5Ik antwoordde: ‘Ach HEER, mijn God, dan zeggen ze vast: “Hij spreekt in raadsels, die man!”’

6De HEER richtte zich tot mij: 7‘Mensenkind, richt je blik op Jeruzalem en klaag de heiligdommen aan, profeteer tegen het land van Israël. 8Zeg: “Dit zegt de HEER: Ik keer me tegen je, Ik trek mijn zwaard uit de schede en Ik zal je inwoners uitroeien, de rechtvaardigen evengoed als de goddelozen. 9Van het noorden tot het zuiden roei Ik iedereen uit, de rechtvaardigen evengoed als de goddelozen. Daarom laat Ik mijn zwaard uit de schede komen, 10en alles wat leeft zal weten dat Ik, de HEER, mijn zwaard getrokken heb! Het keert niet meer in de schede terug.” 11En jij, mensenkind, kerm! Kerm van verdriet waar zij bij zijn, kerm als een gebroken man. 12Als ze je dan vragen: “Waarom kerm je zo?”, zeg dan: “Er gaat een onheilsboodschap rond! De angst zal alle mensen om het hart slaan, hun armen zullen slap langs hun lichaam hangen, ze worden wanhopig, het water loopt hun langs de benen. Het komt, het zal gebeuren! – zo spreekt God, de HEER.”’

13De HEER richtte zich tot mij: 14‘Mensenkind, profeteer, zeg: “Dit zegt de Heer:

Er is een zwaard gewet, er is een zwaard geslepen,

15-16om te slachten is het gewet,

om te bliksemen is het gescherpt.

Moeten wij ons erover verheugen

dat de staf van mijn zoon al het hout veracht?

Het zwaard is gescherpt om te worden gegrepen.

Het is gewet, het is geslepen,

om het te geven aan een moordenaar.”

17Schreeuw het uit, mensenkind,

en sla je op je heup,

want het zwaard treft mijn volk,

het verwondt Israëls vorsten,

zij worden door het zwaard geveld,

samen met mijn volk.

18Het volk wordt beproefd,

en de staf die al het hout veracht,

wat als ook die er niet meer is?

– spreekt God, de HEER.

19Mensenkind, profeteer,

sla je handen op elkaar,

en laat het zwaard tweemaal,

driemaal zijn werk doen.

Het is een zwaard dat klieft,

dat velen doorboort,

dat diep in hen doordringt.

20De schrik slaat hun om het hart,

velen struikelen en vallen!

Het zwaard stuur Ik af op hun steden,

moordend doet het zijn werk.

Ja, het is gemaakt om te bliksemen,

het is gewet om te slachten.

21Doe een uitval naar rechts,

val aan naar links,

waarheen je maar gestuurd wordt!

22Ook Ik sla mijn handen op elkaar,

Ik zal mijn woede koelen.

Ik, de HEER, heb gesproken.’

23De HEER richtte zich opnieuw tot mij: 24‘Mensenkind, teken twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babylonië kan gaan. Beide wegen komen uit hetzelfde land. Maak aan het begin van de twee wegen, die beide naar een stad leiden, een open plek. 25Langs de ene weg gaat het zwaard naar Rabba in Ammon, langs de andere naar het versterkte Jeruzalem in Juda. 26Op de splitsing van de weg, aan het begin van de twee wegen, staat de koning van Babylonië, en hij vraagt om een teken. Hij schudt de pijlen, hij raadpleegt zijn godenbeeldjes, hij bekijkt de lever. 27Rechts ligt het lot van Jeruzalem. Hij zal de stad met stormrammen aanvallen, hij zal zijn mond openen in een strijdkreet, hij zal zijn stem in krijgsgeschreeuw verheffen. Hij laat de stormrammen tegen de poorten beuken, hij maakt een bestormingsdam, hij werpt een belegeringswal op. 28De Judeeërs zullen denken dat dit een valse voorspelling is, ze hebben immers eden van trouw gezworen! Maar hun schuld komt aan het licht, ze zullen gegrepen worden. 29Dit zegt God, de HEER: Omdat jullie Mij zelf aan je schuld hebben herinnerd, omdat jullie misdaden aan het licht zijn gekomen en al jullie zonden en wandaden zichtbaar zijn, omdat jullie Mij aan je gedrag hebben herinnerd – daarom zullen jullie in handen van de vijand vallen.

30En wat jou betreft, goddeloze, ontaarde vorst van Israël: voor jou is de dag van de afrekening gekomen. 31Dit zegt God, de HEER: Weg met je tulband, zet af die kroon! Niets blijft hetzelfde, wat laag is wordt hoog, wat hoog is wordt laag. 32Puin, puin, niets dan puin blijft er over, maar eerst moet hij nog komen aan wie Ik het oordeel toevertrouw.

33Jij, mensenkind, moet profeteren. Zeg: “Dit zegt God, de HEER, over de Ammonieten en over hun schande,” zeg: “Zwaard, om te slachten ben je getrokken, om te verwoesten ben je geslepen, bliksemen zul je, zwaard! 34Hun visioenen over jou zijn bedrieglijk, hun voorspellingen vals. Je zult die goddeloze en ontaarde mensen de hals doorsnijden! Voor hen is de dag van de afrekening gekomen.

35Terug in je schede! Daar waar je gemaakt bent, in het land waar je vandaan komt, zal Ik je straffen. 36Mijn toorn zal Ik over je uitstorten, het vuur van mijn woede zal Ik over je heen blazen, en Ik zal je aan barbaren overleveren, aan mannen die dood en verderf zaaien. 37Je zult aan het vuur ten prooi vallen, overal in het land zal bloed vloeien en je naam zal niet meer worden genoemd – Ik, de HEER, heb gesproken.”’

Ezechiël 20-21NBV21Open in de Bijbel

1Een psalm van Asaf.

De God der goden, de HEER,

gaat spreken en roept de aarde bijeen

van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat.

2Uit Sion, stad van volmaakte pracht,

verschijnt God in stralend licht.

3Hij komt, onze God, en zal niet zwijgen!

Laaiend vuur raast voor Hem uit,

rondom Hem wervelt een storm.

4Hij roept de hemel op, daarboven,

en ook de aarde, bij het oordeel over zijn volk:

5‘Breng mijn getrouwen vóór Mij,

die zich met offers aan Mij verbinden.’

6De hemel verkondigt Gods gerechtigheid,

Hijzelf treedt op als rechter. sela

7‘Luister, mijn volk, Ik ga spreken,

Israël, Ik ga tegen je getuigen,

Ik, God, je eigen God.

8Ik klaag je niet aan om je offers,

nooit dooft voor Mij het offervuur.

9Maar de stier uit je stal heb Ik niet nodig,

noch de bokken uit je kooien.

10Mij behoren de dieren van het woud,

de beesten op duizenden bergen,

11Ik ken alle vogels van het gebergte,

wat beweegt in het veld is van Mij.

12Had Ik honger, Ik zou het je niet zeggen,

van Mij is de wereld en wat daar leeft.

13Eet Ik soms het vlees van stieren

of drink Ik het bloed van bokken?

14Breng God een dankoffer,

geef de Allerhoogste wat je Hem belooft.

15Roep Mij te hulp in tijden van nood,

Ik zal je redden, en je zult Mij eren.’

16Maar tot wie kwaad doet zegt God:

‘Wat baat het dat je mijn geboden opzegt

en mijn verbond in de mond neemt?

17Je haat het als Ik je terechtwijs,

mijn woorden schuif je terzijde.

18Zie je een dief, je loopt met hem mee,

en bij overspeligen ben je thuis.

19Je gebruikt je mond voor lastertaal

en verbindt je tong aan bedrog.

20Je getuigt tegen je eigen broer,

werpt een smet op de zoon van je moeder.

21Zou Ik dan zwijgen bij wat je doet,

je denkt toch niet dat Ik ben als jij?

Ik klaag je aan, Ik som je wandaden op.

22Begrijp dit goed, jullie die God vergeten,

of Ik verscheur je, en er is niemand die redt:

23wie een dankoffer brengt, geeft Mij alle eer,

wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.’

Psalmen 50NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons