Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 309 / Ezech. 18-19, Ps. 10

Bijbeltekst(en)

Wie rechtvaardig handelt, zal leven

1De HEER richtte zich tot mij: 2‘Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stompe tanden? 3Zo waar Ik leef – spreekt God, de HEER –, nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! 4Weet dat alle mensenlevens Mij toebehoren: zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven.

5Stel, iemand is rechtvaardig, hij handelt naar recht en gerechtigheid. 6Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel en hij vereert de afgoden van het volk van Israël niet; hij maakt de vrouw van een ander niet onrein door haar te onteren en met een vrouw die ongesteld is heeft hij geen gemeenschap; 7hij buit niemand uit, geeft de schuldenaar zijn onderpand terug en besteelt niemand. Hij deelt zijn brood met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren; 8hij vraagt geen rente wanneer hij geld uitleent of toeslag wanneer hij het terugkrijgt; hij begaat geen onrecht en geeft een eerlijk oordeel bij onderlinge geschillen; 9hij houdt zich aan mijn bepalingen en leeft werkelijk naar mijn regels. Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker in leven blijven – spreekt God, de HEER.

10Maar stel, hij krijgt een gewelddadige zoon, een moordenaar, die alles doet 11wat zijn vader nooit heeft gedaan. Hij neemt wel deel aan de offermaaltijden op de bergen en maakt de vrouw van een ander onrein; 12wie misdeeld en arm is buit hij uit, hij steelt en geeft wat hij als onderpand heeft gekregen niet terug; hij vereert de afgoden, misdraagt zich gruwelijk, 13vraagt rente vooraf en toeslag achteraf – moet zo iemand in leven blijven? Nee, hij zal niet in leven blijven: na zoveel wandaden zal hij zeker sterven, hij heeft zelf de dood over zich afgeroepen.

14En ook hij krijgt weer een zoon, en deze zoon ziet alle overtredingen die zijn vader begaan heeft. Hij ziet ze allemaal, maar volgt ze niet. 15Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel, de afgoden van de Israëlieten vereert hij niet en ook maakt hij de vrouw van een ander niet onrein; 16hij buit niemand uit, hij vraagt geen onderpand wanneer hij iets uitleent en hij besteelt niemand. Hij deelt zijn voedsel met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren, 17wie misdeeld is doet hij geen kwaad, hij vraagt vooraf geen rente, noch toeslag achteraf. Hij leeft naar mijn regels en houdt zich aan mijn bepalingen. Zo iemand zal zeker in leven blijven, en niet sterven vanwege de zonden van zijn vader. 18Maar zijn vader – die een uitbuiter is geweest, die anderen bestolen heeft en zijn eigen familie heeft benadeeld –, zijn vader zal sterven, vanwege zijn eigen zonden. 19“Maar,” vragen jullie, “waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de zonden van zijn vader?” Die zoon heeft gehandeld naar recht en gerechtigheid, hij heeft zich aan al mijn bepalingen gehouden en ze nageleefd, dus zal hij zeker in leven blijven! 20Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de zonden van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft.

21Als een slecht mens zich afkeert van de zonden die hij heeft begaan, zich houdt aan al mijn bepalingen en handelt naar recht en gerechtigheid, zal hij zeker in leven blijven en niet sterven. 22De misdaden die hij heeft begaan zullen hem niet worden aangerekend; vanwege zijn rechtvaardige daden zal hij in leven blijven. 23Denken jullie dat Ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? – spreekt God, de HEER. Nee, Ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft.

24En een goed mens die zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht doet en alle wandaden begaat van een slecht mens – moet die in leven blijven? Al zijn goede daden zullen niet meer tellen; omdat hij Mij ontrouw is geworden en zonden heeft begaan, zal hij sterven.

25Nu zeggen jullie: “De weg van de Heer is onrechtvaardig!” Maar luister, Israëlieten! Ben Ik het die onrechtvaardig is? Zijn het niet juist júllie wegen die onrechtvaardig zijn? 26Een goed mens die zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht begaat, zal sterven; hij sterft omdat hij onrecht heeft begaan. 27Een slecht mens die zich afkeert van zijn goddeloze levenswijze en voortaan handelt naar recht en gerechtigheid, zal in leven blijven. 28Als hij tot inzicht en inkeer is gekomen en niet langer misdaden begaat, zal hij zeker in leven blijven en niet hoeven sterven. 29De Israëlieten zeggen: “De weg van de Heer is onrechtvaardig!” Ben Ik onrechtvaardig, Israëlieten? Zijn het niet juist júllie wegen die onrechtvaardig zijn?

30Volk van Israël, Ik zal ieder van jullie beoordelen naar de weg die hij gaat! – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer; bega geen misdaden meer, anders brengen die jullie ten val. 31Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël? 32De dood van een mens geeft Me geen vreugde – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer en leef!

De leeuwin en de wijnstok

1Zing nu over de vorsten van Israël dit klaaglied:

2“Eens was je moeder een krachtige leeuwin!

Door leeuwen omringd bracht zij haar welpen groot.

3Een van haar welpen koos zij uit. Hij werd een sterke leeuw,

hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij.

4De volken hoorden over hem en vingen hem in een valkuil;

ze voerden hem met haken mee, tot in Egypte.

5Toen zij zag dat haar wachten vergeefs en haar hopen zinloos was,

koos zij weer een van haar welpen uit en maakte van hem een sterke leeuw.

6Trots liep hij rond tussen de leeuwen,

hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij.

7Hij verwoestte hun paleizen, legde elke stad in puin.

Als zijn gebrul weerklonk werd het land stil, en huiverde.

8De volken uit de landen rondom vielen hem aan,

ze trokken netten om hem heen en vingen hem in een valkuil.

9Ze deden hem een halster om en voerden hem met haken mee,

in een net sleepten ze hem naar Babel, naar de koning.

Op de bergen van Israël verstomde zijn gebrul.

10Je moeder was als een wijnstok, net als jij aan het water geplant,

die vrucht droeg en vele takken had, want er was water in overvloed.

11Zijn takken werden sterk, machtig als een heersersstaf.

Eén klom er op tot hoog in de wolken,

van verre zichtbaar met zijn vele bladeren.

12Toen werd de wijnstok in woede uitgerukt

en op de aarde neergeworpen;

de oostenwind verschroeide zijn druiven,

zijn takken werden afgerukt en verdroogden,

de sterkste werd door het vuur verteerd.

13Nu staat hij in de woestijn, in een droog en dorstig land.

14Uit zijn stam sloeg het vuur dat zijn twijgen en druiven verteerde,

de sterkste tak is weg, zijn heersersstaf heeft hij verloren.”’

(Dit is een klaaglied, en zo wordt het nog steeds gezongen.)

Ezechiël 18-19NBV21Open in de Bijbel

1Waarom, HEER, bent U zo ver

en verbergt U zich in tijden van nood?

2In hun hoogmoed vervolgen zondaars de zwakken –

maak hen gevangenen van hun eigen plannen!

3De mens zonder God prijst wat hij najaagt,

en als hij rijk is, vervloekt en veracht hij de HEER.

4Hij denkt in zijn waan: Niemand vraagt mij rekenschap.

Er is geen God, maakt hij zich wijs.

5Het gaat hem goed, wat hij ook onderneemt,

maar uw verheven oordelen raken hem niet.

Zijn tegenstanders beticht hij van leugens.

6Hij denkt bij zichzelf: Ik kom niet ten val,

nooit kan het kwaad mij deren.

7Zijn mond vloekt en liegt, dreigt met geweld,

zijn tong brengt misdaad en onrecht voort.

8Op stille plaatsen ligt hij in hinderlaag,

op verborgen plekken doodt hij onschuldigen,

zijn ogen spieden naar weerloze mensen.

9Hij loert, verborgen als een leeuw in het struikgewas,

hij loert op de zwakke en tracht hem te vangen,

hij vangt zijn prooi in een net en sleurt hem mee –

10die buigt, krimpt ineen,

en valt in zijn klauwen, weerloos.

11Hij denkt bij zichzelf: God vergeet het,

wendt zijn blik af, ziet het niet.

12Sta op, HEER, hef uw hand, God,

vergeet de armen niet.

13Hoe kan de zondaar U verachten

en denken: God vraagt geen rekenschap.

14Toch ziet U de pijn en het verdriet,

U merkt het op en weegt het in uw hand.

Op U vertrouwen weerloze mensen,

de wezen, U komt hun te hulp.

15Breek de macht van de goddelozen,

eis rekenschap en ban het kwade uit.

16De HEER is koning voor eeuwig en altijd:

vijandige volken verdwijnen uit zijn land.

17U, HEER, verhoort de wens van de nederigen,

U bemoedigt hen en luistert met aandacht,

18U doet recht aan wezen en verdrukten.

Geen mens kan hen nog uit het land verjagen.

Psalmen 10NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons