Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 308 / Ezech. 16-17, Ps. 85

Bijbeltekst(en)

Jeruzalems ontrouw

1De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, je moet Jeruzalem haar gruwelijke gedrag voor de voeten werpen. 3Dit zegt God, de HEER, tegen haar: Van oorsprong ben je een Kanaänitische, je werd geboren uit een Amoritische vader en een Hethitische moeder. 4Op de dag dat je geboren werd, was er niemand om je navelstreng door te snijden of om je schoon te wassen, niemand om je met zout in te wrijven of in doeken te wikkelen. 5Niemand deed een van die dingen voor je, niemand keek naar je om, niemand had medelijden met je. Op de dag dat je geboren werd, werd je ergens op een akker achtergelaten, zo weinig waarde werd er aan je leven gehecht.

6Toen kwam Ik voorbij en zag hoe je in je bloed lag te spartelen. Ik zei tegen je, terwijl je onder het bloed zat: “Leef! Blijf in leven, bedekt met bloed als je bent.” 7Ik liet je groeien als een bloem in het veld: je groeide, je werd groot en je werd hoe langer hoe mooier. Je kreeg stevige borsten, je kreeg schaamhaar, maar je was nog naakt. 8Ik kwam voorbij en zag dat je rijp was voor de liefde, Ik spreidde mijn mantel over je uit om je naaktheid te bedekken. Ik zwoer je trouw, Ik sloot een verbond met je – spreekt God, de HEER – en je werd de mijne. 9Ik waste je met water, Ik spoelde het bloed van je af, Ik wreef je in met olie. 10Ik kleedde je in bonte kleuren, Ik gaf je sandalen van zacht leer, een linnen sluier en zijden doeken. 11Ik tooide je met sieraden, Ik deed armbanden om je polsen en een ketting om je hals, 12Ik deed een ringetje door je neus, Ik gaf je oorbellen en zette een prachtige kroon op je hoofd. 13Jij tooide je met al dat goud en zilver, je kleren waren van linnen en zijde en hadden de mooiste kleuren, je eten werd bereid met fijn meel, met honing en olie, en heel, heel mooi werd je, als een koningin. 14Je was bij alle volken beroemd om je schoonheid, en je schoonheid was volmaakt want ze kwam van Mij – spreekt God, de HEER.

15Maar je werd overmoedig omdat je zo mooi was en zo beroemd. Je was ontrouw en pleegde overspel met elke voorbijganger, je bood je aan iedereen aan! 16Je trok je kleren uit en maakte er kleurige kussens van waarop je Mij bedroog. Zoiets was nog nooit vertoond en zal nooit meer gebeuren. 17Je gebruikte je prachtige sieraden, het goud en zilver dat Ik je gegeven had, om er mannenbeelden van te maken, en ook daarmee pleegde je overspel. 18Je kleedde ze aan met je mooie kleren, je bood ze mijn olie en wierook als offer aan. 19Het voedsel dat Ik je te eten gaf, dat bereid was met fijn meel, olie en honing, bood je hun aan als een geurige gave om hun te behagen. Zo heb je je gedragen – spreekt God, de HEER. 20De zonen en dochters die je Mij gebaard had offerde je aan hen zodat zij te eten hadden. Was je overspel dan nog niet genoeg? 21Je slachtte mijn kinderen om ze aan hen te offeren. 22Bij al deze gruweldaden, bij al dit overspel dacht je geen ogenblik aan de dagen dat je nog jong was en naakt, de dagen dat je in je bloed lag te spartelen. 23Na al deze schanddaden – Wee jou, wee! spreekt God, de HEER – 24-25bouwde je ook nog op elk plein en ieder kruispunt een verhoging om daarop je schoonheid te vergooien. Je spreidde je benen voor elke voorbijganger, steeds weer pleegde je overspel. 26Je hebt Me bedrogen met je buurvolk, met de zwaargeschapen Egyptenaren; met al je ontrouw heb je Mij diep gekrenkt. 27Daarom heb Ik mijn hand tegen je opgeheven, Ik heb het jou toegewezen deel verminderd en je overgegeven aan de willekeur van de Filistijnse vrouwen, die je haten. Zelfs zij schaamden zich voor je schandelijke levenswijze! 28Ook heb je Me bedrogen met de Assyriërs, maar je was onverzadigbaar: al je overspel was nog niet genoeg. 29Je ging naar de Chaldeeën, die handelaars, maar ook die konden je niet bevredigen. 30Wat liet je je meeslepen door je hartstocht – spreekt God, de HEER – toen je al deze dingen deed: het was het werk van een hoer die zich van niemand iets aantrekt! 31Je bouwde op elk kruispunt een verhoging, je installeerde je op elk plein, maar anders dan een hoer nam je geen beloning aan. 32Je pleegde overspel en ontving vreemde mannen, terwijl je getrouwd was. 33En waar hoeren geschenken krijgen, gaf jij zelf geschenken aan al je minnaars: je beloonde ze omdat je wilde dat ze van alle kanten naar je toe zouden komen, zodat jij overspel met hen kon plegen. 34Je gedroeg je heel anders dan andere vrouwen: je was een hoer, maar niemand hoefde achter je aan te gaan, jij werd niet betaald, maar je betaalde zelf! Het was de omgekeerde wereld.

35Luister daarom, hoer, naar de woorden van de HEER! 36Dit zegt God, de HEER: Omdat je naakt was en nat van begeerte toen je Mij met je minnaars bedroog, en omdat je voor je gruwelijke afgoden het bloed van je kinderen hebt vergoten, 37zal Ik je naakt tentoonstellen voor de ogen van alle minnaars aan wie je je gegeven hebt, de minnaars die je hebt liefgehad en de minnaars die je hebt gehaat. Ik zal ze overal vandaan halen; ze zullen je in al je naaktheid zien. 38Ik zal je vonnissen volgens het recht dat geldt voor overspelige vrouwen en moordenaressen, en Ik zal je in mijn woede en jaloezie een bloedige afstraffing geven. 39Ik zal je aan je minnaars uitleveren, en die zullen alle verhogingen waarop jij je geïnstalleerd had afbreken, ze zullen jou je kleren uittrekken en je je prachtige sieraden afnemen, ze zullen je naakt achterlaten. 40Dan zullen ze een mensenmassa op je afsturen die je zal stenigen en met zwaarden op je in zal hakken. 41Ze zullen je huizen in de as leggen en je straffen, terwijl er vele andere vrouwen toekijken. Zo zal Ik een einde maken aan je ontrouw. Je zult je minnaars niet langer betalen. 42Pas dan zal Ik niet langer woedend op je zijn, aan mijn jaloezie zal een einde komen, Ik zal tot rust komen en niet meer verbolgen zijn. 43Je dacht niet aan de dagen dat je nog jong was, je had geen ontzag voor Mij toen je deed wat je deed, en daarom zal Ik je voor je wangedrag laten boeten – spreekt God, de HEER –, want heb jij je niet gruwelijk en schandelijk misdragen?

44Zo moeder zo dochter, luidt het spreekwoord in de mond van iedereen die je bespotten wil. 45Je bent echt een dochter van je moeder: ook zij verachtte haar man en haar kinderen, en je bent net als je zussen: ook zij minachtten hun man en kinderen. Je moeder was een Hethitische, je vader een Amoriet; 46Samaria was je grote zus die ten noorden van je woonde, samen met haar dochters; en in het zuiden woonde Sodom, je kleine zus, met haar dochters. 47Je hebt net als zij gehandeld en je net zo gruwelijk misdragen. Al snel maakte je het zelfs nog erger! 48Zo waar Ik leef – spreekt God, de HEER –, je zus Sodom en haar dochters hebben zich niet zo slecht gedragen als jij en je dochters. 49Hun overtreding was dat zij, hoogmoedig als ze waren, niets deden voor de armen en de misdeelden, terwijl ze zelf genoten van een overvloed aan voedsel en zorgeloze rust. 50Ze verhieven zich boven de anderen, wat ze deden vond Ik gruwelijk. Ik zag het en heb hen weggevaagd. 51En dan Samaria: ze heeft niet half zo veel misdreven als jij! Jouw gedrag was gruwelijker dan dat van haar; bij jou vergeleken waren je zussen rechtvaardig. 52Jij moet je vernedering nu dragen, omdat de zonden van je zussen bij jouw daden verbleken; je hebt je zo veel gruwelijker misdragen dan zij dat het wel lijkt of zij onschuldig zijn. Schaam je en onderga nu je vernedering, want door jou lijken je zussen haast rechtvaardig.

53Toch zal Ik hun lot ten goede keren, het lot van Sodom en haar dochters en dat van Samaria en haar dochters, en ook jouw lot zal Ik ten goede keren, net als dat van hen. 54Jij zult je vernedering ondergaan en je schamen voor alles wat je gedaan hebt, en zij zullen daar troost uit putten. 55En als je zussen Sodom en Samaria met al hun dochters in ere zijn hersteld, zullen ook jij en je dochters in ere worden hersteld. 56Was jij het niet die in je hoogmoed steeds kwaadsprak over Sodom, je zus? 57Toen waren jouw wandaden nog niet aan het licht gekomen, zoals nu. Nu word je gehoond door de vrouwen van Aram en de aangrenzende landen, en door de Filistijnse vrouwen die om je heen wonen en op je neerkijken. 58Nu zul je moeten boeten voor je schandelijk en gruwelijk gedrag – spreekt de HEER.

59Dit zegt God, de HEER: Door je niet te houden aan ons verbond heb je je eed gebroken, en daarom zal Ik je behandelen zoals je verdient. 60Toch zal Ik aan dat verbond blijven denken, het verbond dat Ik met je gesloten heb in de dagen dat je nog jong was. Daarom zal Ik nu een verbond met je sluiten dat eeuwig zal duren. 61Als je grote en je kleine zus weer bij je komen, zul je over je gedrag nadenken en je ervoor schamen. Je zult ze van Mij als dochters krijgen, al maken zij van het verbond geen deel uit. 62Als Ik mijn verbond met jou heb gesloten, zul je beseffen dat Ik de HEER ben. 63Dan zul je terugdenken aan wat er gebeurd is en je zult je schamen. Wanneer Ik je alles heb vergeven wat je hebt gedaan, zul je voortaan uit schaamte zwijgen – zo spreekt God, de HEER.’

De adelaars en de wijnstok

1De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, geef de Israëlieten een raadsel op, vertel hun dit verhaal: 3“Dit zegt God, de HEER: Eens kwam er een grote adelaar naar de Libanon. Zijn vleugels waren breed en lang, hij had veel veren en was bontgekleurd. Uit de top van een ceder plukte hij 4het bovenste takje en dat bracht hij naar een land van handelaars, waar hij het neerlegde in een koopmansstad. 5Daarna nam hij een zaailing uit de aarde en pootte die in een vruchtbaar veld, op een plaats waar veel water was. Hij plantte hem waar je ook een wilg zou planten. 6De zaailing liep uit en werd een wijnstok, die breed uitgroeide maar dicht bij de grond bleef. Zijn ranken richtte hij naar de adelaar, zijn wortels stonden stevig in de grond. Zo groeide de zaailing uit tot een wijnstok met takken en uitlopende twijgen.

7Toen kwam er een andere grote adelaar met brede vleugels en veel veren, en de wijnstok draaide vanuit de grond waarin hij geplant was zijn wortels naar hem toe en strekte zijn ranken naar hem uit. Hij wilde zijn water van deze adelaar, 8hoewel hij toch op een goed veld geplant was, waar hij genoeg water had om takken te vormen, vrucht te dragen en een prachtige wijnstok te worden.

9En nu zegt God, de HEER: Hoe zal het de wijnstok vergaan? Zal de adelaar niet al zijn vruchten afplukken en al zijn wortels losrukken zodat hij verdort? Al zijn jonge loten zullen verdorren, en er is geen machtig leger, geen grote mensenmenigte voor nodig om hem uit de grond te rukken.

10De wijnstok is geplant, maar zal het hem goed gaan? Zal hij niet verdorren zodra de oostenwind hem beroert – verdorren in de grond waarin hij groeit?”’

11De HEER richtte zich tot mij: 12‘Zeg tegen dit opstandige volk: “Begrijpen jullie niet wat dit verhaal betekent? De koning van Babylonië is naar Jeruzalem gekomen om de koning en de andere leiders van het land naar Babel mee te voeren. 13Hij koos een telg uit het koningshuis, sloot een verdrag met hem en liet hem een eed van trouw zweren. De overige machthebbers voerde hij uit het land weg, 14want het moest een onbeduidend koninkrijk blijven dat zich niet zou verheffen. Dan zou het verdrag worden nageleefd en het koninkrijk blijven bestaan. 15Maar de koning kwam in opstand. Hij stuurde zijn boden naar Egypte met een verzoek om paarden en een groot aantal soldaten. Zou de man die dit heeft gedaan vrijuit gaan, zou het hem goed gaan? Zou de man die het verdrag heeft geschonden vrijuit kunnen gaan? 16Zo waar Ik leef – spreekt God, de HEER –, in de stad waar de koning woont die hem tot koning heeft gemaakt, de koning aan wie hij een eed had gezworen die hij gebroken heeft, en met wie hij een verdrag had gesloten dat hij niet heeft nageleefd – daar, bij hem in Babel, zal hij sterven! 17Er zullen bestormingsdammen en belegeringswallen worden opgeworpen die velen het leven zullen kosten, en in die strijd krijgt hij geen steun van de farao met zijn grote en machtige leger. 18Hij heeft zijn woord gebroken door het verdrag niet na te leven. Hoewel hij een plechtige eed gezworen had, heeft hij dit alles toch gedaan: hij zal niet vrijuit gaan!

19Daarom, zo waar Ik leef – zegt God, de HEER –, Ik zal hem laten boeten omdat hij het verbond met Mij niet heeft nageleefd en de eed heeft gebroken die hij bij mijn naam gezworen had. 20Ik zal mijn net over hem uitspreiden en hem daarin vangen, Ik zal hem naar Babel brengen en hem daar straffen omdat hij Mij ontrouw is geweest. 21Ook de soldaten uit zijn leger die weten te vluchten zullen door het zwaard worden geveld, en zij die dan nog overblijven zullen in alle windrichtingen worden verstrooid. Dan zullen jullie beseffen dat Ik, de HEER, heb gesproken.

22Dit zegt God, de HEER: Ikzelf zal uit de top van de hoge ceder, tussen de bovenste takken, een teer twijgje wegplukken, en dat zal Ik planten op een hoge en verheven berg. 23Op de hoogste berg van Israël zal Ik het planten, het zal takken dragen en vruchten voortbrengen, en een prachtige ceder worden. In die boom, in de schaduw van zijn takken, zullen vogels wonen, alle soorten vogels die er zijn. 24En alle bomen op aarde zullen beseffen dat Ik, de HEER, het ben die een hoge boom velt en een kleine boom doet groeien, die een gezonde boom laat verdorren en een verdorde boom weer laat bloeien. Wat Ik, de HEER, gezegd heb, zal Ik doen.”’

Ezechiël 16-17NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm.

2U bent uw land genadig geweest, HEER,

U keerde het lot van Jakob ten goede,

3nam de schuld van uw volk weg

en bedekte al zijn zonden. sela

4U bedwong uw woede

en wendde u af van uw brandende toorn.

5God, onze helper, keer tot ons terug,

onderdruk uw afschuw van ons.

6Wilt U voor eeuwig uw toorn laten duren,

verbolgen zijn van geslacht op geslacht?

7Breng ons weer tot leven,

dan zullen wij ons in U verheugen.

8Toon ons uw trouw, HEER,

en geef ons uw hulp.

9Ik wil horen wat God ons zegt.

De HEER spreekt woorden van vrede

tegen zijn volk, zijn getrouwen.

Laten zij niet weer vervallen in dwaasheid!

10Voor wie Hem eren is zijn hulp nabij:

zijn glorie komt wonen in ons land,

11trouw en liefde omhelzen elkaar,

recht en vrede begroeten elkaar met een kus,

12trouw bloeit uit de aarde op,

recht ziet uit de hemel toe.

13De HEER geeft al het goede:

ons land zal vruchten geven.

14Het recht gaat voor God uit

en baant voor Hem de weg.

Psalmen 85NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons