Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 311 / Ezech. 22-23, Ps. 76

Bijbeltekst(en)

Oordeel over Jeruzalem

1De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, oordeel over de bloedstad, oordeel en laat haar al haar gruweldaden beseffen. 3Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Je bent een stad van bloedvergieten, en daarom is je tijd gekomen! Je bent een stad vol afgodsbeelden en daardoor ben je onrein. 4Je bent schuldig door al het bloed dat je hebt vergoten, je bent onrein door de afgodsbeelden die je hebt gemaakt. Daarom zijn je dagen geteld en is de grens van je jaren bereikt. Ik zal je uitleveren aan de hoon en spot van alle volken en landen. 5Dichtbij en ver weg zullen ze zich vrolijk over je maken, want je naam is bezoedeld, en groot is de verwarring binnen je muren. 6Israëls vorsten hebben er hun macht misbruikt en bloed vergoten, 7kinderen hebben er hun vader en moeder veracht, vreemdelingen zijn er uitgebuit en weduwen en wezen zijn er onderdrukt. 8Wat aan Mij was gewijd, is door jou geminacht, en mijn sabbat heb je ontwijd. 9Door je bewoners werd kwaadgesproken, bloed vergoten en ontucht gepleegd, er werden offermaaltijden gehouden op de bergen. 10Mannen bezoedelden hun vaders bed en misbruikten vrouwen die vanwege hun menstruatie onrein waren. 11De een heeft met de vrouw van een ander geslapen, een tweede zijn schoondochter onrein gemaakt door ontucht, een volgende heeft zijn zus, de dochter van zijn vader, verkracht. 12Voor geld heb je bloed vergoten, je hebt je vooraf rente laten betalen en toeslag achteraf, je hebt anderen schade berokkend en hen uitgebuit, en Mij ben je vergeten – spreekt God, de HEER.

13Ik sla mijn handen in woede op elkaar omdat je woekerwinsten maakt, en omdat er binnen je muren bloed vergoten wordt. 14Zal je hart het houden, zullen je handen sterk blijven wanneer Ik tegen je optreed? Ik, de HEER, heb gesproken, en dit is wat Ik zal doen: 15Ik zal je verspreiden over verre landen en verstrooien onder vreemde volken; Ik zal een einde maken aan je onreinheid. 16Alle volken zullen zien hoe je wordt ontwijd, en dan zul je beseffen dat Ik de HEER ben.”’

17De HEER richtte zich tot mij: 18‘Mensenkind, het volk van Israël is Mij niet meer waard dan de slakken die overblijven wanneer koper en tin, ijzer en lood samen in een oven worden gesmolten; niets dan schuim is ervan over. 19Daarom – dit zegt God, de HEER: Omdat jullie nu niet meer dan schuim zijn, breng Ik jullie in Jeruzalem bijeen. 20Zilver, koper, ijzer, lood, tin: het gaat allemaal de oven in, en het vuur wordt aangeblazen om het te laten smelten. Net zo zal Ik jullie in mijn hevige woede bijeenbrengen en jullie laten smelten in het vuur; 21Ik zal jullie in Jeruzalem samenbrengen, Ik zal het vuur van mijn woede over je heen blazen zodat jullie smelten. 22Zoals zilver wordt gesmolten in een oven, zo zullen jullie smelten in de stad, en jullie zullen weten dat Ik, de HEER, mijn toorn over jullie heb uitgestort.’

23De HEER richtte zich tot mij: 24‘Mensenkind, zeg tegen Jeruzalem: “Je bent als een land dat niet is gereinigd; toen Ik je vervloekte, bleef de regen uit. 25De vorsten in de stad waren als leeuwen die grommend hun prooi verscheuren: ze verslonden mensen, ze roofden schatten en kostbaarheden, veel vrouwen maakten ze tot weduwen. 26De priesters deden mijn voorschriften geweld aan, wat aan Mij was gewijd ontheiligden ze, ze maakten geen onderscheid tussen wat heilig is en wat niet, ze leerden niemand het verschil tussen rein en onrein en mijn sabbat hielden ze niet in ere. Zo werd mijn naam door hen ontwijd. 27De leiders in de stad waren als wolven die hun prooi verscheuren. Door bloed te vergieten, door mensen te gronde te richten, joegen ze hun eigen gewin na. 28De profeten pleisterden alles met hun witkalk dicht, hun visioenen waren bedrieglijk en hun voorspellingen vals, ze zeiden: ‘Dit zegt God, de HEER ...’ – terwijl de HEER niet had gesproken. 29Het volk gaf zich over aan uitbuiting en diefstal, het buitte de misdeelden en de armen uit, het onderdrukte de vreemdelingen en deed hun geen recht. 30Ik heb gezocht naar iemand die een muur om de stad kon bouwen, die het land wilde verdedigen, die vóór Mij ging staan opdat het niet zou worden vernietigd – maar zo iemand heb Ik niet gevonden. 31Dus vervloekte Ik hen, met het vuur van mijn toorn vernietigde Ik hen, Ik liet hen boeten voor hun daden – zo spreekt God, de HEER.”’

Ohola en Oholiba

1De HEER richtte zich tot mij: 2-4‘Mensenkind, er waren eens twee vrouwen, dochters van dezelfde moeder. De oudste heette Ohola, haar zus Oholiba. Al toen ze jong waren, gedroegen zij zich als hoeren, in Egypte. Daar werden hun borsten betast en lieten ze zich, terwijl ze nog maagd waren, in hun tepels knijpen. Daarna werden ze de mijne, en ze baarden zonen en dochters. (Wat hun namen betreft: Ohola is Samaria en Oholiba is Jeruzalem.)

5Maar Ohola was Mij ontrouw, ze hunkerde naar haar minnaars, de Assyriërs – strijders die 6zich kleedden in purper, ruiters te paard, gouverneurs en stadhouders, allemaal aantrekkelijke jongemannen. 7Ze pleegde overspel met heel de Assyrische elite, in haar verlangen naar hen maakte ze zich onrein met al hun afgoden. 8En ook haar overspel met de Egyptenaren zette ze weer voort. Die hadden immers in haar jeugd met haar geslapen, haar toen ze nog maagd was in haar tepels geknepen en haar als hoer gebruikt. 9Daarom leverde Ik haar uit aan haar minnaars, de Assyriërs naar wie zij had verlangd, 10en die stelden haar naakt tentoon, die voerden haar zonen en dochters weg en doodden haarzelf met het zwaard. Haar straf werd een waarschuwing voor alle vrouwen.

11Haar zus Oholiba zag dit alles en ging in haar wellust zelfs nog verder, ze dreef haar overspel nog verder dan haar zus. 12Ook zij verlangde naar de Assyriërs, naar hun gouverneurs en stadhouders, hun schitterend geklede krijgers, hun ruiters te paard, naar al die aantrekkelijke jongemannen. 13Ik zag hoe ook zij zich onrein maakte; beide zussen handelden op dezelfde wijze. 14En Oholiba liet het niet bij dit overspel. Toen ze op een muur mannen getekend zag, in rode kleuren, Chaldeeën 15met een lendendoek om hun heupen en een wapperende tulband rond hun hoofd, mannen die er allemaal uitzagen als officieren, Babyloniërs uit Chaldea, hun geboorteland – 16toen werd haar verlangen naar hen zo groot dat ze boden naar Chaldea zond. 17De Babyloniërs kwamen met haar de liefde bedrijven, en maakten haar onrein door haar als hoer te gebruiken. Zo werd ze onrein, en ze kreeg een afkeer van hen. 18Toen ze zich openlijk als een hoer gedroeg en zich naakt liet zien, kreeg Ik een afkeer van haar, zoals Ik ook van haar zus een afkeer had gekregen. 19Ze dacht terug aan de dagen van haar jeugd, toen ze zich als hoer gedroeg in Egypte, en bedreef nog meer overspel. 20Ze verlangde terug naar haar minnaars daar, die zo zwaargeschapen zijn als ezels en hun zaad lozen als hengsten.

21Jij, Oholiba, verviel weer in de schanddaden van je jeugd, toen ze in Egypte in je tepels knepen omdat je jonge borsten had. 22Daarom – dit zegt God, de HEER: Ik zet je minnaars, van wie je een afkeer hebt gekregen, tegen je op; Ik laat ze overal vandaan naar je optrekken: 23de Babyloniërs en heel Chaldea, Pekod, Soa en Koa, en alle Assyriërs, al die aantrekkelijke jongemannen, gouverneurs en stadhouders, officieren en andere hooggeplaatsten, al die mannen te paard. 24Ze komen uit alle volken, ze trekken tegen je op met hun strijdwagens, met hun grote en kleine schilden en hun helmen, ze vallen je van alle kanten aan. Ik zal hen een oordeel over je laten vellen; overeenkomstig hun recht zullen zij je vonnissen. 25Ik zal je mijn jaloezie laten voelen: zij zullen zich woedend op je storten en je neus en je oren afsnijden, en wat er van je over is valt ten prooi aan het zwaard. Ze zullen je zonen en dochters wegvoeren, en wat er dan nog van je over is wordt door het vuur verteerd. 26Ze zullen jou je kleren uittrekken en je je prachtige sieraden afnemen. 27Dan zal Ik een einde maken aan je schanddaden, en aan je ontrouw in Egypte, en je zult je minnaars niet meer naar de ogen zien en aan Egypte niet meer denken.

28Nu dan – zegt God, de HEER –, Ik lever je uit aan de mannen die je haat en van wie je een afkeer hebt gekregen. 29Zij zullen jou haten, je alles afnemen wat je hebt vergaard en je naakt achterlaten; je schaamteloze naaktheid, je overspel en je schandelijk gedrag zullen voor iedereen zichtbaar zijn. 30Dit alles zal met je gebeuren omdat je met alle volken overspel bedreef, en je onrein hebt gemaakt met hun afgoden. 31Je hebt net zo gehandeld als je zus; haar beker zal Ik ook jou te drinken geven. 32Dit zegt God, de HEER:

De beker van je zuster zul je drinken,

de diepe en wijde beker;

een beker vol spot en hoon,

tot de rand gevuld.

33Dronkenschap en droefheid zul je drinken,

een beker van ontzetting en verbijstering –

dat is de beker van je zus Samaria.

34Je zult hem drinken en leegslurpen,

je zult op zijn scherven bijten

en er je borsten mee openhalen.

Want zo heb Ik gesproken – spreekt God, de HEER.

35Daarom – dit zegt God, de HEER: Omdat je Mij vergeten bent en Mij de rug hebt toegekeerd, daarom zul je nu de schande van je overspel dragen.’

36De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, ga een oordeel vellen over Ohola en Oholiba! Wijs hen op de gruweldaden die ze hebben begaan. 37Ze hebben overspel gepleegd en er kleeft bloed aan hun handen. Ze pleegden overspel met hun afgoden, ze hebben zelfs de kinderen die ze Mij hadden gebaard, als voedsel aan hen aangeboden. 38Ze hebben daarmee mijn heiligdom verontreinigd, en ze hebben mijn sabbat ontwijd. 39Op de dag dat ze hun kinderen slachtten voor hun afgoden, zijn ze mijn heiligdom binnengegaan en hebben het ontwijd. Zo hebben ze zich gedragen, midden in mijn tempel. 40Ook hebben ze boden gezonden naar mannen in verre landen. En ze zijn gekomen, de mannen voor wie je je gebaad hebt, voor wie je je ogen hebt opgemaakt en voor wie je je met sieraden hebt behangen. 41Je bent gaan zitten op een prachtig bed, met een gedekte tafel ervoor waarop mijn wierook en mijn olie stonden. 42Eromheen was het geluid te horen van een zorgeloze menigte: er waren Sabeeërs uit de woestijn en mannen van allerlei slag; jij en je zus kregen armbanden om en een prachtige kroon op het hoofd. 43En Ik dacht over deze door ontucht getekende vrouw: Nu plegen ze overspel met haar, en zij met hen. 44Ze bezochten haar zoals je een hoer bezoekt – zo gingen ze om met Ohola en ook met Oholiba, schaamteloze vrouwen. 45Maar rechtvaardige mannen zullen hen vonnissen volgens het recht dat geldt voor overspelige vrouwen en moordenaressen, want overspelig zijn ze, en er kleeft bloed aan hun handen.

46Dit zegt God, de HEER: Laat een mensenmassa op hen afstormen, laat angst hen overweldigen en plundering hun deel worden. 47Die menigte zal hen stenigen, hen neerhakken met hun zwaarden, hun zonen en dochters doden en hun huizen in de as leggen. 48Dan zal Ik een einde maken aan de schande in het land, en alle vrouwen zullen gewaarschuwd zijn en jullie schandelijke gedrag niet navolgen. 49Jullie zullen boeten voor je schanddaden en voor je zondige afgodendienst. Dan zullen jullie beseffen dat Ik God, de HEER, ben.’

Ezechiël 22-23NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een psalm van Asaf, een lied.

2Vermaard is God in Juda,

groot is zijn naam in Israël.

3In Salem sloeg Hij zijn tent op,

in Sion lag Hij in hinderlaag.

4Daar brak Hij bogen en pijlen,

schilden en zwaarden, oorlogstuig. sela

5Hoe stralend bent U, hoe machtig,

vanuit het gebergte loerend op prooi.

6Dapperen werden beroofd, in slaap verzonken,

geen held die zijn kracht nog hervond.

7Al door uw dreigen, God van Jakob,

bezweken ruiters en paarden.

8Vreeswekkend bent U;

wie kan uw toorn trotseren?

9Vanuit de hemel klonk uw oordeel,

de aarde vreesde en hield de adem in:

10U, God, rees op om recht te spreken,

te redden alle vernederden op aarde. sela

11Wie in woede tegen U opstond, zal U loven,

wie ontkwam aan uw woede, omgordt zich met gejuich.

12Doe geloften aan de HEER, uw God, en los ze in.

Laat allen rondom Hem gaven brengen

aan Hem die ontzagwekkend is,

13die machtigen de moed beneemt,

koningen der aarde met vrees vervult.

Psalmen 76NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons