Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 295 / Micha 1-4

Bijbeltekst(en)

1Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Micha uit Moreset, toen Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden; het visioen dat hij zag over Samaria en Jeruzalem.

Het oordeel van de HEER

2Luister, volken, allemaal,

hoor, aarde en wie haar bewonen,

hoe God, de HEER,

tegen jullie getuigen zal

vanuit zijn heilige tempel.

3Zie hoe de HEER zijn verblijf verlaat, afdaalt,

en over de hoogten der aarde schrijdt.

4Onder Hem smelten de bergen

en splijten de dalen

als was dat smelt voor vuur,

als water dat uiteenvloeit op een helling.

5Dit alles gebeurt om Jakobs misdaad,

om de zonden van het volk van Israël.

Wat is de misdaad van Jakob?

Samaria!

Wat zijn de offerhoogten van Juda?

Jeruzalem!

6Van Samaria maak Ik een ruïne,

kale grond,

alleen geschikt voor een wijngaard.

Zijn stenen stort Ik in het dal,

zijn fundamenten leg Ik bloot.

7Al zijn godenbeelden worden verbrijzeld,

al dat hoerenloon gaat in vlammen op.

Al die beelden zal Ik vernietigen,

want met hoerenloon zijn ze betaald

en als hoerenloon zullen ze weer dienen.

8Laat mij dan klagen, laat me schreeuwen,

laat mij naakt en blootsvoets gaan,

laat mij huilen als een jakhals,

laat mij roepen als een struisvogel.

9De wonden van Samaria zijn ongeneeslijk,

ze reiken tot aan Juda,

ze raken aan de poort van mijn volk,

ze raken Jeruzalem.

10Vertel het niet in Gat,

ween daar niet.

Wentel je in het stof

van Bet-le-Afra.

11Trek verder in gevangenschap,

bevolking van Safir,

naakt en in schande.

Ook de bevolking van Saänan

kon niet ontkomen.

Een rouwklacht in Bet-Haësel,

de stad wordt jullie ontnomen.

12De bevolking van Marot

heeft gehoopt op het goede,

maar het onheil van de HEER daalde neer

tot bij de poorten van Jeruzalem.

13Span de paarden voor de wagen,

bevolking van Lachis;

in jou huist het kwaad van Israël,

de oorsprong van de zonde van Sion.

14Neem daarom afscheid van Moreset-Gat;

Achzibs werkplaatsen worden voor Israëls koningen

als een drooggevallen beek.

15Opnieuw zal Ik een bezetter sturen,

bevolking van Maresa;

de edelen van Israël zullen naar Adullam vluchten.

16Scheer je haar af, scheer je kaal

om de kinderen die je geluk uitmaken.

Scheer je zo kaal als een gier,

want ze worden bij je weggehaald.

1Wee hun die kwaad in de zin hebben en op hun bed boze plannen smeden. Al in het ochtendgloren brengen ze die ten uitvoer, dat ligt in hun macht. 2Willen ze een veld? Ze roven het! Willen ze een huis? Ze nemen het! Ze maken zich meester van huizen en hun bezitters, van mensen en hun eigendom. 3Daarom – dit zegt de HEER: Over dit volk zal Ik onheil brengen, een onheil dat jullie niet kunnen afschudden en waaronder jullie gebukt zullen gaan. Er wacht jullie een tijd van verschrikking! 4Dan zal dit over jullie worden gezegd, dan zal deze weeklacht klinken:

‘Het is voorbij!’ zal men zeggen.

‘We zijn reddeloos verloren.

Ons erfdeel wordt verkwanseld,

het wordt ons ontnomen,

ons land onder afvalligen verdeeld.’

5Daarom krijgen jullie niets: niemand zal voor jullie het lot werpen wanneer het land wordt verdeeld onder het volk van de HEER.

6‘Houd op,’ zeggen jullie profeten, ‘houd op met dat geprofeteer! Komt er nooit een eind aan die beledigende taal? 7Zou dit het zijn wat het volk van Jakob is aangezegd? Verliest de HEER zo snel zijn geduld, zouden dit zijn daden zijn?’

Betekenen mijn woorden dan geen voorspoed voor wie de rechte weg gaat? 8Steeds weer stelt mijn volk zich vijandig op. Nietsvermoedende, vreedzame voorbijgangers rukken jullie hun mantel af en beroven jullie van hun eer. 9Jullie verdrijven de vrouwen van mijn volk uit de huizen waarin zij gelukkig zijn. Jullie ontnemen hun kinderen voor altijd de luister waarmee Ik hen heb bekleed. 10Sta op, ga weg, hier zul je geen rust vinden. Dit land is onrein, het brengt bederf en vreselijke vernietiging. 11Als iemand wind en valse leugens verspreidde en profeteerde: ‘Ik zie voor jullie wijn en bier,’ dan zou hij voor dit volk de ware profeet zijn!

12Ik zal je bijeenbrengen, Jakob, je in je geheel bijeenbrengen.

Ik zal verzamelen wat er van Israël over is, Ik zal het verzamelen.

Ik zal ze samenbrengen als schapen en geiten

binnen de omheining, als een kudde in de wei;

het zal daar gonzen van de mensen.

13Hij die een bres slaat gaat voorop,

ze breken uit, ze trekken door de poort,

ze gaan erdoor naar buiten.

Hun koning gaat hun voor,

de HEER gaat aan het hoofd.

1En ik zei: Hoor toch, leiders van Jakob, hoor, heersers van het volk van Israël! Jullie moeten het recht toch kennen? 2Maar jullie haten het goede en houden van het kwaad. Jullie stropen mijn volk de huid af en rukken het vlees van hun botten. 3Het vlees hebben ze gegeten, de huid afgestroopt, de botten gebroken. Als vlees om te koken, als vlees voor de pot hebben ze mijn volk in stukken gehakt. 4Als ze dan tot de HEER om hulp roepen, zal Hij hun niet antwoorden. Hij zal zijn gelaat voor hen verbergen vanwege het kwaad dat ze begaan.

5Dit zegt de HEER over de profeten die mijn volk misleiden, die over vrede praten zolang ze maar iets te eten krijgen en die iedereen die hen niet op hun wenken bedient de oorlog verklaren: 6Voor jullie zal het een nacht zijn zonder visioenen, donker en zonder voorspellingen. Voor die profeten zal de zon ondergaan en zal de dag veranderen in duisternis. 7De zieners zullen zich schamen, de waarzeggers te schande staan; ze zullen beschaamd hun mond bedekken, want God geeft geen antwoord. 8Ik daarentegen ben vervuld van kracht, ik heb de geest van de HEER, ik ben rechtvaardig en ik heb de moed om aan Jakob zijn wandaden bekend te maken, en aan Israël zijn zonde.

9Hoor toch wat volgt, leiders van het volk van Jakob en heersers van het volk van Israël, jullie die de gerechtigheid verafschuwen en al wat recht is krom maken, 10die Sion bouwen op bloed en Jeruzalem op onrecht. 11De leiders spreken er recht in ruil voor geschenken, de priesters geven onderricht tegen betaling, de profeten voorspellen voor geld, terwijl ze zich op de HEER beroepen en zeggen: ‘De HEER is toch in ons midden? Ons zal geen onheil treffen.’ 12Daarom, door jullie toedoen, zal de Sion als een akker worden omgeploegd, zal Jeruzalem een ruïne worden en de tempelberg een overwoekerde heuvel.

Het koningschap van de HEER

1Eens zal de dag komen

dat de berg met de tempel van de HEER

rotsvast zal staan,

verheven boven de heuvels,

hoger dan alle bergen.

Volken zullen daar samenstromen,

2machtige naties zullen zeggen:

‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER,

naar de tempel van Jakobs God.

Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen,

en wij zullen zijn paden bewandelen.’

Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht,

vanuit Jeruzalem spreekt de HEER.

3Hij zal rechtspreken tussen machtige volken,

over grote en verre naties een oordeel vellen.

Dan zullen zij hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers

en hun speren tot snoeimessen.

Geen volk zal meer het zwaard trekken tegen een ander volk,

geen mens zal nog de wapens leren hanteren.

4Ieder zal zitten onder zijn wijnrank

en onder zijn vijgenboom,

door niemand opgeschrikt,

want de HEER van de hemelse machten heeft gesproken.

5Laat andere volken hun eigen goden volgen –

wij vertrouwen op de naam van de HEER, onze God,

voor eeuwig en altijd.

6Als die dag gekomen is – spreekt de HEER –

zal Ik de kreupelen verzamelen,

de verstrooiden bijeenbrengen,

verenigen wie Ik onheil heb gebracht.

7De kreupelen zal Ik sparen,

van de verdrevenen maak Ik een groot volk,

en op de Sion zal de HEER hun koning zijn,

van nu tot in eeuwigheid.

8En jij, wachttoren over de kudde, vesting van Sion,

jij zult je vroegere heerschappij herkrijgen,

aan jou, Jeruzalem, behoort het koningschap toe.

9Waarom schreeuw je nu?

Heb je soms geen koning meer,

of is je raadgever verdwenen,

dat je ineenkrimpt van pijn, als in barensnood?

10Krimp ineen en schreeuw het uit, vrouwe Sion,

krimp ineen als een vrouw die baren moet.

Je zult de stad moeten verlaten

en gaan leven op het veld.

Je zult naar Babel gaan,

en daar zul je worden bevrijd,

uit de handen van je vijanden

worden vrijgekocht door de HEER.

11Nu lopen vele volken tegen je te hoop,

ze zeggen: ‘Laat Sion maar worden ontwijd,

wij zijn er graag getuige van!’

12Maar ze weten niet wat de HEER met hen voorheeft,

ze hebben geen inzicht in zijn besluit:

dat Hij hen verzameld heeft als graan op de dorsvloer.

13Vrouwe Sion, dors hen.

Ik geef je hoorns van ijzer

en hoeven van brons,

je zult die volken vertrappen.

Wat ze hebben buitgemaakt zal voor de HEER zijn,

aan de Heer van de hele aarde komt hun vermogen toe.

14Kerf nu je lichaam, krijgszuchtige vrouw, als teken van rouw;

onze muren worden belegerd,

en hij die Israël leiden moet

wordt met een staf in het gezicht geslagen.

Micha 1-4NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons