Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 290 / 2Kron. 13-16

Bijbeltekst(en)

De regering van Abia

1Abia werd koning van Juda in het achttiende regeringsjaar van koning Jerobeam. 2Drie jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Micha, de dochter van Uriël, uit Gibea.

Abia was in oorlog met Jerobeam. 3Abia trok ten strijde met een leger van vierhonderdduizend uitgelezen krijgshelden, en Jerobeam bracht achthonderdduizend voortreffelijke krijgslieden tegen hem in stelling. 4Abia posteerde zich op de Semaraïm, in het bergland van Efraïm, en riep: ‘Jerobeam en Israël, luister naar mij! 5U zou toch moeten weten dat de HEER, de God van Israël, het koningschap over Israël voor eeuwig aan David en zijn nakomelingen heeft gegeven, in een met zout bekrachtigd verbond. 6Jerobeam, de zoon van Nebat, was een dienaar van Salomo, de zoon van David. Hij kwam tegen zijn heer in opstand, 7en samen met de schurken en onverlaten die zich bij hem hadden aangesloten, wist hij Rechabeam, de zoon van Salomo, te trotseren. Rechabeam was nog te jong en onervaren om hun weerstand te bieden. 8En nu denkt u, omdat u over een groot leger beschikt en de gouden stierkalveren meedraagt die Jerobeam heeft laten maken om u tot god te zijn, het koningschap van de HEER, dat berust bij de nakomelingen van David, te kunnen weerstaan! 9U hebt toch de priesters van de HEER verjaagd, de nakomelingen van Aäron, en de Levieten, en zelf priesters aangesteld zoals andere volken dat doen? Iedereen die een stier en zeven rammen komt brengen, kan een aanstelling krijgen als priester voor die zogenaamde goden. 10Onze God echter is de HEER; wij hebben ons niet van Hem afgewend, en de priesters die de HEER dienen zijn nakomelingen van Aäron, die in hun taak worden bijgestaan door de Levieten. 11Ze dragen elke ochtend en elke avond brandoffers op aan de HEER, brengen reukoffers, leggen de toonbroden neer op de met zuiver goud overtrokken tafel en ontsteken elke avond de lampen op de gouden kandelaar. Wij nemen dus de voorschriften van de HEER in acht, maar u hebt u van Hem afgewend. 12Besef wel: God zelf voert ons aan, en zijn priesters staan klaar om tegen u op de krijgstrompetten te blazen. Israëlieten, bind de strijd niet aan met de HEER, de God van uw voorouders, want u zult het onderspit delven.’

13Jerobeam had een deel van zijn troepen een omtrekkende beweging laten maken tot achter de Judese linies. De hoofdmacht van zijn leger stond tegenover hen, de rest was verdekt achter hen opgesteld. 14Toen de Judeeërs om zich heen keken, ontdekten ze dat ze op twee fronten werden aangevallen. Ze riepen de HEER om hulp, terwijl de priesters de trompetten lieten schallen. 15De Judeeërs hieven hun strijdkreet aan, en terwijl ze dat deden, liet God Jerobeam en het leger van Israël het onderspit delven tegen Abia en Juda. 16De Israëlieten sloegen op de vlucht, maar de HEER leverde hen uit aan de Judeeërs. 17Abia en zijn leger brachten hun een zware nederlaag toe: er sneuvelden niet minder dan vijfhonderdduizend voortreffelijke Israëlitische krijgers. 18Zo moesten de Israëlieten die dag het hoofd buigen, terwijl de Judeeërs de overhand kregen omdat zij hun vertrouwen stelden in de HEER, de God van hun voorouders. 19Abia achtervolgde Jerobeam en veroverde een aantal steden op hem: Betel, Jesana en Efron, elk met de omliggende dorpen. 20Tot een nieuwe krachtmeting was Jerobeam tijdens de regering van Abia niet meer in staat. Uiteindelijk trof de HEER hem met de dood.

21Abia verstevigde zijn positie. Hij nam veertien vrouwen, bij wie hij tweeëntwintig zonen en zestien dochters verwekte. 22Verdere bijzonderheden over wat Abia heeft gezegd en gedaan zijn opgetekend in het werk van de profeet Iddo. 23Toen Abia bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de Davidsburcht. Zijn zoon Asa volgde hem op.

De regering van Asa

Tijdens de regering van Asa heerste er tien jaar vrede in het land.

1Asa deed wat goed en juist is in de ogen van de HEER, zijn God. 2Hij verwijderde de uitheemse altaren en de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen en hakte de Asjerapalen om. 3Hij hield de Judeeërs voor dat ze zich moesten richten naar de HEER, de God van hun voorouders, en zijn wetten en bepalingen moesten naleven. 4Uit alle steden van Juda liet hij de offerplaatsen en de wierookaltaren verwijderen. Onder zijn bewind heerste er rust en vrede in het koninkrijk. 5Doordat er vrede heerste in het land en er in die tijd geen oorlog tegen hem gevoerd werd, was Asa in staat in Juda vestingsteden te bouwen. De HEER had hem immers rust verschaft. 6Asa zei tegen de Judeeërs: ‘Laten we vestingsteden bouwen, omringd door muren met torens en vergrendelbare poorten. Nu behoort het land nog aan ons, want omdat wij ons gericht hebben naar de HEER, heeft Hij ons rust verschaft aan onze grenzen.’ Zo begon men te bouwen, en de werkzaamheden werden tot een goed einde gebracht. 7Asa beschikte over een leger van driehonderdduizend Judeeërs, bewapend met grote schilden en lansen, en tweehonderdtachtigduizend Benjaminieten, bewapend met kleine schilden en bogen. Al zijn soldaten waren dappere krijgslieden.

8Na verloop van tijd viel de Nubiër Zerach het land binnen met een leger van een miljoen soldaten en driehonderd strijdwagens, en hij rukte op tot aan Maresa. 9Asa trok hem tegemoet en bracht zijn leger in stelling in de vallei van Sefata, bij Maresa. 10Hij riep de HEER, zijn God, aan met de woorden: ‘HEER, er is niemand die hulp biedt zoals U wanneer de machteloze het moet opnemen tegen een overmacht. Help ons, HEER, onze God, want in U hebben we ons vertrouwen gesteld en in uw naam zijn we tegen deze overmacht in het geweer gekomen. HEER, onze God, sta niet toe dat een mens zich met U meet.’ 11De HEER liet de Nubiërs tegen Asa en Juda het onderspit delven. De Nubiërs sloegen op de vlucht 12en Asa en zijn leger achtervolgden hen tot bij Gerar. Er sneuvelden zo veel Nubiërs dat hun leger tot niets meer in staat was. Ze werden door de HEER en zijn leger verpletterend verslagen. De Judeeërs wisten een zeer grote buit te bemachtigen. 13Ze veroverden alle steden in de omgeving van Gerar, die door vrees voor de HEER waren bevangen, en plunderden die omdat er een rijke buit te halen viel. 14Ze overvielen ook de tenten van de veedrijvers en voerden een groot aantal schapen, geiten en kamelen weg. Toen keerden ze terug naar Jeruzalem.

1Azarja, de zoon van Oded, werd gegrepen door de geest van God. 2Hij ging Asa tegemoet en zei tegen hem: ‘Asa en Juda en Benjamin, luister naar mij! De HEER staat aan uw kant zolang u aan zijn kant staat. Als u Hem zoekt, zal Hij zich door u laten vinden, maar als u zich van Hem afwendt, zal Hij zich van u afwenden. 3Lange tijd hebben de Israëlieten zonder de ware God geleefd, zonder priesters om hun de wet uit te leggen, zonder onderricht. 4Pas in hun rampspoed keerden ze terug naar de HEER, de God van Israël; ze hebben Hem gezocht en Hij heeft zich door hen laten vinden. 5Wie in die tijd maar een voet buiten de deur zette werd belaagd, want overal heerste ontreddering. 6Volken en steden raakten met elkaar slaags omdat God ontreddering onder hen teweegbracht door hen met allerlei rampen te treffen. 7Wees dus vastberaden en geef de moed niet op: voor uw inspanningen zult u beloond worden.’

8Gesterkt door deze woorden en door de profetie van de profeet Oded liet Asa onmiddellijk alle gruwelijke godenbeelden uit Juda en Benjamin verwijderen en ook uit de steden die hij in het bergland van Efraïm had veroverd. Hij herstelde het altaar voor de HEER tegenover de voorhal van de tempel. 9Hij ontbood heel Juda en Benjamin, en ook de mensen uit Efraïm, Manasse en Simeon die als vreemdeling in zijn koninkrijk verbleven sinds zij in groten getale uit Israël waren gekomen en zich bij hem hadden gevoegd toen ze merkten dat de HEER, zijn God, hem bijstond. 10In de derde maand van het vijftiende regeringsjaar van Asa kwamen ze in Jeruzalem bijeen. 11Ze offerden die dag aan de HEER zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen en geiten uit de buit die ze hadden meegebracht. 12Ze beloofden plechtig dat ze zich met hart en ziel zouden richten naar de HEER, de God van hun voorouders, 13en dat iedereen die zich daar niet aan hield, jong of oud, man of vrouw, zou worden gedood. 14Met luide stem zwoeren ze trouw aan de HEER. Daarbij juichten ze en lieten ze de trompetten en ramshoorns schallen. 15Iedereen in Juda verheugde zich over de eed die ze hadden afgelegd. Ze hadden uit volle overtuiging gezworen en zochten met heel hun hart de HEER, en Hij liet zich door hen vinden en verschafte hun rust aan al hun grenzen.

16Asa ging zelfs zo ver dat hij zijn grootmoeder Maächa haar koninklijke titel ontnam, omdat ze een aanstootgevend beeld van Asjera had laten maken. Het beeld hakte hij in stukken, en hij verpulverde de resten en verbrandde die in de bedding van de Kidron. 17En al verdwenen de offerplaatsen dan niet uit Israël, toch bleef Asa zijn leven lang met heel zijn hart het goede nastreven. 18Hij liet de wijgeschenken van zijn vader overbrengen naar de tempel van God en bracht daar ook zijn eigen wijgeschenken onder: goud, zilver en gebruiksvoorwerpen.

19Tot en met het vijfendertigste regeringsjaar van Asa bleef het land gevrijwaard van oorlog.

1Maar in het zesendertigste regeringsjaar van Asa viel koning Basa van Israël Juda binnen en versterkte hij Rama om de aan- en afvoerwegen voor koning Asa van Juda af te snijden. 2Daarom nam Asa goud en zilver uit de schatkamers van de tempel en uit het koninklijk paleis en liet dat met de volgende woorden overhandigen aan koning Benhadad van Aram, die in Damascus zetelde: 3‘Wij zijn bondgenoten, en onze vaders waren dat ook. Hierbij bied ik u goud en zilver aan. Verbreek uw verdrag met koning Basa van Israël, zodat hij zich uit mijn land terugtrekt.’ 4Benhadad willigde het verzoek van koning Asa in en gaf zijn bevelhebbers opdracht met hun legers tegen de steden van Israël op te rukken. Zij veroverden Ijjon, Dan en Abel-Maïm en alle voorraadsteden van Naftali. 5Toen Basa hiervan hoorde, zag hij ervan af Rama verder te versterken en liet hij het werk stilleggen. 6Koning Asa riep iedereen in Juda op om de versterkingen die Basa in Rama had gebouwd af te breken en met de stenen en het hout ervan de steden Geba en Mispa te versterken.

7In die tijd kwam de ziener Chanani bij koning Asa van Juda en zei tegen hem: ‘Omdat u uw vertrouwen hebt gesteld in de koning van Aram en niet in de HEER, uw God, is het leger van de koning van Aram u ontglipt. 8Beschikten de Nubiërs en Libiërs niet ook over een enorme overmacht aan strijdwagens en ruiters? Toch heeft de HEER hen aan u uitgeleverd, omdat u in Hem uw vertrouwen stelde. 9De HEER laat immers voortdurend zijn ogen over de aarde rondgaan en biedt iedereen hulp die Hem met heel zijn hart is toegedaan. Maar dit keer hebt u verkeerd gehandeld, en daarom zal van nu af aan oorlog uw deel zijn.’ 10Asa was zo verontwaardigd over deze woorden dat hij tegen de ziener in razernij ontstak en hem in het blok liet sluiten. Ook beging hij in die tijd wreedheden tegen het volk.

11De geschiedenis van Asa is van begin tot eind opgetekend in het boek over de koningen van Juda en Israël. 12In zijn negenendertigste regeringsjaar raakte hij slecht ter been, vanwege een kwaal die hem veel last bezorgde. Maar ook toen hij ziek was zocht hij zijn heil niet bij de HEER, maar bij genezers. 13In het eenenveertigste jaar van zijn regering ging Asa bij zijn voorouders te ruste. 14Hij werd begraven in het graf dat hij in de Davidsburcht voor zichzelf had laten uithouwen. Ze legden hem op een rustbed dat hij had laten vullen met reukwerk, een vakkundig samengesteld mengsel van verschillende kruiden, en ontstaken een groot vuur voor hem.

2 Kronieken 13-16NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons