Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 279 / 1Kron. 18-20, Pred. 12

Bijbeltekst(en)

Davids overwinningen

1Enige tijd later versloeg David de Filistijnen. Hij onderwierp hen en ontnam hun Gat en de omliggende dorpen. 2Ook de Moabieten versloeg hij. Sindsdien waren de Moabieten aan David onderworpen en moesten ze schatting afdragen. 3Bij Hamat versloeg hij Hadadezer, de koning van Soba, toen deze op weg was om zijn macht te vestigen over het gebied langs de Eufraat. 4David veroverde duizend strijdwagens op hem en nam zevenduizend wagenmenners en twintigduizend man voetvolk gevangen. De strijdwagens schakelde hij uit door van alle paarden, op honderd span na, de pezen door te laten snijden. 5Van de Arameeërs uit de buurt van Damascus die koning Hadadezer van Soba te hulp kwamen, versloeg David er tweeëntwintigduizend. 6Vervolgens bezette hij strategische punten in het rijk van Damascus. Sindsdien waren de Arameeërs aan hem onderworpen en moesten ze schatting afdragen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam.

7David nam de gouden pijl-en-boogkokers van de lijfwacht van Hadadezer in beslag en nam ze mee naar Jeruzalem. 8Uit Tibchat en Kun, steden die aan Hadadezer toebehoorden, bracht hij een grote hoeveelheid koper mee. Dit werd later door Salomo gebruikt om er de bronzen Zee, de zuilen en andere voorwerpen van brons en koper van te maken. 9Toen koning Toü van Hamat hoorde dat David het leger van koning Hadadezer van Soba had verslagen, 10liet hij zijn zoon Hadoram zijn opwachting maken bij koning David en hem gelukwensen met zijn overwinning. Toü was namelijk in oorlog met Hadadezer. Hij stuurde ook allerlei geschenken van goud, zilver en koper. 11Koning David wijdde deze geschenken aan de HEER, samen met het goud en zilver dat hij had buitgemaakt op de omringende volken: de Edomieten, de Moabieten, de Ammonieten, de Filistijnen en de Amalekieten.

12Absai, de zoon van Seruja, versloeg de Edomieten in de Zoutvallei, achttienduizend man. 13Hij bezette strategische punten in Edom, en sindsdien waren de Edomieten aan David onderworpen. De HEER stond David bij in alles wat hij ondernam.

Davids ambtenaren

14David regeerde over heel Israël. Hij behandelde zijn onderdanen goed en rechtvaardig. 15Joab, de zoon van Seruja, was opperbevelhebber van het leger; Josafat, de zoon van Achilud, was kanselier; 16Sadok, de zoon van Achitub, en Abimelech, de zoon van Abjatar, waren priester; Sawsa was hofschrijver; 17Benaja, de zoon van Jojada, was bevelhebber van de Keretieten en Peletieten. De hoogste rangen aan het hof werden bekleed door Davids zonen.

Oorlog tegen de Ammonieten en de Arameeërs

1Enige tijd later stierf Nachas, de koning van Ammon. Zijn zoon volgde hem op. 2Toen zei David: ‘Ik wil Chanun, de zoon van Nachas, op gepaste wijze behandelen, want zijn vader heeft mij ook altijd op gepaste wijze behandeld,’ en hij stuurde afgezanten om hem zijn deelneming te betuigen met het verlies van zijn vader. Toen de afgezanten in Ammon waren aangekomen om Chanun Davids deelneming over te brengen, 3zeiden de raadsheren van Ammon tegen Chanun: ‘Dacht u dat David u zijn deelneming laat overbrengen omdat hij de nagedachtenis van uw vader wil eren? Die afgezanten van hem zijn natuurlijk spionnen die het land moeten verkennen, zodat hij het te gronde kan richten!’ 4Daarop liet Chanun Davids afgezanten oppakken. Hij liet hun baard afscheren en de onderkant van hun kleren afscheuren, tot op hun achterwerk, en stuurde ze weg. 5Zo vertrokken ze. Toen koning David hoorde wat zijn afgezanten was overkomen, liet hij aan de diep vernederde mannen de volgende boodschap overbrengen: ‘Blijf in Jericho en kom pas terug wanneer uw baard is aangegroeid.’

6De Ammonieten beseften dat ze zich bij David onmogelijk hadden gemaakt. Daarom stuurden Chanun en de Ammonieten duizend talent zilver naar de Arameeërs van Naharaïm, Maächa en Soba om strijdwagens en wagenmenners te huren. 7Ze huurden tweeëndertigduizend strijdwagens en verzekerden zich van de hulp van de koning van Maächa en zijn leger. Nadat deze troepen waren aangekomen en hun kamp hadden opgeslagen voor Medeba, kwamen de Ammonieten uit hun woonplaatsen en verzamelden ze zich voor de strijd. 8Toen dit David ter ore kwam, stuurde hij Joab met zijn keurtroepen eropaf. 9De Ammonieten rukten uit en stelden zich in slagorde op voor de stadspoort. De koningen met de huurlegers betrokken stellingen elders in het veld. 10Joab, die zag dat hij op twee fronten werd bedreigd, koos de allerbeste soldaten van Israël uit en stelde deze op tegen de Arameeërs. 11De rest van de soldaten plaatste hij onder bevel van zijn broer Absai en stelde hij op tegen de Ammonieten. 12Daarbij zei hij: ‘Als de Arameeërs sterker blijken dan ik, kom jij mij te hulp, en als de Ammonieten sterker blijken dan jij, zal ik jou helpen. 13Wees sterk! Laten we onze krachten bundelen omwille van ons volk en de steden van onze God; de HEER zal doen wat Hij het beste vindt.’ 14Zodra Joab met zijn soldaten de aanval opende, sloegen de Arameeërs op de vlucht. 15Toen de Ammonieten zagen dat de Arameeërs waren gevlucht, maakten ze zich voor Joabs broer Absai uit de voeten en trokken ze zich terug in de stad. Daarop ging Joab terug naar Jeruzalem.

16Toen de Arameeërs beseften dat ze door Israël verslagen waren, deden ze een beroep op de Arameeërs die aan de overkant van de Eufraat woonden. Dezen rukten onder aanvoering van Hadadezers opperbevelhebber Sofach op. 17Toen David hiervan hoorde, verzamelde hij alle troepen van Israël, trok de Jordaan over, de vijand tegemoet, en stelde zich in slagorde op tegenover de Arameeërs. Zij vielen hem aan, 18maar de Israëlieten joegen hen op de vlucht, en David doodde zevenduizend Aramese wagenmenners en veertigduizend man voetvolk. Ook opperbevelhebber Sofach werd door hem gedood. 19De vazallen van Hadadezer moesten zich bij hun nederlaag neerleggen. Ze sloten vrede met David en onderwierpen zich. De Arameeërs weigerden voortaan de Ammonieten te hulp te komen.

1Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, leidde Joab een verwoestende veldtocht door Ammon. Hij sloeg het beleg voor Rabba, terwijl David zelf in Jeruzalem achterbleef. Nadat Joab de stad had ingenomen en met de grond gelijkgemaakt, 2nam David de koning van de Ammonieten de kroon van het hoofd. Deze kroon, waarin naar hij vaststelde een heel talent aan goud en een kostbare edelsteen waren verwerkt, rustte voortaan op Davids hoofd. Hij voerde een zeer grote buit uit de stad weg. 3Hij liet de inwoners buiten de stad brengen en met steenzagen in stukken zagen en met ijzeren houwelen doorklieven. Hetzelfde deed David met alle andere steden van Ammon. Daarna keerde hij met het hele leger naar Jeruzalem terug.

Heldendaden tegen het reuzengeslacht van de Refaïeten

4Enige tijd later was er een veldslag tegen de Filistijnen, bij Gezer. Maar Sibbechai uit Chusa doodde de Refaïet Sippai, en daarop gaven de Filistijnen zich gewonnen. 5Tijdens een andere veldslag tegen de Filistijnen werd Lachmi, de broer van Goliat uit Gat, gedood door Elchanan, de zoon van Jaïr. De schacht van Lachmi’s speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. 6Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een reus die aan elke kant zes vingers en zes tenen had: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet. 7Hij hoonde Israël en werd gedood door Jonatan, een zoon van Davids broer Sima. 8Dit waren de Refaïeten uit Gat die werden geveld door David en zijn soldaten.

1 Kronieken 18-20NBV21Open in de Bijbel
1Gedenk daarom je schepper in de dagen van je jeugd – voordat de slechte dagen komen en de jaren naderen waarvan je zegt: In deze jaren vind ik weinig vreugde meer.

2Voordat de zon verduistert,

de sterren en de maan niet langer stralen,

de lucht ook na de regen grauw van wolken wordt.

3De dag waarop de wachter trillend voor het huis staat,

de soldaten kromgebogen voortgaan,

de maalsters langzaamaan verdwijnen,

de vrouwen uit het venster staren en een schaduw lijken.

4Wanneer de deuren naar de straat worden gesloten,

de molen geen geluid meer maakt,

het fluiten van de vogels ijl van toon wordt,

wanneer hun lied versterft.

5Je durft geen heuvel te beklimmen,

de weg is vol gevaar.

De amandelboom behoudt zijn wintertooi,

de sprinkhaan sleept zich voort,

de kapperbes droogt uit.

Een mens gaat naar zijn eeuwig huis,

een klaagzang vult de straat.

6Voordat het zilverkoord wordt weggenomen,

de gouden lamp gebroken,

de kruik bij de bron in stukken valt,

het scheprad bij de put wordt stukgebroken.

7Wanneer het stof terugkeert naar de aarde,

weer wordt zoals het was,

wanneer de adem van het leven weer naar God gaat,

die het leven heeft gegeven.

8Lucht en leegte, zegt Prediker,

alles is leegte.

Heb ontzag voor God

9Prediker was een wijs man en heeft het volk veel kennis bijgebracht. Hij heeft gewikt en gewogen en veel spreuken opgesteld. 10In treffende spreuken probeerde Prediker de waarheid getrouw onder woorden te brengen. 11De woorden van wijzen zijn zo scherp en puntig als een ossenprik, al hun spreuken zijn ons door één herder ingeprent.

12En tot slot, mijn zoon, nog deze waarschuwing: er komt geen einde aan het aantal boeken dat geschreven wordt, en veel lezen mat het lichaam af. 13Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, 14want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte.

Prediker 12NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons