Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 278 / 1Kron. 15-17, Pred. 11

Bijbeltekst(en)

De ark feestelijk ingehaald in Jeruzalem

1David liet voor zichzelf een paleis bouwen in de Davidsburcht en maakte voor de ark van God een plaats gereed door er een tent voor te laten oprichten. 2Daarna verklaarde hij dat alleen de Levieten de ark van God mochten dragen, want hen had de HEER aangewezen om zijn ark te dragen en Hem voor altijd te dienen. 3Vervolgens liet hij heel Israël in Jeruzalem bijeenkomen om de ark van de HEER over te brengen naar de plaats die hij in gereedheid had gebracht. 4Hij riep de nakomelingen van Aäron en de Levieten bijeen: 5uit de familie van Kehat: honderdtwintig man onder leiding van Uriël; 6uit de familie van Merari: tweehonderdtwintig man onder leiding van Asaja; 7uit de familie van Gerson: honderddertig man onder leiding van Joël; 8uit de familie van Elisafan: tweehonderd man onder leiding van Semaja; 9uit de familie van Chebron: tachtig man onder leiding van Eliël; 10uit de familie van Uzziël: honderdtwaalf man onder leiding van Amminadab.

11David ontbood de priesters Sadok en Abjatar en de Levieten Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab 12en zei tegen hen: ‘U bent de hoofden van de Levitische families. U en uw verwanten moeten zich heiligen en de ark van de HEER, de God van Israël, overbrengen naar de plaats die ik in gereedheid heb gebracht. 13Want omdat u er de vorige keer niet bij was, is de toorn van de HEER, onze God, tegen ons losgebarsten. Wij hadden toen de HEER niet geraadpleegd, zoals is voorgeschreven.’ 14De priesters en de Levieten heiligden zich om de ark van de HEER, de God van Israël, over te brengen. 15De Levieten droegen de ark van God, zoals Mozes het in opdracht van de HEER heeft voorgeschreven, met draagbomen op hun schouders. 16Verder beval David de hoofden van de Levitische families diegenen van hun verwanten te laten aantreden die met luide stem, onder begeleiding van muziekinstrumenten, van harpen, lieren en cimbalen, vreugdeliederen konden zingen. 17De Levieten lieten Heman, de zoon van Joël, aantreden, en zijn verwanten Asaf, de zoon van Berechja, en Etan, de zoon van Kusajahu uit de familie van Merari. 18Zij werden bijgestaan door hun verwanten Zecharja, Ben, Jaäziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Benaja, Maäseja, Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, en Obed-Edom en Jeïël, de poortwachters. 19De zangers Heman, Asaf en Etan lieten de bronzen cimbalen klinken, 20Zecharja, Aziël, Semiramot, Jechiël, Unni, Eliab, Maäseja en Benaja bespeelden de harpen, die in een hoge toonsoort waren gestemd, 21en Mattitja, Elifelehu, Miknejahu, Obed-Edom, Jeïël en Azazjahu de lager gestemde lieren. 22Kenanja, een van de Levitische familiehoofden, had de leiding van de stoet. Hij was vanwege zijn deskundigheid met de leiding van de stoet belast. 23Berechja en Elkana bewaakten de ark. 24De priesters Sebanja, Josafat, Netanel, Amasai, Zecharja, Benaja en Eliëzer liepen voor de ark van God uit en bliezen op de trompetten, en Obed-Edom en Jechia bewaakten de ark.

25Zo gingen David en de oudsten van Israël en de bevelhebbers over duizend man op weg om de ark van het verbond met de HEER feestelijk op te halen uit het huis van Obed-Edom. 26En terwijl de Levieten met de hulp van God de ark van het verbond met de HEER droegen, werden er zeven stieren en zeven rammen geofferd. 27David was gekleed in een linnen mantel, evenals de Levieten die de ark droegen, de zangers en ook Kenanja, die de stoet met zangers leidde. David droeg bovendien een linnen priesterhemd.

28Onder gejuich en hoorngeschal haalde heel Israël de ark van het verbond met de HEER in, terwijl de trompetten en cimbalen klonken en er gespeeld werd op harpen en lieren. 29Toen de ark de Davidsburcht binnenkwam, stond Michal, de dochter van Saul, al op de uitkijk bij haar venster. Ze zag koning David dansen en springen, en haar hart vulde zich met minachting.

1De ark van God werd neergezet in de tent die David had laten oprichten, en er werden brandoffers en vredeoffers aan God gebracht. 2Na afloop daarvan zegende David het volk in de naam van de HEER. 3Aan alle Israëlieten, zowel de mannen als de vrouwen, liet hij brood, gedroogde dadels en rozijnen uitdelen.

4David stelde de volgende Levieten aan om dienst te doen bij de ark van de HEER door de HEER, de God van Israël, te roemen, te loven en te prijzen: 5Asaf als leider en Zecharja als zijn helper. Jeïël, Semiramot, Jechiël, Mattitja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïël moesten de harpen en lieren bespelen, en Asaf moest de cimbalen slaan. 6De priesters Benaja en Jachaziël moesten voortdurend op de trompetten blazen voor de ark van het verbond met God. 7Op die dag droeg David Asaf en zijn verwanten op voortaan als volgt de lof van de HEER te zingen:

8‘Loof de HEER, roep luid zijn naam,

maak zijn daden bekend onder de volken,

9zing en speel voor Hem,

spreek vol lof over zijn wonderen,

10beroem u op zijn heilige naam.

Wees blij van hart, u die de HEER zoekt.

11Zie uit naar de HEER en zijn macht,

zoek voortdurend zijn nabijheid.

12Gedenk de wonderen die Hij heeft gedaan,

de oordelen die Hij heeft uitgesproken,

13nageslacht van Israël, zijn dienaar,

kinderen van Jakob, door Hem verkozen.

14Hij is de HEER, onze God,

zijn besluiten gelden over de hele aarde.

15Gedenk tot in eeuwigheid

zijn belofte aan duizend geslachten,

16het verbond dat Hij sloot met Abraham

en voor Isaak bevestigde met een eed.

17Voor Jakob verhief Hij het tot wet,

voor Israël tot een eeuwig verbond,

18toen Hij zei: “Ik zal jou Kanaän geven,

dat land wordt je onvervreemdbaar bezit,”

19terwijl jullie daar nog maar korte tijd waren,

een handjevol vreemdelingen,

20zwervend van volk naar volk,

van het ene koninkrijk naar het andere.

21Hij stond niet toe dat iemand hen verdrukte,

ter wille van hen strafte Hij koningen:

22“Raak mijn gezalfden niet aan,

doe mijn profeten geen kwaad.”

23Zing voor de HEER, heel de aarde.

Verkondig van dag tot dag dat Hij ons redt.

24Maak aan alle volken zijn majesteit bekend,

aan alle naties zijn wonderdaden.

25Groot is de HEER, Hem komt alle lof toe,

geducht is Hij, meer dan alle goden.

26De goden van de volken zijn minder dan niets,

maar de HEER: Hij heeft de hemel gemaakt!

27Glans en glorie gaan voor Hem uit,

macht en luister vullen zijn woning.

28Erken de HEER, stammen en volken,

erken de HEER, zijn majesteit en macht,

29erken de HEER, de majesteit van zijn naam,

draag geschenken voor Hem aan.

Buig u voor de HEER in zijn heilige glorie,

30huiver, heel de aarde, wanneer Hij verschijnt.

Vast staat de wereld, zij wankelt niet.

31Laat de hemel zich verheugen, de aarde juichen.

Zeg aan de volken: “De HEER is koning.”

32Laat bruisen de zee, met alles wat daar leeft,

laat het veld juichen en alles wat daar groeit,

33en laten de bomen jubelen voor de HEER,

want Hij is in aantocht, als rechter der aarde.

34Loof de HEER, want Hij is goed,

eeuwig duurt zijn trouw.

35Zeg: “Red ons, God, onze redder,

bevrijd ons en breng ons bijeen uit de andere volken,

dan loven wij uw heilige naam

en verkondigen trots uw roem.

36Geprezen zij de HEER, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid.”’

En het hele volk antwoordde: ‘Amen!’ en ‘Prijs de HEER!’

37David stelde dus Asaf en zijn verwanten aan om dagelijks de dienst bij de ark van het verbond met de HEER te verzorgen, waarbij ze de voorschriften voor de afzonderlijke dagen in acht moesten nemen. 38De bewaking vertrouwde hij toe aan Obed-Edom en Chosa en hun verwanten, achtenzestig poortwachters; Obed-Edom was een zoon van Jedutun. 39Sadok en de overige leden van de priesterfamilie werden aangesteld voor de tabernakel van de HEER op de offerhoogte van Gibeon. 40Daar moesten ze iedere dag ’s ochtends en ’s avonds op het brandofferaltaar brandoffers brengen aan de HEER en alle overige handelingen uitvoeren die zijn voorgeschreven in de wet die de HEER aan Israël heeft opgelegd. 41Heman en Jedutun en andere officieel benoemde personen moesten daar de HEER loven met de woorden: ‘Eeuwig duurt zijn trouw.’ 42Zij, Heman en Jedutun, bewaarden de trompetten, cimbalen en andere instrumenten waarop voor God muziek gemaakt werd. De zonen van Jedutun bewaakten de poort.

43Hierna ging iedereen terug naar huis. Ook David ging naar huis, om zijn familie en bedienden te zegenen.

Toezeggingen over de voortzetting van Davids koningshuis

1Toen David zijn intrek had genomen in het paleis, zei hij tegen de profeet Natan: ‘Nu woon ik hier in een paleis van cederhout, terwijl de ark van het verbond met de HEER in een tent is ondergebracht.’ 2‘Doe wat uw hart u ingeeft,’ antwoordde Natan, ‘God staat u immers terzijde.’ 3Maar diezelfde nacht richtte God zich tot Natan: 4‘Zeg tegen mijn dienaar David: “Dit zegt de HEER: Jij zult het huis waarin Ik wil wonen niet bouwen. 5Nooit heb Ik in een huis gewoond, vanaf de dag dat Ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! In tent en tabernakel ging Ik van de ene verblijfplaats naar de andere. 6Overal in Israël heb Ik rondgetrokken, en heb Ik ooit aan een van de rechters van Israël, die Ik had aangesteld om mijn volk te weiden, gevraagd om voor Mij een huis van cederhout te bouwen?” 7Welnu, zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk Israël te leiden. 8Ik heb je bijgestaan in alles wat je ondernam, Ik heb al je vijanden voor je uitgeschakeld. Nu zal Ik je naam vestigen als een van de groten der aarde. 9Ik zal aan mijn volk Israël een gebied toewijzen. Daar zal Ik het planten en daar kan het onbevreesd wonen. Het zal niet langer door misdadige volken geplaagd worden, zoals toen het er pas woonde 10en Ik rechters over mijn volk Israël had aangesteld. Je vijanden zal Ik allemaal onderwerpen. Ik zeg je dat de HEER voor jou een huis zal bouwen: 11Wanneer je leven voorbij is en je met je voorouders verenigd wordt, zal Ik je laten opvolgen door een van je eigen nakomelingen en hem een bestendig koningschap schenken. 12Hij zal voor Mij een huis bouwen, en Ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. 13Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor Mij een zoon, en Ik zal hem nooit mijn gunst ontnemen zoals je voorganger. 14Ik zal hem voor eeuwig aanstellen in mijn huis en in mijn koninkrijk, en zijn troon zal nooit wankelen.”’

15Natan bracht alles wat hij had gezien en gehoord aan David over. 16Koning David ging het heiligdom binnen, nam plaats voor de HEER en bad: ‘Wie ben ik, HEER God, wat is mijn familie, dat U mij zo ver hebt gebracht? 17En alsof dat nog niet genoeg was, God, hebt U ook gesproken over de toekomst van mijn koningshuis. U hebt in mij een groot man gezien, HEER God. 18Wat kan ik verder nog zeggen over de eer die U mij bewijst? U kent uw dienaar. 19Omwille van uw dienaar, HEER, en in overeenstemming met uw voornemen, hebt U al deze grootse dingen gedaan en ze bekendgemaakt. 20Het is zoals ons altijd is voorgehouden, HEER: zoals U is er geen, er bestaat geen andere god dan U. 21En wie kan zich meten met Israël, uw volk? Het is het enige volk op aarde waarvoor U zich hebt ingezet om het vrij te kopen en tot uw volk te maken, om zo voor uzelf een naam te vestigen door grootse en indrukwekkende daden: omwille van uw volk, dat U uit Egypte hebt bevrijd, hebt U vreemde volken verdreven. 22U hebt uw volk Israël voor altijd aan u toegewijd, en U, HEER, bent hun tot God. 23Welnu, HEER, moge de belofte die U aan mij en mijn koningshuis hebt gedaan voor altijd worden waargemaakt, laat uw woord in vervulling gaan. 24Dan zal uw naam waargemaakt zijn en voor altijd in ere worden gehouden, en men zal zeggen: “De HEER van de hemelse machten, de God van Israël, is God over Israël,” en dan zal het koningshuis van uw dienaar David altijd standhouden. 25U, mijn God, hebt aan uw dienaar onthuld dat U voor mij een huis zult bouwen. Daarom durf ik dit gebed tot U te richten. 26U, HEER, U alleen bent God. U hebt me zo’n grootse toekomst beloofd. 27Welnu, zegen dus mijn koningshuis opdat het altijd standhoudt. U, HEER, bent het die zegent. U bent gezegend voor altijd.’

1 Kronieken 15-17NBV21Open in de Bijbel
Gedenk je schepper in je jeugd

1Werp je brood uit over het water, want je vindt het later weer terug. 2Bewaar je brood in zeven delen, zelfs in acht, want je weet niet welke ramp de aarde treffen zal. 3Wanneer de wolken vol zijn, gieten ze hun regen uit over de aarde. Naar welke kant een boom ook valt, naar het noorden of het zuiden, hij blijft liggen op de plaats waar hij valt. 4Wie altijd op de wind let, komt nooit aan zaaien toe; wie altijd naar de wolken kijkt, komt nooit aan maaien toe. 5Je kent de wegen van de wind niet, je kent het kind dat in de moederschoot groeit niet, zo ken je ook de daden niet van God, die alles maakt. 6Zaai in de morgen, en laat in de avond je hand niet rusten. Want je weet niet of het zaad de ene of de andere, of elke keer ontkiemen zal.

7Het licht is een genot. Wat een weldaad voor de ogen om de zon te zien! 8Wanneer een mens lang leeft, laat hij dan van elke dag genieten en bedenken dat de dagen van de duisternis ontelbaar zullen zijn. De toekomst is niets dan leegte. 9Geniet dus, beste vriend, van je jonge jaren, haal je hart op aan de dagen van je jeugd. Volg de wegen die je hart wil gaan, gun je ogen wat ze wensen. En onthoud bij alles wat je doet dat God je aan zijn oordeel onderwerpt. 10Belast je hart niet met verdriet en houd je lichaam vrij van kwalen, want je jeugd en jonge jaren zijn al snel voorbij.

Prediker 11NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons