Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 274 / 1Kron. 5-6, Pred. 5A-6

Bijbeltekst(en)

Afstammelingen van Ruben, Gad en Manasse

1Zonen van Ruben, de oudste zoon van Israël – Ruben was de eerstgeborene, maar omdat hij zijn vaders bed had ontwijd, ging zijn eerstgeboorterecht over op de nakomelingen van Israëls zoon Jozef, hoewel deze niet als eerstgeborene staat ingeschreven. 2Juda was sterker dan zijn broers en er is een vorst uit hem voortgekomen, maar het eerstgeboorterecht ging over op Jozef – 3zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël: Chanoch en Pallu, Chesron en Karmi.

4Nakomelingen van Joël: Joël was de vader van Semaja, die de vader was van Gog, de vader van Simi, 5de vader van Micha, de vader van Reaja, de vader van Baäl, 6de vader van Beëra. Beëra, die door koning Tiglatpileser van Assyrië als balling werd weggevoerd, stond aan het hoofd van de stam Ruben. 7Zijn verwanten, zoals ze in de geslachtslijsten staan ingeschreven: Jeïël, de belangrijkste, Zecharja 8en Bela, die de zoon was van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joël. Bela woonde in het gebied dat zich uitstrekt van Aroër tot aan Nebo en Baäl-Meon. 9Naar het oosten strekte het woongebied van de stam Ruben zich uit tot aan de woestijn langs de Eufraat, want Gilead was niet groot genoeg voor hun kudden. 10In de tijd van Saul vielen ze de Hagrieten aan. Ze overwonnen hen en gingen in hun tentenkampen wonen, in heel het gebied ten oosten van Gilead.

11De nakomelingen van Gad woonden in het gebied dat grensde aan dat van de stam Ruben, in Basan, tot aan Salka. 12De belangrijkste was Joël; Safam was de tweede man. Ook Janai en Safat woonden in Basan. 13Hun stamgenoten waren Michaël, Mesullam, Seba, Jorai, Jakan, Zia en Eber: zeven families. 14Zij waren nakomelingen van Abichaïl, die de zoon was van Churi, de zoon van Jaroach, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesisai, de zoon van Jachdo, de zoon van Buz. 15Achi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, stond aan het hoofd van deze families. 16Ze woonden in de dorpen van Gilead en Basan, tot in de verste uithoeken van de weidegronden van Saron. 17Al deze families lieten zich inschrijven in de tijd van koning Jotam van Juda en koning Jerobeam van Israël.

18De stammen Ruben, Gad en Oost-Manasse hadden een legermacht van vierenveertigduizend zevenhonderdzestig geoefende en strijdvaardige krijgslieden, bewapend met kleine schilden, zwaarden en bogen. 19Ze deden een aanval op de Hagritische stammen Jetur, Nafis en Nodab. 20Omdat de Israëlieten in hun strijd gesteund werden, vielen de Hagrieten en hun bondgenoten hun in handen. Tijdens de gevechten riepen ze God aan, en omdat ze hun vertrouwen in Hem stelden, verhoorde Hij hun gebed. 21Ze maakten vee buit: vijftigduizend kamelen, tweehonderdvijftigduizend schapen en geiten, en tweeduizend ezels, en ze namen honderdduizend mensen gevangen. 22Het aantal gesneuvelden was enorm, want God had de strijd gevoerd. De overwinnaars bleven in het veroverde gebied wonen tot aan de tijd van de ballingschap.

23De oostelijke helft van de stam Manasse woonde in het gebied tussen Basan en de Baäl-Hermon en de Senir in het Hermongebergte. Ze waren zeer talrijk. 24Hun familiehoofden waren Efer, Jisi, Eliël, Azriël, Jirmeja, Hodawja en Jachdiël, dappere krijgslieden en achtenswaardige familiehoofden.

25-26Na verloop van tijd werden de stammen Ruben, Gad en Oost-Manasse de God van hun voorouders ontrouw en begonnen ze zich af te geven met de goden van de volken die God voor hen uit het land had verdreven. Daarom zette de God van Israël koning Pul van Assyrië, ook bekend als Tiglatpileser, ertoe aan om hen als ballingen weg te voeren. Hij bracht hen naar Chalach, Chabor, Hara en de rivier van Gozan, en daar wonen ze tot op de dag van vandaag.

Afstammelingen van Levi; hun taken en woongebieden

27Zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. 28Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. 29Kinderen van Amram: Aäron, Mozes en Mirjam. Zonen van Aäron: Nadab en Abihu, Eleazar en Itamar. 30Eleazar verwekte Pinechas, Pinechas verwekte Abisua, 31Abisua verwekte Bukki, Bukki verwekte Uzzi, 32Uzzi verwekte Zerachja, Zerachja verwekte Merajot, 33Merajot verwekte Amarja, Amarja verwekte Achitub, 34Achitub verwekte Sadok, Sadok verwekte Achimaäs, 35Achimaäs verwekte Azarja, Azarja verwekte Jochanan, 36Jochanan verwekte Azarja, die als eerste het priesterambt bekleedde in de tempel die Salomo in Jeruzalem bouwde. 37Deze Azarja verwekte Amarja, Amarja verwekte Achitub, 38Achitub verwekte Sadok, Sadok verwekte Sallum, 39Sallum verwekte Chilkia, Chilkia verwekte Azarja, 40Azarja verwekte Seraja en Seraja verwekte Josadak, 41die als balling werd meegevoerd toen de HEER de inwoners van Juda en Jeruzalem door Nebukadnessar liet wegvoeren.

1Zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. 2De zonen van Gerson heetten Libni en Simi. 3Zonen van Kehat: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. 4Zonen van Merari: Machli en Musi.

Dit zijn de Levitische families, geordend naar hun stamvaders:

5Gerson had een zoon, Libni. Libni was de vader van Jachat, die de vader was van Zimma, 6de vader van Joach, de vader van Iddo, de vader van Zerach, de vader van Jeaterai.

7Nakomelingen van Kehat: Kehat was de vader van Amminadab, die de vader was van Korach, de vader van Assir, 8de vader van Elkana, de vader van Ebjasaf, de vader van Assir, 9de vader van Tachat, de vader van Uriël, de vader van Uzzia, de vader van Saül. 10Zonen van Elkana: Amasai, Achimot 11en Elkana. Nakomelingen van Elkana: Elkana was de vader van Sofai, die de vader was van Nachat, 12de vader van Eliab, de vader van Jerocham, de vader van Elkana. 13Zonen van Samuel: Wasni, de oudste, en Abia.

14Nakomelingen van Merari: Merari was de vader van Machli, die de vader was van Libni, de vader van Simi, de vader van Uzza, 15de vader van Sima, de vader van Chaggia, de vader van Asaja.

16Hier volgen degenen die David aanstelde voor de lofzang bij het heiligdom van de HEER nadat de ark daar was ondergebracht. 17Totdat Salomo in Jeruzalem de tempel voor de HEER bouwde, verrichtten zij hun dienst voor de tabernakel van de HEER, de ontmoetingstent. Zij traden daar altijd in dezelfde opstelling aan. 18Dit zijn degenen die dit ambt van vader op zoon vervulden: Heman, de voorzanger, uit de familie van Kehat – hij was een zoon van Joël, die de zoon was van Samuel, 19de zoon van Elkana, de zoon van Jerocham, de zoon van Eliël, de zoon van Toach, 20de zoon van Suf, de zoon van Elkana, de zoon van Machat, de zoon van Amasai, 21de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Sefanja, 22de zoon van Tachat, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, 23de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, de zoon van Israël. 24Rechts van hem stond zijn stamgenoot Asaf, die de zoon was van Berechja, de zoon van Sima, 25de zoon van Michaël, de zoon van Baäseja, de zoon van Malkia, 26de zoon van Etni, de zoon van Zerach, de zoon van Adaja, 27de zoon van Etan, de zoon van Zimma, de zoon van Simi, 28de zoon van Jachat, de zoon van Gerson, de zoon van Levi. 29Aan de linkerkant stonden de nakomelingen van Merari, ook stamgenoten: Etan, die de zoon was van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch, 30de zoon van Chasabja, de zoon van Amasja, de zoon van Chilkia, 31de zoon van Amsi, de zoon van Bani, de zoon van Semer, 32de zoon van Machli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi.

33De andere Levieten moesten verschillende werkzaamheden verrichten in en om de tabernakel, het huis van God. 34Maar de uitvoering van de allerheiligste taken, het brengen van offers op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar, was voorbehouden aan Aäron en zijn nakomelingen. Ook moesten zij voor Israël verzoening bewerken volgens de voorschriften van Mozes, de dienaar van God. 35Dit zijn de nakomelingen van Aäron: Aäron was de vader van Eleazar, die de vader was van Pinechas, de vader van Abisua, 36de vader van Bukki, de vader van Uzzi, de vader van Zerachja, 37de vader van Merajot, de vader van Amarja, de vader van Achitub, 38de vader van Sadok, de vader van Achimaäs.

39Dit zijn de gebieden waar de Levieten in hun tentenkampen woonden:

Het eerste lot viel op de families van de Kehatieten die nakomelingen waren van Aäron. 40In het stamgebied van Juda kregen zij Hebron met de omliggende weidegronden. 41De akkers rond de stad en de omliggende dorpen werden echter aan Kaleb gegeven, de zoon van Jefunne. 42De nakomelingen van Aäron kregen behalve Hebron, een vrijplaats, ook de vrijplaatsen Libna, Jattir, Estemoa, 43Chilez, Debir, 44Asan en Bet-Semes, elk met de omliggende weidegronden. 45In het stamgebied van Benjamin kregen ze Geba, Alemet en Anatot met de omliggende weidegronden. In totaal kregen deze families dertien steden. 46Aan de overige nakomelingen van Kehat werden door loting tien steden toegewezen van de families uit de westelijke helft van de stam Manasse. 47Aan de families van de nakomelingen van Gerson werden dertien steden toegewezen van de stammen Issachar, Aser, Naftali en Manasse in Basan. 48Aan de families van de nakomelingen van Merari werden door loting twaalf steden toegewezen van de stammen Ruben, Gad en Zebulon. 49De Israëlieten stonden dus steden en weidegronden aan de Levieten af. 50Uit de stamgebieden van Juda, Simeon en Benjamin werden hun door loting de hierboven genoemde steden toegewezen.

51Verder kregen de families van de nakomelingen van Kehat de volgende steden van de stam Efraïm tot hun beschikking: 52de vrijplaatsen Sichem, in het bergland van Efraïm, Gezer, 53Jokmeam, Bet-Choron, 54Ajjalon en Gat-Rimmon, elk met de omliggende weidegronden. 55Van de westelijke helft van de stam Manasse kregen ze Aner en Bileam en de omliggende weidegronden. Deze waren bestemd voor de families van de overige nakomelingen van Kehat. 56De nakomelingen van Gerson kregen van de oostelijke helft van de stam Manasse Golan, in Basan, en Astarot, elk met de omliggende weidegronden. 57Van de stam Issachar kregen ze Kedes, Daberat, 58Ramot en Anem met de omliggende weidegronden. 59Van de stam Aser kregen ze Masal, Abdon, 60Chukok en Rechob met de omliggende weidegronden 61en van de stam Naftali kregen ze Kedes in Galilea, Chammon en Kirjataïm, elk met de omliggende weidegronden. 62De Levieten die nog resteerden, de nakomelingen van Merari, kregen van de stam Zebulon Rimmono en Tabor met de omliggende weidegronden. 63Aan de overkant van de Jordaan, op het onontgonnen deel van de hoogvlakte, kregen ze van de stam Ruben Beser, ter hoogte van Jericho maar dan dus aan de overkant, en verder Jahas, 64Kedemot en Mefaät, elk met de omliggende weidegronden. 65Van de stam Gad kregen ze Ramot in Gilead, Machanaïm, 66Chesbon en Jazer, elk met de omliggende weidegronden.

1 Kronieken 5-6NBV21Open in de Bijbel
1Wees niet te haastig met je woorden en doe God niet overijld met heel je hart geloften. Want God is in de hemel en jij bent op aarde, dus moet je spaarzaam met je woorden zijn. 2Drukte leidt tot dromerij en veel praten tot gebazel. 3Wanneer je God toch een gelofte doet, los die dan ook spoedig in. God is niet gesteld op dwazen. Los dus je geloften in. 4Je kunt beter geen gelofte doen dan een gedane gelofte niet inlossen. 5Sta je mond geen loze, zondige geloften toe en zeg niet naderhand tegen de priester dat ze een vergissing waren. Wil je soms dat God zich kwaad maakt over dergelijk gepraat en moet Hij wat je hebt bereikt te gronde richten? 6Dromerij en lege woorden zijn er al genoeg. Dus heb ontzag voor God.
Ambtenaren beschermen elkaar

7Wanneer je ziet dat in het land de armen worden onderdrukt en het recht en de rechtvaardigheid geschonden, wees dan niet verbaasd. Want een hoge ambtenaar wordt door een hogere beschermd, en zij beiden weer door ambtenaren die nog hoger zijn. 8Het is hierbij nog een geluk wanneer de koning zorg draagt voor de oogst.

Rijkdom is leegte

9Wie van geld houdt, kan er niet genoeg van krijgen. Wie verzot op rijkdom is, is altijd op meer gewin belust. Ook dat is enkel leegte. 10Maar hoe groter iemands kapitaal is, des te groter ook het aantal mensen dat het komt verbrassen. Wat heeft de eigenaar hierbij te winnen? Hij kan alleen maar toekijken. 11Een arbeider slaapt goed, of hij nu veel of weinig te verteren heeft, maar wie zwelgt in rijkdom kan de slaap niet vatten.

12Ik heb een trieste zaak onder de zon gezien die tot veel ellende leidt. Iemand waakt over zijn rijkdom, maar het loopt rampzalig af, 13want één tegenslag vaagt al die rijkdom weg. De zoon die hij verwekt heeft, blijft met lege handen achter. 14Naakt is zo iemand uit de moederschoot gekomen, even naakt keert hij terug. Niets van wat hij heeft verworven en in handen dacht te hebben, neemt hij mee. 15Het is, ook dit, triest en ellendig, maar zoals hij is gekomen, zo keert hij terug. Wat is het voordeel voor de mens dat hij zwoegt voor wind? 16Alle dagen van zijn leven brengt hij door in duisternis, heel zijn bestaan is vol ellende en verdriet, en vol ontevredenheid. 17Het is daarom, zo heb ik ingezien, goed en weldadig voor een mens wanneer hij zich aan eten en drinken tegoed doet, en geniet van alles wat hij heeft verworven. Daar zwoegt hij voor onder de zon gedurende het luttel aantal levensdagen dat hij van God gekregen heeft; dat is wat hem is toebedeeld. 18Wanneer een mens geniet van rijkdom en bezit, wanneer hem dat door God wordt toegestaan als zijn rechtmatig deel en hij zich verheugt in alles wat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God. 19Dan piekert hij tenminste niet zoveel over het luttel aantal dagen van zijn leven, maar gaat hij van ganser harte op in de vreugde die God hem toebedeelt.

1Het is, dat heb ik ingezien, een trieste zaak onder de zon en voor de mens een zware last: 2God geeft iemand rijkdom, bezittingen en aanzien; er ontbreekt hem in zijn leven niets van wat hij zich wenst, maar God staat niet toe dat hij ervan geniet – dat laat Hij een vreemde doen. Leegte is het, een ellendige en trieste zaak. 3Zo iemand zou wel honderd kinderen kunnen krijgen en wel jaren kunnen leven, vele jaren lang, maar als zijn dorst naar rijkdom nooit gelest wordt en hem nog niet eens een graf rest, dan – zeg ik – is een doodgeboren kind beter af. 4Het wordt in leegte geboren en verdwijnt in het duister, even naamloos als het is gekomen. 5Het heeft nooit de zon gezien en geen weet gehad van het bestaan. Het heeft rust, veel meer dan die ander 6die, ook al leeft hij duizend jaar en nog eens duizend jaar, niet genieten kan van al het goede dat hij heeft. Zijn zij niet beiden op weg naar dezelfde plaats?

7Al het gezwoeg dient ertoe dat de mens zijn buik vult, maar zijn verlangens blijven onvervuld. 8Welk voordeel heeft de wijze vergeleken met de dwaas, wat is het voordeel voor de arme dat hij inzicht in het leven heeft? 9Het is beter te genieten van iets tastbaars dan te grijpen naar iets onbereikbaars. Ook dat is niets dan lucht en najagen van wind. 10Wie en wat de mens is, werd al lang geleden vastgesteld: zijn naam is Mens en hij is niet in staat het op te nemen tegen Hem die meer macht bezit dan hij. 11Alles wat er meer over gezegd wordt, vermeerdert slechts de leegte. Wat is hiervan het voordeel voor de mens? 12Wie weet wat goed is voor de mens gedurende het luttel aantal dagen van zijn leeg bestaan? Ze zijn voor hem zo vluchtig als een schaduw. Wie kan hem vertellen wat er na hem komen zal onder de zon?

Prediker 5-6NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons