Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 275 / 1Kron. 7-8, Pred. 7-8

Bijbeltekst(en)

Afstammelingen van Issachar

1Issachar had vier zonen: Tola en Pua, Jasub en Simron. 2Zonen van Tola: Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuel. Deze dappere krijgslieden staan in de geslachtslijsten als familiehoofden van de Tolaïeten. In de tijd van David telde deze familie 22.600 mannen. 3Zoon van Uzzi: Jizrachja. Zonen van Jizrachja: Michaël, Obadja, Joël en Jissia, vijf familiehoofden. 4Ze hadden zo veel vrouwen en zo veel nakomelingen dat voor hun families 36.000 man gevechtstroepen in de geslachtslijsten staan. 5Ook voor de andere families van Issachar staan vele weerbare mannen ingeschreven, 87.000 in totaal.

Afstammelingen van Benjamin en Naftali

6Benjamin had drie zonen: Bela, Becher en Jediaël. 7Bela had vijf zonen: Esbon, Uzzi, Uzziël, Jerimot en Iri. Zij waren familiehoofden, dappere krijgslieden. Voor hun families staan 22.034 mannen ingeschreven.

8Zonen van Becher: Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremot, Abia, Anatot en Alemet; allemaal zonen van Becher. 9Voor de families van deze familiehoofden staan in de geslachtslijsten 20.200 weerbare mannen ingeschreven.

10Zoon van Jediaël: Bilhan. Zonen van Bilhan: Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zetan, Tarsis en Achisachar; 11allemaal nakomelingen van Jediaël. Zij waren familiehoofden, dappere krijgslieden. Van hun families waren 17.200 mannen in krijgsdienst.

12Suppim en Chuppim waren zonen van Ir; Chusim was een zoon van Acher.

13Zonen van Naftali: Jachasiël, Guni, Jeser en Sallum, nakomelingen van Bilha.

Afstammelingen van Manasse en Efraïm

14Zoon van Manasse: Asriël. Zijn Aramese bijvrouw baarde Machir, de vader van Gilead. 15Machir koos vrouwen voor Chuppim en Suppim. Zijn zus heette Maächa. Een andere nakomeling van Manasse heette Selofchad. Selofchad kreeg dochters. 16Machirs vrouw Maächa baarde een zoon, die zij Peres noemde. Zijn broer heette Seres. Zonen van Seres: Ulam en Rekem. 17Zoon van Ulam: Bedan. Dit waren de nakomelingen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. 18Machirs zus Molechet baarde Ishod, Abiëzer en Machla. 19De zonen van Semida waren Achjan, Sechem, Likchi en Aniam.

20Nakomelingen van Efraïm: Efraïm was de vader van Sutelach, die de vader was van Bered, de vader van Tachat, de vader van Elada, de vader van Tachat, 21de vader van Zabad, de vader van Sutelach. Efraïms andere zonen, Ezer en Elad, werden door de inheemse bevolking van Gat vermoord toen ze daar vee probeerden te stelen. 22Hun vader Efraïm rouwde lange tijd over hen, en zijn verwanten kwamen hem troosten. 23Hij sliep met zijn vrouw en ze werd zwanger. Ze baarde een zoon, die hij Beria noemde, omdat hij verwekt was toen het huis door onheil was getroffen. 24Zijn dochter was Seëra; zij stichtte Laag-Bet-Choron, Hoog-Bet-Choron en Uzzen-Seëra. 25Hij had ook een zoon, Refach. Refach was de vader van Resef, die de vader was van Telach, de vader van Tachan, 26de vader van Ladan, de vader van Ammihud, de vader van Elisama, 27de vader van Nun, de vader van Jozua.

28Hun grondgebied omvatte de volgende steden, elk met de omliggende dorpen: Betel, in oostelijke richting Naäran, in westelijke richting Gezer, en ook het gebied van Sichem tot aan Ajja. 29De stam Manasse bezat Bet-San, Taänach, Megiddo en Dor, elk met de omliggende dorpen. Dit waren de gebieden waar de nakomelingen van Israëls zoon Jozef woonden.

Afstammelingen van Aser

30Kinderen van Aser: Jimna, Jiswa, Jiswi, Beria en hun zus Serach.

31Zonen van Beria: Cheber en Malkiël, de stichter van Bir-Zaït. 32Cheber verwekte Jaflet, Somer, Chotam en hun zus Sua. 33Zonen van Jaflet: Pasach, Bimhal en Aswat; zij waren de zonen van Jaflet. 34Zonen van Semer: Achi en Roga, Jechubba en Aram. 35Zonen van zijn broer Helem: Sofach, Jimna, Seles en Amal.

36Zonen van Sofach: Suach, Charnefer, Sual, Beri en Jimra, 37Beser, Hod, Samma, Silsa, Jitran en Beëra.

38Zonen van Jeter: Jefunne, Pispa en Ara.

39Zonen van Ulla: Arach, Channiël en Risja.

40Zij allen waren nakomelingen van Aser, familiehoofden, beroemde, weerbare mannen, stamvorsten. Van hun families staan zesentwintigduizend mannen voor de krijgsdienst ingeschreven.

Afstammelingen van Benjamin

1Benjamin verwekte vijf zonen: Bela, de oudste, Asbel, de tweede, Achrach, de derde, 2Nocha, de vierde, en Rafa, de vijfde. 3De zonen van Bela heetten Addar, Gera, Abihud, 4Abisua, Naäman, Achoach, 5Gera, Sefufan en Churam. 6En dit zijn de zonen van Echud – zij waren de familiehoofden van de inwoners van Geba, die als ballingen naar Manachat werden gevoerd: 7Naäman, Achia en Gera. Onder Gera’s leiding werden ze weggevoerd. Hij verwekte Uzza en Achichud.

8-9Sacharaïm, die op de hoogvlakte van Moab woonde, verwekte bij zijn vrouw Chodes de volgende zonen, nadat hij zijn vrouwen Chusim en Baära had weggestuurd: Jobab, Sibja, Mesa en Malkam, 10Jeüs, Sochja en Mirma. Deze zonen van Sacharaïm waren familiehoofden. 11Bij Chusim had hij Abitub en Elpaäl verwekt. 12Zonen van Elpaäl: Eber, Misam, Semed (die Ono en Lod met de omliggende dorpen stichtte), 13Beria en Sema. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Ajjalon, die de inwoners van Gat op de vlucht joegen.

14Achio, Sasak en Jeremot, 15Zebadja, Arad en Eder, 16Michaël, Jispa en Jocha waren de zonen van Beria. 17Zebadja, Mesullam, Chizki en Cheber, 18Jismerai, Jizlia en Jobab waren de zonen van Elpaäl. 19Jakim, Zichri en Zabdi, 20Eliënai, Silletai en Eliël, 21Adaja, Beraja en Simrat waren de zonen van Simi. 22Jispan, Eber en Eliël, 23Abdon, Zichri en Chanan, 24Chananja, Elam en Antotia, 25Jifdeja en Penuel waren de zonen van Sasak. 26Samserai, Secharja en Atalja, 27Jaäresja, Elia en Zichri waren de zonen van Jerocham. 28Zij staan in de geslachtslijsten als familiehoofden. Ze woonden met hun families in Jeruzalem.

29In Gibeon woonde de stichter van Gibeon met zijn vrouw, die Maächa heette, en zijn zonen: 30Abdon, de oudste, en Sur, Kis, Baäl en Nadab, 31Gedor, Achio en Zecher. 32Miklot verwekte Sima. Zij volgden het voorbeeld van hun verwanten en vestigden zich bij hen in Jeruzalem.

33Ner verwekte Kis, Kis verwekte Saul, Saul verwekte Jonatan, Malkisua, Abinadab en Esbaäl. 34De zoon van Jonatan was Meribbaäl. Meribbaäl verwekte Micha. 35Zonen van Micha: Piton, Melech, Tarea en Achaz. 36Achaz verwekte Jehoadda, Jehoadda verwekte Alemet, Azmawet en Zimri. Zimri verwekte Mosa 37en Mosa verwekte Bina. Bina was de vader van Rafa, de vader van Elasa, de vader van Asel. 38Asel had zes zonen. Zij heetten Azrikam, Bocheru, Jismaël, Searja, Obadja en Chanan; allemaal zonen van Asel. 39Zonen van Asels broer Esek: Ulam, de oudste, Jeüs, de tweede, en Elifelet, de derde. 40De zonen van Ulam waren dappere krijgslieden, boogschutters. Ze kregen veel zonen en kleinzonen, honderdvijftig in totaal.

Zij allen waren afstammelingen van Benjamin.

1 Kronieken 7-8NBV21Open in de Bijbel
Wijsheden

1Beter een goede naam dan een kostbare geur, de dag waarop je sterft is beter dan de dag waarop je wordt geboren. 2Het is beter dat je naar een huis vol rouw gaat dan naar een huis vol feestrumoer, want in een huis vol rouw eindigt iedereen. Dat neme ieder mens zijn leven lang ter harte. 3Je kunt beter droevig zijn dan vrolijk, want bij een droevig gezicht maakt het hart het goed. 4De gedachten van de wijze verkeren in een huis vol rouw, die van de dwaas in een huis vol plezier.

5Je kunt beter luisteren naar de berisping van de wijzen dan naar de lofzang van de dwazen, 6want zoals de dorens knetteren onder de pot, zo knettert het lachen van de dwaas. Ook dat is enkel leegte.

7Afpersing maakt de wijze dwaas, steekpenningen richten het hart te gronde.

8Beter de voltooiing van de dingen dan dat ze beginnen, beter geduld dan ongeduld. 9Erger je niet te snel, want ergernis heerst in het hart van de dwaas. 10En vraag jezelf niet af waarom het vroeger beter was dan nu. Het getuigt van weinig wijsheid als je daarnaar vraagt.

11Bezit kan beter samengaan met wijsheid; dat is nuttiger onder de zon. 12Ze bieden beide schaduw, maar het voordeel van de wijsheid is dat ze de mens meer schaduw in het leven biedt.

13Bezie het werk van God: wie maakt recht wat Hij krom heeft gemaakt? 14Geniet dus op de goede dagen van het goede, maar zie op de slechte dagen in dat God naast de goede ook de slechte dagen heeft gemaakt. Geen mens kan in de toekomst zien.

15Dit heb ik in mijn leeg bestaan gezien: een rechtvaardig mens gaat aan zijn rechtvaardigheid ten onder, een onrechtvaardig mens leeft lang ondanks zijn slechte daden. 16Wees daarom niet al te rechtvaardig en meet jezelf geen overdreven wijsheid aan. Waarom zou je jezelf te gronde richten? 17Maar gedraag je ook niet al te onrechtvaardig en wees geen dwaas. Waarom zou je sterven voor je tijd? 18Houd het ene vast en laat het andere niet los. Dat is het beste, want wie ontzag voor God heeft, ontsnapt aan al te veel rechtvaardigheid en ook aan al te veel onrechtvaardigheid. 19De wijze heeft met deze wijsheid veel meer macht dan tien stadsbestuurders samen. 20Er is geen mens op aarde die nooit zondigt, die alleen maar goed is en altijd rechtvaardig. 21Spits daarom je oren niet bij alles wat er om je heen gezegd wordt. Dan hoef je niet te horen hoe je dienaar je vervloekt. 22Je weet maar al te goed hoe vaak ook jij een ander hebt vervloekt.

23Dit alles heb ik met mijn wijsheid onderzocht. Ik zei tegen mezelf: Laat ik wijsheid zoeken, maar ze bleef ver weg. 24Ver is alles wat er is geweest, dieper nog dan diep. Wie zal ooit inzicht vinden? 25Ik heb met heel mijn hart kennis gezocht en alles wat er is heb ik proberen te doorgronden. Ik heb wijsheid gezocht en wilde tot een slotsom komen; van het kwaad heb ik de dwaasheid willen kennen, van de dwaasheden de waanzin. 26Altijd weer hoor ik over een vrouw die bitterder zou zijn dan de dood. Een valstrik is zij, haar hart is een klapnet en haar handen zijn ketenen. Een mens die God behaagt zal aan haar ontsnappen, maar een zondaar laat zich door haar strikken. 27Al met al, zegt Prediker, is wat nu volgt de slotsom van mijn onderzoek. 28Dit heb ik met hart en ziel onderzocht: ‘Onder duizend mensen vond ik er maar één die ook werkelijk een mens was, en dat was geen vrouw.’ Maar ik zag dat nooit bevestigd. 29Het enige wat ik vond is dit: de mens is door God rechtschapen gemaakt, maar altijd weer kiest hij de verkeerde wegen.

De zin van wat God doet

1Wie heeft wijsheid? Wie kent de verklaring van de dingen? De wijsheid straalt een mens van het gezicht en verandert strenge ogen in een milde blik.

2Ik geef je deze raad: Volg de bevelen van de koning op, zoals je hebt gezworen tegenover God. 3Onttrek je niet aan zijn gezag, voorkom problemen. De koning doet wat hem behaagt, 4zijn woord is wet. Is er iemand die hem rekenschap kan vragen van zijn daden? 5Een wijs mens leeft zijn geboden na en heeft geen kwaad te duchten. Ook doet hij alles op de juiste tijd, want hij weet: 6voor alles wat gebeurt is er een juiste tijd. Een zware last is dat, voor ieder mens. Het is een kwade zaak, 7want niemand weet wat komen zal en hoe het later wordt. Wie kan daar iets over zeggen? 8Niemand heeft macht over zijn adem, geen mens kan tegenhouden dat zijn adem vergaat. Niemand heeft macht over de dag waarop hij sterft, geen mens ontvlucht het slagveld van de dood. En ook het kwaad – het zal zijn dienaren niet redden. 9Dit alles heb ik vastgesteld gedurende de tijd dat ik aandachtig keek naar alles wat gebeurt onder de zon, en zag dat een mens zijn macht misbruikt om een ander kwaad te doen.

10Ik heb ook gezien hoe zondaars naar het graf werden gedragen. Op de heilige plaats werden ze in het graf gelegd en ze verlieten onder eerbetoon het leven. Maar de rechtvaardigen werden vergeten in de stad. Ook dat is enkel leegte. 11Omdat een slechte daad niet snel bestraft wordt, is een mensenhart maar al te snel tot het kwaad geneigd. 12Een zondaar kan wel honderdmaal kwaad doen en toch vele jaren leven. Natuurlijk weet ook ik: het zal een mens die ontzag voor God heeft goed vergaan – want hij heeft toch ontzag voor God? 13Een zondaar daarentegen zal het slecht vergaan: de schaduw van zijn levensdagen zal niet lengen – want hij heeft toch geen ontzag voor God? 14Maar is het hier op aarde niet een grote leegte dat rechtvaardigen ten deel valt wat zondaars verdienen, en zondaars wat rechtvaardigen verdienen? Ook dat – zeg ik – is leegte. 15Daarom prijs ik de vreugde, want er is onder de zon niets beters voor de mens dan dat hij zich aan eten en drinken tegoed doet en geniet. De vreugde is zijn metgezel wanneer hij zwoegt op elke levensdag onder de zon die God hem heeft gegeven.

16Ik zocht met heel mijn hart naar wijsheid. Alles wat de mens op aarde onderneemt, wilde ik doorgronden. Nooit geeft hij zijn ogen rust, dag noch nacht, 17maar de mens is niet in staat, zo heb ik ingezien, de zin te vinden van alles wat God doet onder de zon. Hij tobt zich af en zoekt ernaar, maar hij vindt hem niet, en al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin ervan te vinden.

Prediker 7-8NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons