Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 257 / Jer. 22-23, Ps. 73

Bijbeltekst(en)

1Dit zei de HEER: ‘Ga naar het paleis van de koning van Juda en breng hem deze boodschap: 2Luister naar de woorden van de HEER, koning van Juda. U die op de troon van David zit, luister, samen met uw hovelingen en uw onderdanen, die door deze poorten naar binnen gaan. 3Dit zegt de HEER: Handhaaf recht en gerechtigheid, red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker, buit vreemdelingen, weduwen en wezen niet uit, pleeg geen geweld tegen hen, vergiet in deze stad geen onschuldig bloed. 4Nemen jullie dit alles in acht, dan zullen Davids troonopvolgers door de poorten van dit paleis gaan, gezeten op paarden of rijdend op wagens, evenals hun hovelingen en hun volk. 5Maar als jullie niet naar deze woorden luisteren, dan zweer Ik bij mijn eigen naam dat dit paleis in puin zal vallen – spreekt de HEER.

6Dit zegt de HEER tegen het paleis van de koning van Juda:

Ik zie in jou de bossen van Gilead,

de toppen van de Libanon.

Maar Ik maak je tot een woestijn,

tot een uitgestorven stad.

7Ik stuur slopers met bijlen op je af,

ze hakken je mooiste cederhout aan stukken,

ze geven het prijs aan het vuur.

8Dan zullen vele volken langs deze stad trekken en vragen: “Waarom heeft de HEER deze machtige stad zo zwaar getroffen?” 9En het antwoord zal zijn: Ze hebben het verbond met de HEER, hun God, geschonden, ze hebben neergeknield voor andere goden en die vereerd.

10Treur niet om een dode,

weeklaag niet om hem.

Treur liever om hem die verbannen werd:

hij ziet zijn geboorteland niet terug.

11Dit zegt de HEER over koning Sallum van Juda, die zijn vader Josia is opgevolgd: Hij heeft deze stad verlaten en zal niet meer terugkeren. 12Sallum zal sterven in het land waarheen hij verbannen werd; dit land zal hij niet terugzien.

13Wee hem die zijn huis op onrechtvaardigheid bouwt,

die de bovenvertrekken met onrecht schraagt,

die anderen voor zich laat werken

maar hun geen loon betaalt,

14die zegt: “Ik bouw voor mezelf een indrukwekkend paleis,

met ruime bovenvertrekken, vol vensters,

bekleed met cederhout,

prachtig rood geverfd.”

15Ben je koning door de pracht van je cederhout?

Je vader had aan niets gebrek.

Recht en gerechtigheid handhaafde hij –

en hij leefde in voorspoed.

16Hij beschermde het recht van armen en behoeftigen –

en hij leefde in voorspoed.

Is dat niet: Mij kennen?

– spreekt de HEER.

17Maar jouw ogen en jouw hart

zijn slechts op eigen voordeel gericht,

op onschuldig bloed vergieten,

op afpersen en uitbuiten.

18Daarom – dit zegt de HEER

over koning Jojakim van Juda, zoon van Josia:

Niemand zal een klaaglied zingen:

“Ach mijn broeder, ach mijn zuster.”

Niemand klaagt: “Ach heer, ach majesteit.”

19Als een ezel wordt hij uitgedragen,

weggesleept en weggegooid,

ver buiten de poorten van Jeruzalem.

20Beklim de Libanon en schreeuw het uit,

verhef je stem in Basan,

schreeuw het uit vanaf de Abarim,

want al je minnaars zijn verslagen.

21Ik sprak tot jou toen jij je veilig waande,

maar jij zei: “Ik luister niet.”

Zo ben je al vanaf je jeugd,

nooit heb je naar Mij geluisterd.

22De wind zal al je herders hoeden,

al je minnaars gaan in ballingschap.

Ja, dan word je beschaamd en sta je te schande

vanwege je kwalijke praktijken.

23Jij die zetelt op de Libanon,

in cederbomen nestelt,

wat zul je zuchten en kreunen,

zoals een vrouw in barensnood.

24Zo waar Ik leef – spreekt de HEER –, ook al droeg Ik jou, koning Jechonja van Juda, zoon van Jojakim, als een zegelring aan mijn rechterhand, Ik zou je ervan afrukken. 25Ik lever je uit aan hen die je naar het leven staan, aan de mensen voor wie je zo bang bent: koning Nebukadnessar van Babylonië en de Chaldeeën. 26Ik werp je weg, samen met je moeder, samen met haar die jou ter wereld bracht. Jullie worden weggevoerd naar een land waar jullie niet geboren zijn en daar zullen jullie sterven. 27Hoezeer jullie er ook naar verlangen om naar dit land terug te keren, dat zal niet gebeuren.

28Is Jechonja soms een afgedankte, stukgeslagen pot,

is deze man een kruik die nergens meer toe dient?

Waarom worden hij en zijn kinderen weggeworpen,

verdreven naar een onbekend land?

29Land, o land, luister naar de woorden van de HEER! 30Dit zegt de HEER: Stel deze man als kinderloos te boek, schrijf dat zijn leven mislukt is, want geen van zijn nakomelingen zal ooit op Davids troon zitten en over Juda regeren.

1Wee de herders die de schapen van mijn weiden in het verderf storten en verstrooien – spreekt de HEER. 2Daarom – dit zegt de HEER, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk weiden: Jullie hebben mijn schapen verstrooid en verdreven, en jullie zijn ze niet gaan zoeken. Daarom ga Ik jullie zoeken: Ik zal jullie straffen voor je kwalijke praktijken – spreekt de HEER. 3Wat er nog van de schapen over is, zal Ik bijeenbrengen uit alle landen waarheen Ik ze verdreven heb. Ik breng ze terug naar hun weide, ze zullen vruchtbaar zijn en in aantal toenemen. 4Ik zal herders over ze aanstellen die ze zo zullen hoeden dat ze geen angst meer kennen en er niet één meer zal worden gemist – spreekt de HEER.

5De dag zal komen – spreekt de HEER – dat Ik aan Davids stam een rechtmatige telg laat ontspruiten, die als koning een wijs beleid zal voeren en die in het land recht en gerechtigheid zal handhaven. 6Dan wordt Juda verlost en zal Israël veilig wonen. Zijn naam zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”.

7Daarom, de dag zal komen – spreekt de HEER – dat er niet meer wordt gezegd: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit Egypte heeft bevrijd,” 8maar: “Zo waar de HEER leeft, die de nakomelingen van Israël uit het land van het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen Hij hen verdreven had.” Dan zullen ze weer in hun eigen land wonen.’

Profetieën over de profeten

9Over de profeten.

‘Gebroken ben ik, heel mijn lichaam beeft,

ik lijk wel dronken, beneveld door wijn –

door toedoen van de HEER,

door zijn heilige woorden.’

10‘Overal is ontrouw,

heel het land zucht onder de vloek,

verdroogd is het groen in de woestijn.

Ieder vliegt af op het kwaad

en vindt zijn kracht in onrecht.

11Want profeten en priesters zijn verdorven,

zelfs in mijn tempel moet Ik hun wangedrag aanzien

– spreekt de HEER.

12Daarom zal hun weg een glibberig pad zijn,

ze struikelen in het duister, en komen ten val.

Als Ik met hen afreken,

tref Ik hen met onheil – spreekt de HEER.

13Bij Samaria’s profeten zag Ik ongehoorde dingen:

ze lieten zich door Baäl leiden

en misleidden Israël, mijn volk.

14Bij Jeruzalems profeten zie Ik gruwelijke dingen:

overspel! leugen op leugen!

Zij steunen de boosdoeners,

zodat die niet breken met hun kwalijke praktijken.

Iedereen is even slecht geworden

als de inwoners van Sodom en Gomorra.

15Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten over de profeten:

Ik geef hun alsem te eten en giftig water te drinken,

want de profeten van Jeruzalem

hebben heel het land met hun verdorvenheid besmet.

16Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Luister niet naar wat de profeten jullie verkondigen. Ze geven jullie valse hoop. Hun visioenen zijn hun eigen verzinsels, ze komen niet van de HEER. 17Tegen hen die Mij minachten durven ze te zeggen: “De HEER zegt dat het jullie goed zal gaan.” En tegen ieder die zich door zijn koppige hart laat leiden zeggen ze: “Nee, onheil blijft je bespaard.” 18Wie het beraad van de HEER bijwoont, moet zijn woorden in zich opnemen en gehoorzamen. Wie goed naar zijn woorden geluisterd heeft, heeft ze ook begrepen.

19De HEER zendt een woedende wind,

een razende storm treft de verdorvenen.

20Zijn toorn komt niet tot bedaren

voor Hij zijn plan geheel heeft uitgevoerd.

Eens zullen jullie dat ten volle begrijpen.

21Ik heb die profeten niet gezonden,

toch rennen ze of ze mijn boden waren.

Ik heb niet tot hen gesproken,

toch spreken ze of ze profeten waren.

22Hadden ze mijn beraad bijgewoond,

dan hadden ze mijn volk mijn woorden laten horen,

het opgeroepen zijn verdorven levenswandel op te geven,

te breken met zijn kwalijke praktijken.

23Ben Ik alleen een God van dichtbij,

ben Ik niet ook een God van ver? – spreekt de HEER.

24Als iemand zich verbergt,

zou Ik hem dan niet zien? – spreekt de HEER.

Ben Ik niet overal,

in de hemel en op aarde? – spreekt de HEER.

25Ik heb gehoord wat voor leugens die profeten in mijn naam verkondigen. Ze roepen: “Een droom! Ik heb een droom gehad!” 26Hoe lang nog blijven die leugenachtige profeten hun eigen verzinsels verkondigen? 27Hoe lang nog zijn ze erop uit om met de dromen die ze elkaar vertellen mijn volk mijn naam te laten vergeten, zoals hun voorouders mijn naam door Baäl zijn vergeten? 28Een profeet die droomt, vertelt niet meer dan een droom, maar wie mijn woorden kent, geeft mijn woorden betrouwbaar weer.

Wat heeft stro met graan gemeen? – spreekt de HEER.

29Is mijn woord niet als een vuur,

als een hamer die een rots verbrijzelt? – spreekt de HEER.

30Ik zal ze straffen – spreekt de HEER –, Ik zal ze straffen, die profeten die elkaars woorden stelen maar zeggen dat ze namens Mij spreken 31en steeds zo zelfverzekerd “spreekt de HEER” roepen; 32Ik zal ze straffen – spreekt de HEER –, die profeten die leugenachtige dromen vertellen, want met hun leugens en bedrog misleiden ze mijn volk. Ik heb hen niet gezonden en hun niets opgedragen, en ze zijn dit volk op geen enkele manier tot nut – spreekt de HEER.

33En als een profeet, een priester of wie dan ook vraagt: “Welke last geeft de HEER ons met zijn woorden te dragen?”, antwoord dan: “Jullie zelf zijn die last, maar Ik zal jullie afwerpen – spreekt de HEER.” 34De profeet, priester of wie dan ook die het nog over een “last van de HEER” heeft straf Ik, samen met zijn hele familie. 35Vraag elkaar liever: “Wat heeft de HEER geantwoord?” of: “Wat heeft de HEER gezegd?” 36Spreek niet langer over een “last van de HEER”. Ieder zegt op last van Mij te spreken, maar daarmee verdraaien jullie de woorden van de levende God, de HEER van de hemelse machten, jullie God. 37Vraag een profeet liever wat de HEER geantwoord heeft, of wat Hij gezegd heeft. 38Dit zegt de HEER: Als jullie toch over een “last van de HEER” spreken, terwijl Ik jullie heb verboden dat te doen, 39zal Ik jullie optillen en van me afwerpen, samen met de stad die Ik jullie en je voorouders gegeven heb. 40Ik breng eeuwige smaad en schande over jullie, die nooit zal worden vergeten.’

Jeremia 22-23NBV21Open in de Bijbel

Derde boek

1Een psalm van Asaf.

Ja, God is goed voor Israël,

voor wie zuiver zijn van hart!

2Toch had ik bijna een misstap begaan,

bijna waren mijn voeten uitgegleden,

3want ik keek met afgunst naar de dwazen,

benijdde het geluk van wie kwaad doen.

4Tot hun dood blijven zij voor ziekte gespaard,

hun buik is goedgevuld,

5aardse kwellingen kennen zij niet,

het lijden van anderen gaat aan hen voorbij.

6Daarom is hoogmoed hun halssieraad

en bedekt geweld hen als een mantel,

7hun ogen puilen uit het vet,

van eigenwaan zwelt hun hart.

8Ze spotten, spreken kwaad

en dreigen vanaf hun hoge zetels,

9ze zetten een mond op tot aan de hemel

en hun tong roert zich overal op aarde.

10Daarom lopen de mensen achter hen aan,

drinken hun woorden in als water

11en zeggen: ‘Hoe zou God iets weten?

Beschikt de Allerhoogste over kennis?’

12Zo zijn de goddelozen ten voeten uit,

ze verrijken zich, onverstoorbaar.

13Ja, vergeefs hield ik mijn geweten zuiver

en waste ik mijn handen in onschuld!

14Want ik werd gestraft, dag aan dag,

en geslagen, elke morgen weer.

15Maar zou ik spreken als zij,

ik pleegde verraad aan Gods kinderen!

16Dus bleef ik nadenken, ik wilde weten

waarom – het was een vraag die mij kwelde,

17tot ik Gods heiligdom binnenging

en mij hun einde voor ogen bracht.

18Ja, U zet hen op een glibberig pad

en stort hen in een diepe afgrond.

19In een oogwenk is het met hen gedaan,

hun ondergang, hun einde is een verschrikking.

20Ze zijn als een nachtmerrie na het ontwaken, Heer,

bij het opstaan verjaagt U ze als beelden uit een droom.

21Zolang ik verbitterd was,

gekwetst vanbinnen,

22dom en dwaas,

was ik bij U als een redeloos dier.

23Maar nu weet ik mij altijd bij U,

U houdt mij aan de hand

24en leidt mij volgens uw plan.

Dan neemt U mij weg, met eer bekleed.

25Wie buiten U heb ik in de hemel?

Naast U wens ik geen ander op aarde.

26Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam,

de rots van mijn bestaan, al wat ik heb,

is God, nu en altijd.

27Wie ver van U blijven, komen om,

wie U ontrouw zijn, verdelgt U.

28Bij God te zijn is mijn enig verlangen,

mijn toevlucht vind ik bij God, de HEER.

Van al uw daden zal ik verhalen.

Psalmen 73NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons