Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 256 / Jer. 19-21, Ps. 31

Bijbeltekst(en)

De stukgeslagen kruik

1-2Dit zei de HEER: ‘Koop een aarden kruik en ga met enkele oudsten van het volk en van de priesters de stad uit. Ga naar het Hinnomdal bij de Schervenpoort en verkondig daar wat Ik je zeg: 3Luister naar de woorden van de HEER, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem. Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal zulk onheil over deze stad brengen dat de oren van wie ervan hoort zullen tuiten. 4Want ze hebben Mij verlaten, ze hebben deze plaats geschonden en er wierook gebrand ter ere van andere goden, die zij, hun voorouders en de koningen van Juda nooit hebben gekend. Ze hebben deze plaats doen druipen van onschuldig bloed 5en er offerplaatsen gebouwd om hun kinderen als offer voor Baäl te verbranden. Dat heb Ik nooit geboden, nooit gezegd en nooit gewild. 6Daarom, de dag zal komen – spreekt de HEER – dat deze plaats niet meer Tofet of Hinnomdal wordt genoemd, maar Moorddal. 7Daar breek Ik de plannen van Juda en Jeruzalem stuk, Ik laat hen ombrengen door hun vijanden, door allen die hun naar het leven staan. De lijken van dit volk geef Ik als prooi aan roofvogels en wilde dieren. 8Ik maak van deze stad een voorwerp van afschuw en ontzetting. Ieder die er komt zal huiveren om het onheil dat haar getroffen heeft, ieder zal de adem in de keel stokken. 9Ik laat de mensen het vlees van hun eigen zonen en dochters eten; men zal elkaars vlees eten – tot zo grote wanhoop zal de vijand die hun naar het leven staat, hen tijdens het beleg drijven.

10Sla in aanwezigheid van de mannen die je vergezellen de kruik stuk 11en zeg tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik zal dit volk en deze stad stukslaan zoals iemand een kruik aan stukken slaat – onherstelbaar. Omdat er nergens anders plaats meer is, zullen ze hun doden zelfs in Tofet begraven. 12-13Dit zal Ik met de stad en haar inwoners doen – spreekt de HEER: de huizen van Jeruzalem en de paleizen van de koningen van Juda, ja alle huizen waar men op de daken wierook heeft gebrand voor het sterrenleger aan de hemel en wijnoffers heeft gebracht aan andere goden, maak Ik zo onrein als Tofet.’

14En Jeremia ging vanuit Tofet, waar de HEER hem naartoe gezonden had om te profeteren, naar de voorhof van de tempel en zei tegen de aanwezigen: 15‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik breng over deze stad en de omliggende steden al het onheil dat Ik aangekondigd heb, want de inwoners weigeren hardnekkig naar mijn waarschuwingen te luisteren.’

1Toen de priester Paschur, de zoon van Immer, hoofdopzichter van de tempel, Jeremia dit hoorde profeteren, 2liet hij de profeet stokslagen geven en hem in de hoge Benjaminpoort bij de tempel in het blok sluiten. 3Toen Paschur hem de volgende dag uit het blok haalde, zei Jeremia tegen hem: ‘De HEER noemt jou niet langer Paschur, maar Magor-Missabib. 4Want dit zegt de HEER: Ik maak jou voor jezelf en je vrienden tot een bron van paniek; zij zullen door hun vijanden worden omgebracht en jij zult het moeten aanzien. Ik lever alle Judeeërs uit aan de koning van Babylonië; hij zal hen naar Babel wegvoeren of hen ombrengen. 5De voorraden van deze stad, de bezittingen en kostbaarheden, en de schatten van de koningen van Juda geef Ik hun vijanden in handen. Ze zullen alles buitmaken en meevoeren naar Babel. 6Ook jij, Paschur, zult samen met heel je familie in ballingschap gaan. Je zult worden weggevoerd naar Babel; daar zul je sterven en worden begraven, samen met al je vrienden, tegen wie je leugens hebt geprofeteerd.’

Klacht van Jeremia

7HEER, U hebt mij verleid, en ik ben bezweken,

U was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen.

Dag in dag uit lachen ze om mij,

iedereen bespot mij.

8Telkens als ik spreek, moet ik schreeuwen:

“Ik word mishandeld, onderdrukt!”

Want de woorden van de HEER brengen mij

dag in dag uit schande en vernedering.

9Als ik denk: Ik wil Hem niet meer noemen,

niet meer spreken in zijn naam,

dan laait er in mijn hart een vuur op,

dan brandt het in mijn gebeente.

Ik doe moeite om het in bedwang te houden,

maar ik kan het niet.

10Want de mensen bauwen mij na:

“Overal paniek! Overal paniek!

Roep het, dan vertellen wij het verder.”

Al mijn vrienden zijn uit op mijn val:

“Misschien laat hij zich verleiden,

dan krijgen wij hem in onze greep,

dan wreken wij ons op hem.”

11Maar de HEER staat mij terzijde als een machtig krijgsman.

Daarom komen mijn belagers ten val,

ze krijgen mij niet in hun greep.

Ze zullen diep worden beschaamd,

ze zullen hun doel niet bereiken.

Ze worden overladen met eeuwige schande,

nooit zal die worden vergeten.

12HEER van de hemelse machten,

die alles rechtvaardig onderzoekt,

die hart en nieren doorgrondt,

laat mij zien dat U zich op hen wreekt.

U leg ik mijn zaak voor.

13Zing voor de HEER, loof de HEER,

want Hij heeft het leven van de arme

uit de handen van boosdoeners gered.

14Vervloekt is de dag waarop ik ben geboren,

de dag waarop mijn moeder mij baarde.

Die dag mag niet gezegend zijn.

15Vervloekt is de man die mijn vader het nieuws bracht,

die tot zijn vreugde riep: “U hebt een kind, een jongen!”

16Het zal die man vergaan

als de steden die de HEER meedogenloos verwoestte.

Hij hoort kreten om hulp in de morgen,

krijgsgeschreeuw op het middaguur.

17Had Hij me maar in de schoot gedood,

dan was mijn moeder mijn graf geworden,

dan was haar schoot voor altijd zwanger gebleven.

18Waarom moest ik de moederschoot verlaten?

Ik heb alleen maar verdriet en pijn,

ik slijt mijn dagen in schande.’

Verzoek van koning Sedekia

1De HEER richtte zich tot Jeremia, nadat koning Sedekia Paschur, de zoon van Malkia, en de priester Sefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe gestuurd had. Ze zeiden tegen Jeremia: 2‘Nu koning Nebukadnessar van Babylonië ons aanvalt, willen wij u vragen de HEER voor ons te raadplegen. Misschien zal Hij opnieuw wonderdaden verrichten en zal de vijand het beleg opbreken.’ 3Jeremia antwoordde: ‘Zeg tegen Sedekia het volgende: 4Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jullie strijden nu nog buiten de stadsmuren tegen de koning van Babylonië en de Chaldeeën, maar Ik zal jullie wapens daar weghalen en ze midden in deze stad op een hoop gooien. 5Ikzelf zal met krachtige, sterke hand tegen jullie strijden, vervuld van grote woede en toorn. 6Ik zal deze stad treffen met een verschrikkelijke pest, waaraan mensen en dieren zullen sterven. 7En dan – spreekt de HEER – lever Ik koning Sedekia van Juda, zijn hof en allen die in deze stad de pest, het zwaard en de honger hebben overleefd, uit aan koning Nebukadnessar van Babylonië, aan hun vijanden, die hun naar het leven staan. Hij zal hen aan het zwaard rijgen en niemand sparen; hij zal onverbiddelijk zijn en geen medelijden hebben.’

8De HEER sprak: ‘Zeg tegen dit volk: Dit zegt de HEER: Ik stel jullie voor de keuze tussen leven en dood. 9Wie hier blijft zal sterven door het zwaard, de honger of de pest, maar wie de stad verlaat en zich overgeeft aan de Chaldese belegeraars zal gespaard worden en zijn leven behouden. 10Want Ik heb niet de redding van deze stad op het oog, maar haar ondergang – spreekt de HEER. Ze zal de koning van Babylonië in handen vallen en hij zal haar in vlammen doen opgaan.’

Profetieën over de koningen van Juda

11-12Over het koningshuis van Juda.

‘Luister naar de woorden van de HEER, huis van David!

Dit zegt de HEER:

Spreek eerlijk recht, iedere ochtend,

red wie beroofd werd uit de handen van zijn onderdrukker.

Anders slaat mijn toorn uit als een vuur,

een brand die niet te blussen is,

vanwege jullie kwalijke praktijken.

13Jeruzalem, Ik zal je straffen – spreekt de HEER –,

jij die in een vallei gelegen bent,

op geëffende rotsen gebouwd.

Je inwoners denken:

Wie zou ons kunnen aanvallen,

wie zou onze huizen kunnen binnendringen?

14Ik ben het die je straffen zal,

Ik geef jou je verdiende loon – spreekt de HEER.

Ik steek je cederhouten zuilen in brand,

heel de stad wordt door het vuur verteerd.’

Jeremia 19-21NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Een psalm van David.

2Bij U, HEER, schuil ik,

maak mij nooit te schande.

Bevrijd mij en doe mij recht,

3hoor mij,

haast u mij te helpen,

wees voor mij een rots, een toevlucht,

een vesting die mij redding biedt.

4U bent mijn rots, mijn vesting,

U zult mijn gids zijn, mij leiden, tot eer van uw naam,

5mij losmaken uit het net dat voor mij is gespannen,

U bent mijn toevlucht.

6In uw hand leg ik mijn geest,

HEER, trouwe God, verlos mij.

7Wie armzalige goden vereren – ik haat ze,

ík vertrouw op de HEER.

8Ik zal mij verblijden, juichen over uw trouw,

want U ziet mijn ellende,

U kent de nood van mijn ziel,

9U laat niet toe dat de vijand mij insluit,

U geeft mijn voeten de ruimte.

10Heb erbarmen, HEER,

want ik verkeer in nood,

mijn ogen zijn gezwollen van verdriet,

mijn ziel en mijn lichaam verkwijnen,

11mijn leven verloopt in ellende,

zuchtend slijt ik mijn dagen,

door eigen schuld slinken mijn krachten,

tot op mijn botten teer ik weg.

12Bij allen die mij belagen

wek ik de lachlust,

bij mijn buren nog het meest.

Wie mij kennen zijn verbijsterd,

wie mij zien aankomen op straat

vluchten haastig voor mij weg.

13Vergeten ben ik als een dode, weg uit het hart,

afgedankt als gebroken aardewerk.

14Ik hoor de mensen over mij fluisteren,

van alle kanten dreigt gevaar.

Ze steken de hoofden bijeen

en smeden plannen om mij te doden.

15Maar ik vertrouw op U, HEER,

ik zeg: U bent mijn God,

16mijn lot en mijn leven zijn in uw hand,

bevrijd mij van mijn vijanden en vervolgers.

17Laat het licht van uw gelaat over mij schijnen,

toon uw trouw en red uw dienaar.

18HEER, U roep ik aan, maak mij niet te schande,

laat de goddelozen te schande staan

en verstommen in het dodenrijk.

19Zwijgen moeten de leugenaars,

die hoogmoedig en vol verachting

rechtvaardige mensen beschuldigen.

20Hoe groot is het geluk

dat U hebt weggelegd voor wie U vrezen,

dat U bereid hebt voor wie schuilen bij U,

heel de wereld zal het zien.

21U verbergt hen in de beschutting van uw gelaat

voor de lagen en listen van mensen,

uw tent biedt hun een schuilplaats

voor de laster van kwade tongen.

22Geprezen zij de HEER om zijn trouw,

Hij heeft een wonder voor mij verricht,

Hij ontzette mij als een belegerde stad.

23In mijn angst had ik gezegd:

‘Ik ben verbannen uit uw ogen,’

maar U hebt mijn smeekbede gehoord

toen ik U om hulp riep.

24Getrouwen van de HEER, heb Hem lief.

De HEER behoedt de standvastigen,

voorgoed rekent Hij af met de hoogmoedigen.

25U die uw hoop vestigt op de HEER:

wees allen sterk en houd moed.

Psalmen 31NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons