Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 246 / Jes. 59-61, Ps. 87

Bijbeltekst(en)

In de ban van het kwaad

1De arm van de HEER is niet te kort om te redden,

zijn gehoor niet te zwak om te luisteren –

2jullie wangedrag is het

dat jullie en je God van elkaar heeft gescheiden;

door jullie zonden houdt Hij zijn gelaat verborgen

en wil Hij je niet meer horen.

3Want jullie handen zijn besmeurd met bloed,

je vingers bezoedeld door wandaden,

je lippen spreken leugens,

je tong prevelt bedrog.

4Geen aanklacht is nog zuiver,

geen rechtszaak wordt eerlijk gevoerd.

Ze vertrouwen op leegte

en spreken bedrieglijke taal,

ze zijn zwanger van onrecht

en baren misdaad.

5Ze broeden slangeneieren uit,

ze weven spinnenwebben.

Wie hun eieren eet zal eraan sterven;

als er een wordt ingedrukt, komt er een adder uit.

6Hun spinnendraden zijn ongeschikt voor kleding,

wat zij maken kan niet worden aangetrokken.

Hun daden zijn heilloze daden,

hun handen staan naar geweld.

7Hun voeten snellen naar het kwaad,

ze haasten zich om onschuldig bloed te vergieten.

Hun plannen zijn heilloze plannen,

verwoesting en rampspoed vergezellen hen.

8De weg van de vrede kennen ze niet,

waar zij gaan is geen recht te ontdekken.

Ze begeven zich op kronkelpaden;

wie daarop wandelt kent geen vrede.

9Daarom blijft het recht ver van ons

en is gerechtigheid voor ons onbereikbaar.

Wij hopen op licht, maar het is duister,

op een sprankje licht, maar we dolen in het donker.

10We tasten als blinden langs de muur,

we tasten rond als iemand die niets kan zien.

Op klaarlichte dag struikelen we alsof het schemert,

in de kracht van ons leven lijken we dood.

11Wij allen grommen als beren,

we klagen en kreunen droevig als duiven.

Wij hopen op recht, maar het is er niet,

op redding, maar ze blijft ver van ons.

12Want talloos zijn onze misdaden jegens U,

onze zonden getuigen tegen ons.

We zijn ons van onze misdaden bewust

en erkennen ons wangedrag:

13we zijn opstandig en de HEER ontrouw,

we zijn afvallig van onze God,

we zijn belust op bedrog en onderdrukking,

zwanger van leugens brengen we onwaarheid voort.

14Het recht is verdrongen

en de gerechtigheid blijft ver van ons;

de waarheid struikelt op straat

en de oprechtheid krijgt nergens toegang.

15Zo laat de waarheid verstek gaan,

en wie het kwaad wil mijden, wordt uitgebuit.

De HEER redt en bevrijdt

Maar de HEER zag het,

en het was slecht in zijn ogen

dat er geen recht meer was.

16Hij zag dat er niemand was,

Hij was geschokt dat niet één mens ingreep.

Op eigen kracht bracht Hij redding

en zijn gerechtigheid spoorde Hem aan.

17Hij gordde het harnas van de gerechtigheid aan

en zette de helm van de redding op zijn hoofd.

Hij deed het kleed van de vergelding aan

en hulde zich in de mantel van de strijdlust.

18Hij zal ieder naar zijn daden vergelden:

woede voor zijn vijanden,

wraak voor zijn tegenstanders;

ook op de eilanden wreekt Hij zich.

19In het westen zal men de naam van de HEER vrezen

en in het oosten zijn majesteit.

Want Hij zal komen met de kracht

van een rivier in een smalle bedding,

voortgestuwd door de adem van de HEER.

20Hij zal als bevrijder naar Sion komen,

naar allen uit Jakobs nageslacht

die met de misdaad breken

– spreekt de HEER.

21Dit verbond sluit Ik met hen – zegt de HEER:

mijn geest, die op jou rust,

en de woorden die Ik je in de mond heb gelegd,

zullen uit jouw mond niet wijken,

noch uit de mond van je kinderen,

noch uit de mond van je kindskinderen,

van nu tot in eeuwigheid – zegt de HEER.

Het nieuwe Jeruzalem

1Sta op en schitter, je licht is gekomen,

over jou schijnt de luister van de HEER.

2Duisternis bedekt de aarde

en donkerte de naties,

maar over jou schijnt de HEER,

zijn luister is boven jou zichtbaar.

3Volken laten zich leiden door jouw licht,

koningen door de glans van je schijnsel.

4Sla je ogen op, kijk om je heen:

ze stromen in drommen naar je toe;

je zonen komen van ver,

je dochters worden op de heup gedragen.

5Je zult stralen van vreugde als je het ziet,

je hart zal van blijdschap overslaan.

De schatten van de zee zullen je toevallen,

de rijkdom van vreemde volken valt je in de schoot.

6Een vloed van kamelen zal je land overspoelen,

jonge kamelen uit Midjan en Efa.

Uit Seba komen ze in groten getale,

beladen met wierook en goud.

Zij verkondigen de roemrijke daden van de HEER.

7Alle schapen en geiten van Kedar

worden voor jou bijeengedreven,

Nebajots rammen staan je ter beschikking;

ze worden als offer op mijn altaar aanvaard.

Mijn tempel zal Ik in alle luister herstellen.

8Wie zijn het die daar zweven als een wolk,

die komen aanvliegen als duiven naar hun til?

9De kustlanden hebben hun hoop op Mij gevestigd.

De schepen uit Tarsis gaan voorop

om je kinderen van verre terug te brengen;

ze hebben zilver en goud bij zich

tot eer van de naam van de HEER, je God,

de Heilige van Israël,

die jou deze luister heeft verleend.

10Vreemdelingen zullen je muren herbouwen,

hun koningen staan je ter beschikking.

Ik heb je geslagen in mijn woede,

in mijn mededogen zal Ik me over je ontfermen.

11Je poorten zullen nooit gesloten worden,

dag en nacht zullen ze openstaan,

zodat de rijkdom van vreemde volken kan binnenstromen,

met de koningen die worden meegevoerd.

12Elk volk of koninkrijk dat weigert

jou te dienen, zal ten onder gaan;

al die volken zullen worden verdelgd en vernietigd.

13De luister van de Libanon,

den, sneeuwbal en cipres,

ze zullen bij je komen,

om mijn heiligdom luister bij te zetten;

zo eer Ik de plaats waar mijn voeten rusten.

14Met gebogen hoofd zullen ze komen,

de zonen van je onderdrukkers,

en iedereen die jou verachtte

zal zich aan je voeten neerwerpen.

Ze noemen je Stad van de HEER,

Sion van de Heilige van Israël.

15Eens was je verlaten en gehaat

en werd je door niemand bezocht,

maar Ik zal je eeuwige roem verlenen,

geslacht op geslacht zul je een bron van vreugde zijn.

16Je zult de melk van vreemde volken drinken,

je wordt gezoogd door koninklijke borsten.

Dan zul je beseffen

dat Ik, de HEER, je redder ben,

je bevrijder, de Machtige van Jakob.

17In plaats van koper zal Ik je goud brengen,

in plaats van ijzer breng Ik zilver,

koper in plaats van bomen,

ijzer in plaats van stenen.

Ik laat vrede over je waken

en gerechtigheid over je heersen.

18Van geweld in je land wordt niets meer vernomen,

noch van verwoesting en rampspoed binnen je grenzen.

Je zult je muren Redding noemen

en je poorten Roem.

19Overdag is het licht van de zon niet meer nodig,

de glans van de maan hoeft je niet te verlichten,

want de HEER zal voor altijd je licht zijn,

je God zal je zijn luister schenken.

20Je zon zal niet meer ondergaan,

je maan niet meer verbleken,

want de HEER zal voor altijd je licht zijn.

De dagen van je rouw zijn voorbij.

21Je volk telt enkel nog rechtvaardigen,

zij zullen het land voorgoed bezitten.

Zij zijn de jonge scheuten van wat Ik heb geplant,

Ik heb hen gemaakt als teken van mijn luister.

22De geringste groeit uit tot een duizendtal,

de kleinste tot een machtig volk.

Ik, de HEER, zal dit spoedig volvoeren,

wanneer de tijd is gekomen.

Profetie over de komende glorie

1De geest van God, de HEER, rust op mij,

want de HEER heeft mij gezalfd.

Om aan armen het goede nieuws te brengen

heeft Hij mij gezonden,

om aan verslagen harten hoop te bieden,

om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken

en aan geketenden hun bevrijding,

2om een genadejaar van de HEER uit te roepen

en een dag van wraak voor onze God,

om allen die treuren te troosten,

3om aan Sions treurenden te schenken:

een kroon op hun hoofd in plaats van stof,

vreugdeolie in plaats van rouw,

feestkledij in plaats van verslagenheid.

Men noemt hen Terebinten van gerechtigheid,

geplant door de HEER als teken van zijn luister.

4Wat al eeuwen verwoest ligt, zullen zij herbouwen,

de lang verlaten streken weer bevolken;

ze herstellen de vervallen steden,

door vroegere generaties verlaten.

5Vreemden staan je ten dienste en hoeden je schapen,

vreemdelingen bewerken je akkers en wijngaarden.

6En jullie worden priesters van de HEER genoemd,

dienaren van onze God zul je heten.

Je zult je tegoed doen aan de rijkdom

door vreemde volken vergaard,

je zult je met hun luister bekleden.

7In plaats van schande en smaad

zul je een dubbele vergoeding ontvangen,

je zult juichen over je lot:

van het land zul je dubbel erven

en eeuwige vreugde is je deel.

8Want Ik, de HEER, heb het recht lief,

Ik haat offers van roofgoed.

Ik zal hen getrouw belonen,

een eeuwig verbond sluit Ik met hen.

9Hun kinderen zullen vermaard zijn bij alle volken,

elke natie kent hun nageslacht.

Dan zullen allen die hen zien erkennen:

‘Dat zijn de kinderen die de HEER heeft gezegend.’

10Ik vind grote vreugde in de HEER,

mijn hele wezen jubelt om mijn God.

Hij deed mij het kleed van de redding aan,

hulde mij in de mantel van de gerechtigheid,

zoals een bruidegom een kroon opzet,

zoals een bruid zich tooit met haar sieraden.

11Want zoals de aarde haar gewassen voortbrengt,

zoals een tuin het gezaaide laat ontkiemen,

zo laat God, de HEER, gerechtigheid ontkiemen

en glorie voor het oog van alle volken.

Jesaja 59-61NBV21Open in de Bijbel

1-2Van de Korachieten, een psalm, een lied.

Boven alle steden van Jakob

heeft de HEER de poorten van Sion lief,

zijn vesting op de heilige bergen.

3Van u wordt met lof gesproken,

stad van God. sela

4‘Ik noem Rahab en Babel mijn getrouwen.

Filistea, Tyrus en Nubië

zijn alle hier geboren.’

5Met recht kan men van Sion zeggen:

‘Welk volk ook, het is hier geboren,

de Allerhoogste houdt Sion in stand.’

6Bij de namen van de volken schrijft de HEER:

‘Dit volk is hier geboren.’ sela

7En dansend zingen zij:

‘Mijn bronnen zijn alleen in u.’

Psalmen 87NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons