Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 237 / Jes. 40-42

Bijbeltekst(en)

Troost voor Jeruzalem

1Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.

2Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend

dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan,

omdat zij een dubbele straf voor haar zonden

uit de hand van de HEER heeft ontvangen.

3Hoor, een stem roept:

‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn,

effen in de wildernis een pad voor onze God.

4Laat elke vallei verhoogd worden

en elke berg en heuvel verlaagd,

laat ruig land vlak worden

en rotsige hellingen rustige dalen.

5De luister van de HEER zal zich openbaren

voor het oog van al wat leeft.

De HEER heeft gesproken!’

6Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’

En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen?

De mens is als gras, teer als een bloem in het veld.

7Het gras verdort en de bloem verwelkt

wanneer de adem van de HEER erover blaast.

Ja, als gras is dit volk.’

8Het gras verdort en de bloem verwelkt,

maar het woord van onze God houdt eeuwig stand.

9Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion,

verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem,

verhef je stem, vrees niet.

Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!’

10Ziehier God, de HEER!

Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen.

Zijn loon heeft Hij bij zich, zijn beloning gaat voor Hem uit.

11Als een herder weidt Hij zijn kudde:

zijn arm brengt de lammeren bijeen,

Hij vlijt ze tegen zijn borst, en zorgzaam leidt Hij de ooien.

God is onvergelijkbaar

12Wie heeft de wateren met holle hand omvat,

de hemel met zijn hand gemeten?

Wie heeft het stof van de aarde met een maatbeker afgepast?

Wie heeft de bergen gewogen op een weegschaal,

de heuvels met balans en gewichten?

13Wie heeft de geest van de HEER gemeten?

Heeft iemand Hem ooit raad gegeven?

14Wie raadpleegt Hij, wie biedt Hem inzicht?

Wie leidt Hem op de paden van het recht?

Wie leidt Hem naar kennis?

Wie toont Hem de weg van het inzicht?

15In zijn ogen zijn de volken

als een druppel in een emmer,

als een stofje op een weegschaal;

de eilanden weegt Hij als zandkorrels.

16Zelfs de Libanon levert te weinig hout,

te weinig wild voor een brandoffer.

17De volken betekenen niets in zijn ogen,

voor Hem zijn ze minder dan niets.

18Met wie wil je God vergelijken,

waarmee is Hij gelijk te stellen?

19Met een godenbeeld misschien?

Dat is door een ambachtsman gemaakt,

door een edelsmid overtrokken

met goud en zilverbeslag.

20Met een beeld op een voetstuk?

Dat is maar een stuk hout dat niet vermolmt.

Iemand heeft het uitgekozen en een vakman gezocht

om een godenbeeld te maken dat niet omvalt.

21Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?

Is het je niet van meet af aan verteld?

Is het niet al helder sinds de grondvesting van de wereld?

22Hij troont boven de schijf van de aarde

– haar bewoners zijn als sprinkhanen –,

Hij spreidt de hemel uit als een doek,

spant hem uit als een tent om in te wonen.

23Hij maakt vorsten nietig,

de leiders van de aarde onbeduidend:

24nauwelijks zijn ze geplant, nauwelijks gezaaid,

nauwelijks hebben ze wortel geschoten,

of Hij blaast over hen, en ze verdorren

en de stormwind neemt hen op als kaf.

25Met wie wil je Mij vergelijken, zegt de Heilige,

aan wie ben Ik gelijk te stellen?

26Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen?

Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken,

Hij roept ze bij hun naam, een voor een;

door zijn kracht en onmetelijke grootheid

ontbreekt er niet één.

27Jakob, waarom zeg je – Israël, waarom beweer je:

‘Mijn weg blijft voor de HEER verborgen,

mijn God heeft geen oog voor mijn recht’?

28Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?

Een eeuwige God is de HEER,

schepper van de einden der aarde.

Hij wordt niet moe, Hij raakt niet uitgeput,

zijn inzicht is niet te doorgronden.

29Hij geeft de vermoeide kracht,

de machteloze geeft Hij macht in overvloed.

30Jongens worden moe en raken uitgeput,

zelfs jonge mannen struikelen,

31maar wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht:

hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar,

hij loopt, maar wordt niet moe,

hij rent, maar raakt niet uitgeput.

Wie bepaalt de loop der dingen?

1Zwijg en hoor Mij aan, eilanden.

Laten de volken nieuwe krachten opdoen,

laten ze naderbij komen, laten ze spreken.

Laten we samen een rechtsgeding voeren.

2Wie liet in het oosten een bevrijder opstaan,

wie heeft hem in dienst genomen?

Wie levert volken aan hem uit

en onderwerpt koningen aan hem?

Zijn zwaard maakt hen tot stof,

zijn boog laat hen als kaf verwaaien;

3hij achtervolgt hen en trekt ongehinderd verder,

zijn voeten raken nauwelijks de grond.

4Wie heeft dat tot stand gebracht?

Wie roept de generaties vanaf het begin?

Ik, de HEER, Ik was de eerste

en ook bij de laatsten zal Ik zijn.

5De eilanden zien het met angst en beven,

de einden der aarde komen sidderend naderbij.

6De mensen schieten elkaar te hulp,

de een zegt tegen de ander: ‘Houd moed!’

7De beeldsnijder spoort de goudsmid aan,

hij die met de hamer plet, prijst hem die op het aambeeld slaat.

Hij bekijkt het soldeersel, zegt: ‘Het is goed,’

en zet het beeld met spijkers vast, zodat het niet omvalt.

8Maar jou, Israël, mijn dienaar,

Jakob, die Ik uitgekozen heb,

nakomeling van Abraham, mijn vriend,

9jou die Ik heb weggehaald van de einden der aarde,

die Ik van haar verste uithoeken terugriep –

jou zeg Ik: Jij bent mijn dienaar,

jou heb Ik uitgekozen, Ik heb je niet afgewezen.

10Wees niet bang, want Ik ben bij je,

vrees niet, want Ik ben je God.

Ik zal je sterken, Ik zal je helpen,

je steunen met mijn bevrijdende rechterhand.

11Allen die zich fel tegen je keerden

zullen gehoond worden en te schande staan.

Zij die jou bestreden

worden minder dan niets en gaan te gronde.

12Zij die jou onderdrukten

zijn onvindbaar, je zoekt ze vergeefs.

De vijanden die jou bevochten

zullen verdwijnen in het niets.

13Want Ik ben de HEER, je God,

Ik neem je bij je rechterhand en zeg je:

Wees niet bang, Ik zal je helpen.

14Wees niet bang, kleine Jakob,

arm volk van Israël,

Ik zal je helpen – spreekt de HEER –,

de Heilige van Israël is je bevrijder.

15Ik maak van jou een scherpe dorsslede,

een nieuwe slede met dubbele sneden.

Bergen zul je dorsen en vermalen,

van heuvels laat je niets over dan kaf.

16Je zult ze wannen, en de wind neemt ze op,

de stormwind jaagt ze uiteen.

Dan zul je juichen om de HEER,

je om de Heilige van Israël gelukkig prijzen.

17Armen en behoeftigen zoeken water – niets!

Hun tong verdroogt van de dorst.

Ik, de HEER, zal hun antwoord geven,

Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten.

18Ik laat op kale heuvels rivieren ontspringen

en bronnen in de valleien.

De woestijn maak Ik tot een waterplas,

dor gebied tot een bronrijke streek.

19Ik plant in de woestijn

ceder en acacia, mirte en olijfwilg,

en Ik laat in de wildernis

den, sneeuwbal en cipres opschieten.

20Dan zullen zij zien en beseffen,

begrijpen en erkennen

dat de hand van de HEER dit heeft verricht,

dat de Heilige van Israël dit alles schiep.

21Voer jullie rechtsgeding, zegt de HEER,

lever overtuigende bewijzen, zegt Jakobs koning.

22Kom ermee voor de dag

en vertel ons wat er gebeuren zal.

Vertel ons over wat eertijds is gebeurd,

zodat wij de afloop kunnen nagaan.

Licht ons in over wat komen gaat,

23kondig aan wat de toekomst zal brengen,

dan weten wij dat jullie goden zijn.

Doe het, hetzij goed, hetzij slecht,

zodat wij het met eigen ogen kunnen zien.

24Maar nee, jullie zijn minder dan niets

en jullie daden hebben geen enkele waarde;

verafschuwd wordt ieder die voor jullie kiest.

25In het noorden liet Ik iemand opstaan, en hij kwam,

in het oosten, waar de zon rijst, riep hij mijn naam.

Hij vertrapt stadhouders als leem,

zoals een pottenbakker de klei treedt.

26Wie heeft hem vanaf het begin aangekondigd,

lang tevoren, zodat wij het wisten

en nu kunnen zeggen: ‘Het is waar!’?

Geen van jullie kondigde iets aan,

geen van jullie lichtte ons in,

niemand heeft een woord van jullie vernomen.

27Ik was de eerste die Sion verkondigde: ‘Kijk, daar zijn ze!’

Ik stuurde Jeruzalem een vreugdebode.

28Ik kijk om me heen, maar er is niemand,

onder jullie zie Ik geen enkele raadgever,

niet één die op mijn vragen kan antwoorden.

29Jullie zijn allemaal even armzalig

en jullie daden betekenen niets;

wind en leegte zijn jullie beelden.

1Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen,

hij is mijn uitverkorene, in hem vind Ik vreugde,

Ik heb hem met mijn geest vervuld.

Hij zal alle volken het recht doen kennen.

2Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet,

hij roept niet luidkeels in het openbaar;

3het geknakte riet breekt hij niet af,

de kwijnende vlam zal hij niet doven.

Het recht zal hij zuiver doen kennen.

4Hij zal niet uitdoven en niet breken

tot hij op aarde het recht heeft gevestigd;

de eilanden zien naar zijn onderricht uit.

5Dit zegt God, de HEER,

die de hemel heeft geschapen en uitgespannen,

die de aarde heeft uitgespreid

met alles wat zij voortbrengt,

die de mensen op aarde levensadem geeft,

en levensgeest aan allen die daar verkeren:

6In gerechtigheid heb Ik, de HEER, jou geroepen.

Ik zal je bij de hand nemen en je behoeden,

Ik neem je in dienst voor mijn verbond met het volk

en maak je tot een licht voor alle volken,

7om blinden de ogen te openen,

om gevangenen te bevrijden uit de kerker,

wie in het duister zitten uit de gevangenis.

8Ik ben de HEER, dat is mijn naam.

Ik deel mijn majesteit niet met een ander,

noch de lof die Mij toekomt met een beeld.

9Wat eertijds werd voorzegd, is nu vervuld

en Ik kondig jullie nieuwe dingen aan,

nog voor ze ontkiemen zal Ik ze openbaren.

10Zing voor de HEER een nieuw lied,

laat zijn lof klinken van de einden der aarde,

jullie die de zee bevaren, en alles wat leeft in zee,

jullie, eilanden, en allen die daarop wonen.

11Laat de woestijn en zijn steden hun stem verheffen,

de tentenkampen waar de stam Kedar leeft;

laten de rotsbewoners uitbarsten in gejuich,

luidkeels roepen vanaf de toppen van de bergen.

12Laten zij eer bewijzen aan de HEER

en zijn lof verkondigen op de eilanden.

13De HEER zal optrekken als een krijgsheld,

als een aanvoerder wakkert Hij de strijdlust aan.

Hij blaast alarm, Hij slaakt een strijdkreet.

Heldhaftig verslaat Hij zijn vijanden.

Een weg door de woestijn

14Al zo lang heb Ik niets gezegd,

Ik heb gezwegen, me beheerst.

Nu schreeuw Ik het uit als een barende vrouw,

Ik zucht en Ik zwoeg tegelijk.

15Bergen en heuvels laat Ik uitdrogen

en alles wat er groeit verdorren,

rivieren maak Ik tot eilanden,

waterplassen vallen droog.

16Blinden laat Ik gaan over onbekende wegen,

op paden die ze niet kennen voer Ik hen.

Voor hen uit verander Ik duisternis in licht,

ruig land maak Ik vlak.

Ja, deze dingen zal Ik doen,

niets daarvan zal Ik nalaten.

17Wie op afgodsbeelden vertrouwt,

tegen een godenbeeld zegt: ‘U bent onze god,’

zal terugdeinzen en zich diep schamen.

18Doven, luister! Blinden, open je ogen en zie!

19Is er iemand zo blind als mijn dienaar,

zo doof als de bode die Ik zend?

Is er iemand zo blind als dit gestrafte volk,

blind als de dienaar van de HEER?

20Het ziet veel, maar onthoudt niets,

het heeft zijn oren open, maar hoort niets.

21De HEER schepte er behagen in

de grote kracht van zijn onderricht te tonen

omwille van zijn rechtvaardigheid.

22Maar nu is het volk beroofd en geplunderd,

zijn jonge strijders zijn geketend

en in de gevangenis gegooid.

Een prooi zijn zij geworden, en niemand die hen redt;

ze zijn buitgemaakt, en niemand die zegt: ‘Geef terug!’

23Is er iemand onder jullie die dit hoort,

die aandachtig luistert en begrijpt wat er nu volgt?

24Wie heeft Jakob tot buit gemaakt,

Israël uitgeleverd aan plunderaars?

Is het niet de HEER,

Hij tegen wie wij hebben gezondigd?

Zij wilden niet de weg gaan die Hij wees,

niet luisteren naar zijn onderricht.

25Hij stortte zijn brandende toorn over hen uit

in allesverterend krijgsgeweld.

Ze waren omringd door vlammen,

maar zagen niet in waarom,

ze stonden in brand, maar trokken er geen lering uit.

Jesaja 40-42NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons