Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 238 / Jes. 43-45, Ps. 115

Bijbeltekst(en)

1Welnu, dit zegt de HEER,

die jou schiep, Jakob, die jou vormde, Israël:

Wees niet bang, want Ik zal je vrijkopen,

Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij!

2Moet je door het water gaan – Ik ben bij je;

of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.

Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,

de vlammen zullen je niet verschroeien.

3Want Ik, de HEER, ben je God,

de Heilige van Israël, je redder.

Voor jou geef Ik Egypte als losgeld,

Nubië en Seba ruil Ik in tegen jou.

4Jij bent zo kostbaar in mijn ogen,

zo waardevol, en Ik houd zo veel van je

dat Ik de mensheid geef in ruil voor jou,

ja alle volken om jou te behouden.

5Wees niet bang, want Ik ben bij je.

Ik haal je nakomelingen uit het oosten terug,

uit het westen breng Ik jullie bijeen.

6Tegen het noorden zeg Ik: Geef hier!

Het zuiden gebied Ik: Laat los!

Breng mijn zonen terug van verre,

mijn dochters van de einden der aarde,

7allen over wie mijn naam is uitgeroepen,

en die Ik omwille van mijn majesteit

geschapen heb, gemaakt en gevormd.

8Laat dit volk naar voren treden,

een blind volk, ook al heeft het ogen,

doof, ook al heeft het oren.

9Alle volken zullen zich verzamelen,

alle naties komen bijeen.

Wie van hun goden heeft aangekondigd

wat eertijds nog te gebeuren stond?

Laten zij getuigen leveren om hun gelijk te bewijzen,

opdat ieder die hen hoort zal zeggen: ‘Het is zo!’

10Mijn getuige zijn jullie – spreekt de HEER –,

mijn dienaar, die Ik uitgekozen heb

opdat jullie Mij zouden kennen en vertrouwen,

en zouden inzien dat Ik het ben.

Vóór Mij is er geen god gevormd,

en na Mij zal er geen zijn.

11Ik, Ik ben de HEER!

Buiten Mij is er niemand die redt.

12Ik heb redding aangekondigd en redding gebracht,

jullie hoorden het van Mij, niet van een vreemde.

Jullie zijn mijn getuige – spreekt de HEER –,

dat Ik alleen God ben

13en dat Ik blijf wat Ik ben.

Wanneer Ik mijn macht laat gelden

is er niemand die redding bieden kan.

Wat Ik tot stand breng, wie maakt het ongedaan?

14Dit zegt de HEER, jullie bevrijder,

de Heilige van Israël:

Omwille van jullie zend Ik iemand naar Babel;

Ik maak alle Chaldeeën tot vluchteling

en jaag hen jammerend hun schepen op.

15Ik ben de HEER, jullie Heilige,

de schepper van Israël, jullie koning.

16Dit zegt de HEER,

die een weg baande door de zee

en een pad door machtige wateren,

17die paarden en wagens liet uitrukken,

een heel leger van geweldenaars –

daar lagen ze, en ze stonden niet meer op,

ze zijn vergaan, als een kwijnende vlam gedoofd.

18Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd,

denk niet terug aan het verleden.

19Zie, Ik ga iets nieuws verrichten,

nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt?

Ik baan een weg door de woestijn,

maak rivieren in de wildernis.

20De wilde dieren zullen Mij eer bewijzen,

de jakhalzen en de struisvogels,

omdat Ik water schep in de woestijn

en rivieren in de wildernis;

het volk dat Ik heb uitgekozen, laat Ik drinken.

21Dit is het volk dat Ik mij gevormd heb,

het zal mijn lof verkondigen.

Terugkeer naar God

22Maar jij hebt niet tot Mij geroepen, Jakob,

jij gaf je geen moeite voor Mij, Israël.

23Je hebt niet aan Mij je schapen geofferd,

Mij met je offers geen eer bewezen.

Ik heb je niet met graanoffers belast

en je niet vermoeid met de plicht

om wierook voor Mij te branden.

24Je hebt van je zilver geen kalmoes voor Mij gekocht,

Mij niet verzadigd met het vet van je offers.

Nee, je hebt Mij met je zonden belast,

Mij vermoeid met al je wandaden.

25Ik, Ik ben het die omwille van zichzelf

je misdaden tenietdoet en aan je zonden niet meer denkt.

26Klaag Mij maar aan,

laten we samen een rechtszaak aangaan,

en voer zelf het woord om je zaak te bepleiten.

27Je eerste voorvader heeft al gezondigd

en je woordvoerders zijn steeds tegen Mij opgestaan.

28Daarom heb Ik de dienaren van het heiligdom ontwijd,

Jakob aan de vernietiging prijsgegeven

en Israël aan spot en hoon.

1Nu dan, luister, Jakob, mijn dienaar,

Israël, dat Ik heb uitgekozen:

2Dit zegt de HEER, die jou gemaakt heeft

en al in de moederschoot gevormd,

en die je steeds te hulp komt:

Wees niet bang, mijn dienaar Jakob,

Jesurun, die Ik heb uitgekozen.

3Ik zal water uitgieten op dorstige grond,

waterstromen over het droge land.

Ik zal mijn geest uitgieten over je nazaten

en mijn zegen over je telgen.

4Zij zullen ontkiemen tussen het gras,

uitbotten als wilgen langs het water.

5De een zal zeggen: ‘Ik hoor bij de HEER,’

de ander zal Jakobs naam gebruiken,

een derde schrijft op zijn hand: ‘Van de HEER

en tooit zich met de naam Israël.

6Dit zegt de HEER, Israëls koning en bevrijder,

de HEER van de hemelse machten:

Ik ben de eerste en de laatste,

er is geen god buiten Mij.

7Wie is zoals Ik? Laat hij het woord nemen.

Laat hij vertellen en aan Mij ontvouwen

wat er te gebeuren stond

vanaf de dag dat Ik de mensheid schiep,

en laat hij onthullen wat er gebeuren gaat.

8Vrees niet, laat je niet door angst verlammen:

heb Ik het je niet vanaf het begin laten horen,

heb Ik het je niet aldoor verteld?

Jullie zijn mijn getuigen: is er een god buiten Mij,

of een andere rots? Ik ken er geen.

9Mensen die godenbeelden maken zijn niets, en hun dierbare maaksels zullen hun niet baten. De mensen die van deze goden getuigen, zien niets en weten niets, zij zullen beschaamd staan. 10Wie vormt er nu een god en giet zo’n nutteloos beeld? 11Die ambachtslieden zijn maar mensen, en daarom zullen al hun bewonderaars te schande staan. Laten ze bijeenkomen en zich opstellen; ze zullen sidderen en zich schamen, zonder uitzondering.

12Een smid hanteert gereedschap om ijzer te smeden in een gloeiend vuur. Hij vormt het met een hamer en bewerkt het met krachtige hand. Maar als hij honger krijgt, verliest hij zijn kracht, en als hij geen water drinkt, raakt hij uitgeput. 13Een beeldsnijder spant een meetlint en geeft de ruwe omtrek aan met een beitel. Dan snijdt hij een figuur uit met een fijn mes en tekent de precieze vorm af met een passer. Hij maakt er een menselijke figuur van, een prachtig beeld, om in een huis te zetten.

14Iemand velt een paar ceders, of hij kiest een pijnboom en een eik, die hij in het bos met andere bomen heeft laten opgroeien; of een laurierboom die hij heeft geplant en die groeide door de regen. 15Ze dienen hem tot brandhout: hij gebruikt het om zich te warmen, of om er brood op te bakken. Of hij bewerkt het tot een god, waarvoor hij knielt; hij maakt er een godenbeeld van waarvoor hij zich neerbuigt. 16Met de ene helft stookt hij een vuur, waarop hij vlees bereidt; hij roostert het vlees en doet zich er tegoed aan. Hij wordt warm en zegt: ‘Ha, lekker warm! Ik zie de gloed van het vuur!’ 17Van de rest maakt hij een god, een godenbeeld waarvoor hij knielt en zich neerbuigt in gebed: ‘Red mij, want u bent mijn god.’

18Ze begrijpen het niet, ze beseffen het niet; blijkbaar zitten hun ogen dichtgeplakt, waardoor ze niets zien en het hun aan inzicht schort. 19Het dringt niet tot hen door, ze missen de kennis en het inzicht om te bedenken: Met de ene helft heb ik een vuur gestookt, op de gloeiende houtskool heb ik brood gebakken en vlees geroosterd om te eten. Van wat overbleef heb ik een gruwelijk beeld gemaakt. Ik buig me dus neer voor een blok hout. 20Wat zij koesteren is as! Hun misleide geest heeft hen op een dwaalspoor gebracht. Ze zijn niet meer te redden, want ze vragen zich niet af: Is wat ik in mijn hand houd eigenlijk geen bedrog?

21Neem deze dingen ter harte, Jakob,

neem ze ter harte, Israël,

want jij bent mijn dienaar.

Ik heb je gevormd, je bent mijn dienaar,

Israël, Ik zal je niet vergeten.

22Ik heb je misdaden als een wolk doen verdampen,

je zonden als de ochtendnevel.

Keer terug naar Mij: Ik zal je vrijkopen.

23Juich, hemel, want de HEER heeft dit gedaan,

jubel, diepten van de aarde,

bergen, breek uit in gejuich,

en ook jullie, bossen met al je bomen:

ja, de HEER koopt Jakob vrij,

in Israël toont Hij zijn luister.

Cyrus door God geroepen

24Dit zegt de HEER, je bevrijder,

die je al in de moederschoot heeft gevormd:

Ik, de HEER, ben het die alles gemaakt heeft,

de enige die de hemel heeft uitgespannen,

die zelf de aarde heeft uitgespreid.

25Die de tekenen van orakelpriesters verstoort

en waarzeggers ontmaskert,

die wijzen naar de achtergrond dringt

en hun kennis bespottelijk maakt,

26die het woord van zijn dienaar gestand doet

en vervult wat zijn boden hebben voorzegd.

Die van Jeruzalem zegt: ‘Het zal weer bewoond worden,’

en van Juda’s steden: ‘Ze zullen herbouwd worden,

en wat verwoest was, laat Ik herrijzen.’

27Die de diepste oceaan gebiedt: ‘Word droog!

Ik zal je waterstromen droogleggen.’

28Die over Cyrus zegt: ‘Dit is mijn herder,

alles wat Ik wil, brengt hij ten uitvoer:

hij geeft opdracht om Jeruzalem te herbouwen

en voor de tempel de fundering te leggen.’

1Dit zegt de HEER tegen Cyrus, zijn gezalfde,

die Hij bij de rechterhand neemt,

aan wie Hij volken onderwerpt,

voor wie Hij koningen ontwapent,

voor wie Hij deuren opent –

geen poort blijft gesloten:

2Ik zal voor je uit gaan,

Ik zal ringmuren slechten,

bronzen deuren verbrijzelen,

ijzeren grendels stukbreken.

3Ik zal je verborgen schatten schenken,

diep weggeborgen rijkdommen.

Dan zul je weten dat Ik de HEER ben,

de God van Israël, die jou bij je naam roept.

4Omwille van mijn dienaar Jakob,

van Israël, dat Ik heb uitgekozen,

heb Ik je bij je naam geroepen

en je met een erenaam getooid,

ofschoon je Mij niet kende.

5Ik ben de HEER, er is geen ander,

buiten Mij is er geen god.

Ik heb je omgord met wapens,

ofschoon je Mij niet kende.

6Zo zal iedereen, van oost tot west,

weten dat er niets is buiten Mij.

Ik ben de HEER, er is geen ander

7die het licht vormt en het donker schept,

die vrede maakt en onheil schept.

Ik ben het, de HEER, die al deze dingen doet.

8Hemel, laat gerechtigheid neerregenen,

laat haar neerstromen uit de wolken.

Laat de aarde zich openen

zodat redding zal ontkiemen

en gerechtigheid ontspruiten.

Ik, de HEER, heb dit alles geschapen.

9Wee degene die de strijd aanbindt

met Hem door wie hij gevormd is –

een potscherf tussen de potscherven.

Zegt de klei soms tegen wie hem vormt:

‘Wat ben je eigenlijk aan het maken?’

of: ‘Deze pot heeft niet eens oren!’

10Wee degene die tegen zijn vader zegt:

‘Wat heb je verwekt?’ en tegen zijn moeder:

‘Wat hebben je barensweeën gebracht?’

11Dit zegt de HEER, de Heilige van Israël,

die Israël gevormd heeft:

Wilden jullie Mij ondervragen

over het lot van mijn kinderen,

of Mij iets voorschrijven

omtrent het werk van mijn handen?

12Ik ben het die de aarde maakte

en de mens op aarde schiep;

mijn handen hebben de hemel uitgespannen,

Ik riep het sterrenleger tevoorschijn.

13Ik ben het die Cyrus liet opstaan in gerechtigheid,

steeds opnieuw baan Ik voor hem de weg.

Hij zal mijn stad herbouwen;

hij geeft mijn ballingen de vrijheid terug,

zonder betaling of steekpenningen te eisen

– zegt de HEER van de hemelse machten.

Alleen de HEER is rechtvaardig en brengt redding

14Dit zegt de HEER:

De Egyptenaren met hun schatten,

de Nubiërs met hun rijkdom

en de rijzige Sabeeërs,

zij zullen komen en jullie toebehoren.

Ze komen in ketenen en volgen je,

ze buigen voor je en belijden:

‘Bij u alleen is een God,

er is geen andere god, niet één.’

15En: ‘Voorwaar, U bent een God die zich verborgen houdt,

de God van Israël, die redding brengt.’

16De ambachtslieden met hun godenbeelden

staan te schande en worden gehoond,

ze worden samen te schande gemaakt.

17Maar Israël wordt door de HEER gered,

Hij brengt redding voor eeuwig.

Jullie staan niet te schande en worden niet gehoond,

in alle eeuwigheid niet.

18Dit zegt de HEER,

die de hemel geschapen heeft – Hij is God! –,

die de aarde gemaakt en gevormd heeft

en die haar heeft gegrondvest –

niet als chaos schiep Hij de aarde,

maar om te bewonen heeft Hij haar gevormd:

Ik ben de HEER, er is geen ander.

19Ik heb niet in het verborgene gesproken,

ergens in een duister oord,

Ik heb Jakobs nageslacht niet gevraagd:

‘Zoek Mij in de chaos.’

Nee, Ik ben de HEER,

al wat Ik zeg is rechtvaardig,

wat Ik aankondig is waarachtig.

20Laten wie uit de volken zijn ontkomen zich verzamelen,

laat hen allen naderbij komen.

Wie een houten godenbeeld ronddraagt, heeft geen verstand.

Wie bidt er nu tot een god die niet redt?

21Kom hier, overleg met elkaar en vertel:

Wie heeft dit van meet af aan laten horen,

wie heeft het lang tevoren aangekondigd?

Was Ik dat niet, de HEER?

Buiten Mij is er geen god.

Alleen Ik ben een rechtvaardige God,

alleen Ik breng redding.

22Keer terug naar Mij en laat je redden,

ook jullie aan de einden der aarde;

want Ik ben God, er is geen ander.

23Ik heb bij mijzelf gezworen:

Uit mijn mond komt gerechtigheid voort,

een woord dat Ik spreek wordt niet herroepen.

Voor Mij zal elke knie zich buigen

en elke tong zal bij Mij zweren.

24‘Alleen bij de HEER,’ zal men zeggen,

‘is gerechtigheid en macht te vinden.’

Allen die zich tegen Hem keerden

zullen tot Hem komen en beschaamd staan.

25Heel het nageslacht van Israël

zal bij de HEER recht vinden

en zich gelukkig prijzen.

Jesaja 43-45NBV21Open in de Bijbel

1Niet ons, HEER, niet ons,

geef uw naam alle eer,

om uw liefde, uw trouw.

2Waarom zeggen de volken:

‘Waar is die God van hen?’

3Onze God is in de hemel,

Hij doet wat Hem behaagt.

4Hun goden zijn van zilver en goud,

gemaakt door mensenhanden.

5Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken,

ze hebben ogen, maar kunnen niet zien,

6ze hebben oren, maar kunnen niet horen,

ze hebben een neus, maar kunnen niet ruiken.

7Hun handen kunnen niet tasten,

hun voeten kunnen niet lopen,

geen geluid komt uit hun keel.

8Zoals zij, zo worden ook hun makers,

en ieder die op hen vertrouwt.

9Israël, vertrouw op de HEER

– hun hulp is Hij, hun schild –

10huis van Aäron, vertrouw op de HEER

– hun hulp is Hij, hun schild –

11u die de HEER vreest, vertrouw op de HEER

– hun hulp is Hij, hun schild.

12De HEER gedenkt en zegent ons,

zegenen zal Hij het volk van Israël,

zegenen het huis van Aäron,

13zegenen wie de HEER vrezen,

van klein tot groot.

14Moge de HEER u talrijk maken,

u en uw kinderen.

15Moge de HEER u zegenen,

Hij die hemel en aarde gemaakt heeft.

16De hemel is de hemel van de HEER,

de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven.

17Niet de doden loven de HEER,

niet wie zijn afgedaald in de stilte,

18wij zijn het, wij zegenen de HEER,

van nu tot in eeuwigheid.

Halleluja!

Psalmen 115NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons