Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 236 / Gal. 4-6

Bijbeltekst(en)

1Ik bedoel dit: Zolang een erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, ook al is hij reeds de eigenaar van alles. 2Hij staat onder voogdij en toezicht tot het door zijn vader vastgestelde tijdstip is gekomen. 3Op dezelfde manier waren ook wij, toen we nog onmondig waren, als slaaf onderworpen aan de machten van de wereld. 4Maar toen de bestemde tijd gekomen was, zond God zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet, 5om ons, die aan de wet onderworpen waren, vrij te kopen opdat wij als kind aangenomen zouden worden. 6En omdat u zijn kinderen bent, heeft God in ons hart de Geest van zijn Zoon gezonden, die ‘Abba, Vader’ roept. 7U bent nu dus geen slaven meer, maar kinderen en als zodanig erfgenamen, dankzij God.

8Vroeger, toen u God nog niet kende, onderwierp u zich aan goden die helemaal geen goden zijn. 9Hoe is het dan toch mogelijk dat u zich nu, terwijl u God hebt leren kennen – meer nog, door God gekend bent – opnieuw tot die zwakke, armzalige machten wendt en u daaraan weer als slaaf wilt onderwerpen? 10U houdt u aan vastgestelde dagen, maanden, seizoenen en jaren? 11Ik vrees dat al mijn inspanningen voor u zinloos zijn geweest.

Vrijheid en slavernij

12Broeders en zusters, ik smeek u, word zoals ik, want ik ben geworden zoals u. U hebt mij in geen enkel opzicht onrecht aangedaan. 13Weet u nog, de eerste keer dat ik u het evangelie heb verkondigd? Ik kwam bij u omdat ik ziek was, 14en hoewel mijn ziekte u er alle aanleiding toe gaf, hebt u mij toch niet veracht of verstoten, maar mij in uw midden opgenomen alsof ik een engel van God was of Christus Jezus zelf. 15Toen prees u zich gelukkig. Wat is daar nu nog van over? Ik kan van u getuigen dat u zelfs uw ogen zou hebben uitgerukt om ze mij te geven. 16Ben ik dan nu ineens uw vijand geworden, omdat ik u de waarheid zeg? 17Die anderen spannen zich voor u in, maar hun bedoelingen zijn slecht: ze willen een wig drijven tussen u en ons, en dan moet u zich voor hén inspannen. 18Het is goed als u zich inspant, maar dan wel voor de goede zaak, en doe het bovendien altijd, dus niet alleen wanneer ik bij u ben. 19Kinderen, zolang Christus geen gestalte in u krijgt, doorsta ik telkens weer barensweeën om u. 20Hoe graag zou ik nu bij u willen zijn en op een andere toon met u spreken, want ik maak me ernstig zorgen over u.

21Vertelt u eens, u wilt aan de wet onderworpen zijn, maar luistert u wel naar de wet? 22Er staat immers geschreven dat Abraham twee zonen had: één van zijn slavin en één van zijn vrijgeboren vrouw. 23De zoon van de slavin werd geboren volgens de loop van de natuur, maar die van de vrijgeboren vrouw dankte zijn geboorte aan de belofte. 24Dit heeft een diepere betekenis: de vrouwen staan voor twee verbonden. Het ene is het verbond van de Sinai in Arabië, dat slaven baart – dat is Hagar. 25Als beeld van dat verbond staat Hagar voor het huidige Jeruzalem, dat met haar kinderen in slavernij leeft. 26Maar het hemelse Jeruzalem is vrij, en dat is onze moeder, 27want er staat geschreven: ‘Wees verheugd, onvruchtbare vrouw, jij die niet baart. Jubel en juich, jij die geen weeën kent. Want de kinderen van de eenzame vrouw zullen talrijker zijn dan die van de gehuwde.’ 28En u, broeders en zusters, bent net als Isaak kinderen van de belofte. 29Maar zoals destijds de zoon die krachtens de natuur geboren werd de zoon vervolgde die krachtens de Geest geboren werd, zo worden nu ook wij vervolgd. 30Maar wat zegt de Schrift? ‘Jaag de slavin en haar zoon weg, want de zoon van de slavin mag niet met de zoon van de vrijgeboren vrouw delen in de erfenis.’ 31Kortom, broeders en zusters, wij zijn geen kinderen van de slavin, maar van de vrijgeboren vrouw.

1Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen. 2Luister naar wat ik, Paulus, tegen u zeg: als u zich laat besnijden, zal Christus u niets baten. 3Nogmaals, ik verzeker u dat iedereen die zich laat besnijden verplicht is om de hele wet na te leven. 4Als u probeert rechtvaardig verklaard te worden door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt en hebt u Gods genade verspeeld. 5Want door de Geest hopen en verwachten wij dat we op grond van geloof rechtvaardig verklaard worden. 6In onze eenheid met Christus Jezus is het niet van belang of iemand besneden is of niet, maar telt alleen het geloof, dat zich uit in liefde.

7U was zo goed op weg, wie heeft u verhinderd de waarheid te blijven volgen? 8Niet Hij die u geroepen heeft. 9Bedenk: al een beetje desem maakt het hele deeg zuur. 10De Heer geeft mij het vertrouwen dat u en ik het daar volledig over eens zijn. Maar degenen die u in verwarring brengen zullen worden gestraft, wie ze ook zijn. 11En wat mijzelf betreft, broeders en zusters, als ik nog altijd de besnijdenis zou verkondigen, waarom word ik dan vervolgd? Dan zou het kruis toch geen aanstoot meer geven? 12Ze moesten alles er maar af laten snijden, die onruststokers!

Leven door de Geest

13Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw aardse begeerten vrij spel te geven, maar dien elkaar in liefde, 14want de hele wet is vervuld in één uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ 15Maar wanneer u elkaar aanvliegt en verscheurt, pas dan maar op dat u niet door elkaar wordt verslonden. 16Ik zeg u dus: laat u leiden door de Geest, dan zult u niet toegeven aan aardse begeerten. 17De aardse begeerte gaat in tegen de Geest, en wat de Geest verlangt gaat in tegen de aardse begeerte. Het een is in strijd met het ander, en u kunt dus niet zomaar doen wat u wilt. 18Maar wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet. 19De praktijken waartoe de aardse begeerte aanzet zijn bekend: ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, 20afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, 21afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen. Ik herhaal de waarschuwing die ik u al eerder gaf: wie zich aan deze dingen overgeven, zullen geen deel hebben aan het koninkrijk van God. 22Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, 23zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft. 24Wie Christus Jezus toebehoort, heeft zijn aardse natuur met alle hartstocht en begeerte aan het kruis geslagen. 25Als we leven door de Geest, laten we de Geest dan ook volgen. 26Laten we elkaar niet uit eigenwaan de voet dwars zetten of een kwaad hart toedragen.

1Broeders en zusters, wanneer u merkt dat een van u een misstap heeft begaan moet u, die door de Geest geleid wordt, hem zachtmoedig weer op het rechte pad brengen. Pas op dat u ook zelf niet tot misstappen wordt verleid. 2Draag elkaars lasten, zo brengt u de wet van Christus tot vervulling. 3Wie denkt dat hij iets is terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf. 4Laat iedereen zijn eigen daden toetsen, dan heeft hij misschien iets om trots op te zijn, zonder zich er bij anderen op te laten voorstaan. 5Want ieder mens draagt zijn eigen verantwoordelijkheid.

6Wie onderwezen wordt in het evangelie, moet al het goede dat hij bezit met zijn leermeester delen. 7Vergis u niet, God laat niet met zich spotten: wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. 8Wie zaait op de akker van zijn aardse natuur, zal verderf oogsten, maar wie zaait op de akker van de Geest, oogst eeuwig leven. 9Laten we daarom het goede doen, zonder op te geven, want als we niet verzwakken zullen we oogsten wanneer de tijd daarvoor gekomen is. 10Laten we dus, in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten.

11U ziet het aan de grote letters: ik schrijf u nu eigenhandig. 12Degenen die u dwingen u te laten besnijden willen daarmee goede sier maken, alleen maar om te voorkomen dat ze worden vervolgd omwille van het kruis van Christus. 13Ze zijn voor de besnijdenis maar leven zelf niet volgens de wet; ze willen dat u zich laat besnijden om zich daarop te kunnen laten voorstaan. 14Maar ik – ik wil me op niets anders laten voorstaan dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij is gekruisigd en ik voor de wereld. 15Het doet er niet toe of iemand besneden is of niet, maar alleen of iemand een nieuwe schepping is. 16Moge er vrede en barmhartigheid zijn voor allen die bij deze maatstaf blijven, en voor het Israël van God. 17En laat voortaan niemand mij meer tegenwerken, want ik draag de littekens van Jezus in mijn lichaam.

18Broeders en zusters, de genade van onze Heer Jezus Christus zij met u. Amen.

Galaten 4-6NBV21Open in de Bijbel

“Je hebt het eerste deel van het boek Jesaja achter de rug. Een pittige tekst, waarin geen doekjes worden gewonden om Gods woede over onrecht. Maar ook een tekst met prachtige beloftes voor een veilige en lichte toekomst.

Voordat je verder gaat met het tweede deel van Jesaja, lees je de brief aan de Galaten. Deze brief van Paulus zit vol emoties. Paulus is teleurgesteld en zelfs boos, omdat de christenen de boodschap over de vrijheid die Christus brengt hebben ingeruild voor wette en regels. De meeste christenen in Galatië zijn niet joods. Toch zijn er mensen die tegen hen hebben gezegd dat ze zich aan de joodse wet moeten houden, bijvoorbeeld door zich te laten besnijden. Paulus gaat daar fel tegenin: je hoort bij God en je wordt een nieuw mens door wat Christus heeft gedaan, niet doordat je je aan allerlei regels houdt.

Na de brief aan de Galaten ga je verder in Jesaja. Dit deel van het boek gaat over het einde van de ballingschap in Babylonië. God ziet weer om naar zijn volk, en het moment waarop ze weer naar hun eigen land mogen, is in zicht. In dit deel lees je vaak over Gods dienaar: iemand die Gods wil doet, die door de mensen niet serieus wordt genomen en die door zijn lijden de schuld van anderen op zich neemt. Wie bedoelt de profeet hiermee? Soms is duidelijk dat het over het volk Israël gaat, of over het deel van het volk dat trouw is gebleven aan God. Soms lijkt het over één persoon te gaan: een nieuwe leider die het volk weer bij God terugbrengt. De eerste christenen zagen in de dienaar Jezus Christus, Gods gezalfde, die hen door zijn lijden gered had.”

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons