Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 233 / Jes. 36-37, Ps. 91

Bijbeltekst(en)

Jeruzalem door Sanherib bedreigd

1In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia trok koning Sanherib van Assyrië op tegen de versterkte steden van Juda en nam ze in. 2Vanuit Lachis stuurde de koning van Assyrië een van zijn hoogwaardigheidsbekleders, de rabsake, met een geweldig leger naar koning Hizkia. Hij hield halt bij de watertoevoer naar het bovenste waterbekken, aan de straat van het bleekveld. 3Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen naar hem toe. 4De rabsake zei tegen hen: ‘Zeg tegen Hizkia: “Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: ‘Waarop berust toch dat vertrouwen van u? 5Denkt u soms dat mooie beloften opwegen tegen strategie en militaire macht? In wie stelt u zo veel vertrouwen dat u tegen mij in opstand durft te komen? 6U vertrouwt op Egypte, die geknakte rietstok die je hand doorboort wanneer je probeert erop te leunen! Want meer heeft de farao, de koning van Egypte, niet te betekenen voor degenen die hun vertrouwen in hem stellen. 7En u kunt mij nu wel zeggen: “Wij stellen ons vertrouwen in de HEER, onze God,” maar was het niet juist die God wiens offerplaatsen en altaren u, Hizkia, hebt laten verwijderen? U hebt immers tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem gezegd: “Alleen voor dit altaar mag u neerknielen”?’ 8Welnu, waag uw kans met mijn heer, de koning van Assyrië. Hij zal u tweeduizend paarden geven, mits u in staat bent de ruiters ervoor te leveren. 9Zolang u voor strijdwagens en ruiters op Egypte vertrouwt, zult u immers nog niet één enkel provinciehoofd, een van de minste dienaars van mijn heer, kunnen weerstaan. 10U denkt toch niet dat hij zonder instemming van de HEER is opgetrokken om dit land te vernietigen? De HEER heeft hem gezegd: ‘Val dit land aan en vernietig het.’”’ 11Eljakim, Sebna en Joach zeiden tegen de rabsake: ‘Spreek alstublieft Aramees met ons, heer; wij verstaan dat. Spreek toch geen Judees tegen ons, het volk op de muur luistert mee.’ 12Maar de rabsake antwoordde: ‘Dacht u dat mijn heer mij gestuurd heeft om het woord uitsluitend tot uw heer en u te richten? Onze woorden zijn net zo goed bestemd voor de mensen daar op de muur, die binnenkort net als u hun eigen drek zullen eten en hun eigen pis zullen drinken.’ 13En hij rechtte zijn schouders, verhief zijn stem en riep, in het Judees: ‘Luister naar wat de grote koning, de koning van Assyrië, u te zeggen heeft! 14Dit zegt de koning: “Laat u niet door Hizkia misleiden, hij is niet in staat u te redden. 15Laat u niet door hem overhalen uw vertrouwen te stellen in de HEER. Als hij beweert: ‘De HEER zal ons vast en zeker redden en deze stad zal niet in handen vallen van de koning van Assyrië,’ 16luister dan niet naar hem. Want dit zegt de koning van Assyrië: ‘Geef u over en stel u onder mijn hoede, dan kan ieder van u van zijn wijnstok en zijn vijgenboom eten en het water uit zijn eigen put drinken, 17tot ik kom en u meevoer naar een land dat niet onderdoet voor dat van u: een land van graan en wijn, van brood en wijngaarden. 18Laat Hizkia u geen valse hoop geven met zijn bewering dat de HEER u zal redden. Hebben de goden van andere volken hun land dan gered uit de handen van de koning van Assyrië? 19Waar zijn de goden van Hamat en Arpad gebleven, waar waren de goden van Sefarwaïm? Hebben die Samaria soms uit mijn handen gered? 20Als geen enkele god in staat is gebleken zijn land uit mijn handen te redden, hoe zou dan de HEER Jeruzalem kunnen redden?’”’ 21Maar zij zwegen en antwoordden met geen woord, want zo had de koning het bevolen.

22Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen met gescheurde kleren naar Hizkia om hem de woorden van de rabsake over te brengen.

1Zodra koning Hizkia de boodschap hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een rouwkleed aan en begaf zich naar de tempel van de HEER. 2Hofmeester Eljakim, hofschrijver Sebna en de oudsten van de priesters stuurde hij gehuld in rouwkleren naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos. 3Ze zeiden hem: ‘Dit zegt Hizkia: “Deze dag is er een van angst, straf en vernedering: het is als bij een geboorte waarbij de baarmoeder ontsloten is maar de kracht om te baren ontbreekt. 4Maar misschien slaat de HEER, uw God, acht op wat de rabsake gezegd heeft, die door zijn heer, de koning van Assyrië, hierheen is gestuurd om de levende God te honen, en misschien zal Hij die belediging vergelden. Bid daarom voor degenen van ons volk die er nog over zijn.”’ 5Zo kwamen de hovelingen van koning Hizkia bij Jesaja, 6en Jesaja antwoordde hun: ‘Zeg tegen uw koning: “Dit zegt de HEER: Laat je niet ontmoedigen door de woorden waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij hebben bespot. 7Ik zal hem een geest sturen en hem een gerucht laten influisteren waardoor hij naar zijn eigen land terugkeert, en daar zal Ik hem een gewelddadige dood laten sterven.”’

8Inmiddels had de rabsake zich weer bij zijn koning gevoegd, die, zoals hij had vernomen, zijn kamp bij Lachis had opgebroken en nu de aanval had geopend op Libna. 9Maar Sanherib ving het gerucht op dat koning Tirhaka van Nubië was uitgetrokken om de strijd met hem aan te binden en zond, toen hij dat hoorde, gezanten naar Hizkia, met de opdracht: 10‘Zeg tegen koning Hizkia van Juda: “Laat u niet misleiden door uw God, in wie u uw vertrouwen hebt gesteld omdat Hij u heeft toegezegd dat Jeruzalem niet in handen zal vallen van de koning van Assyrië. 11U hebt toch zelf gehoord hoe de koningen van Assyrië alle landen vernietigd hebben. Zou u dan gered worden? 12Gozan, Charan, Resef en de inwoners van Eden in Telassar, die door mijn voorouders werden uitgeroeid, zijn toch ook niet door hun goden gered? 13En wat is er geworden van de koningen van Hamat en Arpad, en van de koningen van de stad Sefarwaïm en van Hena en Iwwa?”’

14Toen Hizkia de brief had gelezen die de boden hem overhandigd hadden, ging hij naar de tempel van de HEER en legde de brief daar open voor Hem neer. 15En hij bad tot de HEER: 16HEER van de hemelse machten, God van Israël, U die op de cherubs troont, U alleen bent God van alle koninkrijken op aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 17Leen mij uw oor, HEER, en luister, open uw ogen en zie toe. Hoor met welke woorden Sanherib de levende God hoont. 18Het is waar, HEER, de koningen van Assyrië hebben alle landen verwoest 19en hun goden aan het vuur prijsgegeven. Dat waren dan ook geen goden, het waren slechts maaksels van mensenhanden, beelden van hout en steen, die ze vernietigd hebben. 20Ik vraag U, HEER, onze God: red ons uit zijn handen, opdat alle koninkrijken op aarde zullen beseffen dat U, HEER, de enige bent.’

21Jesaja, de zoon van Amos, liet Hizkia weten: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Wat je gebed over koning Sanherib van Assyrië aangaat, 22dit is wat Ik, de HEER, over hem zeg:

Vrouwe Sion minacht je, ze lacht je uit,

meewarig schudt Jeruzalem haar hoofd.

23Weet wie je hebt beledigd en bespot,

wie je hebt uitgejouwd, uitdagend aangekeken:

het was de Heilige van Israël!

24Bij monde van je knechten heb je de Heer gehoond. Je zei:

“Mijn vele strijdwagens brachten mij tot op de hoogste bergen,

tot in de verste hoeken van de Libanon.

Zijn hoogste ceders velde ik, zijn mooiste cipressen.

Ik drong door tot zijn hoogste toppen, tot in zijn diepste woud.

25Ik heb gegraven en water gedronken,

de stromen van Egypte met mijn voeten drooggelegd.”

26Heb je niet gehoord dat Ik dit lang tevoren heb beschikt?

In een ver verleden nam Ik het me voor,

nu is de tijd gekomen dat Ik het volbreng.

Onneembare steden worden in puin gelegd,

27hun inwoners staan machteloos, ze zijn verbijsterd en beschaamd.

Als jonge scheuten op de akker zijn ze, als pril groen,

tere sprietjes op het dak, verschroeid nog voor ze opgekomen zijn.

28Maar Ik ken je, Ik weet het als je zit of staat,

als je gaat of komt.

Ik weet hoe je tekeergaat tegen Mij;

29Ik zie je zelfgenoegzaamheid,

je razernij is tot mijn oren doorgedrongen.

Ik sla mijn haak door je neus en leg mijn bit in je mond

en voer je terug over de weg waarlangs je gekomen bent.

30Jou, Hizkia, geef Ik het volgende teken: Dit jaar zul je eten wat er na de oogst toevallig nog opkomt, en volgend jaar onkruid, maar het jaar daarna kun je zaaien en oogsten, wijngaarden planten en van de opbrengst eten. 31De Judeeërs die ontkomen, zij die overblijven, zullen wortel schieten en vrucht dragen, 32want wie het overleven en ontkomen, zullen zich vanuit Jeruzalem, vanaf de Sion verspreiden. De HEER van de hemelse machten zal dat in zijn vurige liefde tot stand brengen. 33Daarom – dit zegt de HEER over de koning van Assyrië: Hij zal deze stad niet te na komen. Hij zal er geen pijl op afschieten, geen schild tegen opheffen en geen bestormingsdam tegen opwerpen. 34Hij zal terugkeren over de weg waarlangs hij gekomen is en deze stad niet te na komen – spreekt de HEER. 35Omwille van mijzelf en omwille van mijn dienaar David zal Ik deze stad beschermen en haar bevrijden.’

36Toen trok een engel van de HEER ten strijde en doodde in het kamp van de Assyriërs honderdvijfentachtigduizend man. De volgende ochtend zag men niets dan lijken liggen. 37Koning Sanherib van Assyrië brak het beleg op en keerde voorgoed terug naar Nineve. 38Daar werd hij, terwijl hij neerknielde in de tempel van zijn god Nisroch, vermoord door zijn zonen Adrammelech en Sareser, die vervolgens naar Ararat wisten te ontkomen. Zijn zoon Esarhaddon volgde hem op.

Jesaja 36-37NBV21Open in de Bijbel

1Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont

en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende,

2zegt tegen de HEER: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting,

mijn God, op U vertrouw ik.’

3Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger

en redt je van de dodelijke pest,

4Hij zal je beschermen met zijn vleugels,

onder zijn wieken vind je een toevlucht,

zijn trouw is een schild en pantser.

5De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen,

ook de pijl niet die overdag op je afvliegt,

6noch de pest die rondwaart in het donker,

noch de plaag die toeslaat midden op de dag.

7Al vallen er duizend aan je linkerzijde

en tienduizend aan je rechterhand,

jou zal niets overkomen.

8Open je ogen en zie

hoe wie kwaad doen worden gestraft.

9U bent mijn toevlucht, HEER.

Als je mag wonen bij de Allerhoogste,

10zal het kwaad je niet bereiken,

geen plaag je tent ooit treffen.

11Zijn engelen geeft Hij opdracht

over je te waken waar je ook gaat.

12Op hun handen zullen zij je dragen,

je zult je voet niet stoten aan een steen.

13Leeuw en adder zul je vertrappen,

roofdier en slang vermorzelen.

14‘Ik zal bevrijden wie Mij liefheeft

en beschermen wie met mijn naam vertrouwd is.

15Wie Mij aanroept, geef Ik antwoord,

in de nood zal Ik bij hem zijn.

Ik zal hem bevrijden en met roem overladen,

16hem overvloed van dagen geven.

Ik zal zijn redding zijn.’

Psalmen 91NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons