Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 224 / 2Kon. 24-25, Ps. 137

Bijbeltekst(en)

1Tijdens de regering van Jojakim viel koning Nebukadnessar van Babylonië het land binnen en maakte hij Jojakim tot zijn vazal. En toen Jojakim na drie jaar rebelleerde en tegen Nebukadnessar in opstand kwam, 2stuurde de HEER benden Chaldeeën, Arameeërs, Moabieten en Ammonieten op hem af, die Hij Juda liet binnenvallen om het te vernietigen, zoals Hij bij monde van zijn dienaren, de profeten, had voorzegd. 3Dit overkwam Juda omdat de HEER zelf het zo beschikt had; Hij verstootte het vanwege alle zonden die Manasse had bedreven. 4Wat de HEER hem vooral niet vergaf, was dat hij onschuldig bloed had vergoten – hij had Jeruzalem gevuld met onschuldig bloed.

5Verdere bijzonderheden over Jojakim zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 6Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde zijn zoon Jojachin hem op. 7De koning van Egypte ondernam geen veldtochten meer buiten zijn eigen land, want de koning van Babylonië had heel het gebied dat aan de koning van Egypte toebehoorde ingenomen, vanaf de wadi die de grens met Egypte vormt tot aan de Eufraat.

Jojachin, koning van Juda

8Jojachin was achttien jaar oud toen hij koning werd. Drie maanden regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Nechusta, de dochter van Elnatan, uit Jeruzalem. 9Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals zijn vader.

10Het was in die tijd dat veldheren van koning Nebukadnessar van Babylonië tegen Jeruzalem optrokken en het beleg voor de stad geslagen werd. 11Toen koning Nebukadnessar zelf voor de belegerde stad verscheen, 12gaf koning Jojachin van Juda zich samen met zijn moeder, zijn hovelingen, zijn legeraanvoerders en zijn kamerheren aan de koning van Babylonië over; deze nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. 13Nebukadnessar haalde alle schatten weg uit de tempel van de HEER en het koninklijk paleis en haalde alle gouden versieringen los die koning Salomo van Israël in de grote zaal van de tempel had aangebracht, zoals de HEER had voorzegd. 14Heel Jeruzalem werd in ballingschap weggevoerd: alle legeraanvoerders en alle krijgslieden, tienduizend man, en alle handwerkslieden en smeden; alleen de onaanzienlijksten van het gewone volk bleven achter. 15Koning Jojachin werd als balling meegevoerd naar Babel, samen met zijn moeder, zijn vrouwen, zijn kamerheren en de notabelen. 16Ook zevenduizend militairen en duizend handwerkslieden en smeden, allen betrokken bij het krijgsbedrijf, werden door de koning van Babylonië in ballingschap weggevoerd. 17Hij stelde Mattanja, een oom van Jojachin, in diens plaats als koning aan en veranderde zijn naam in Sedekia.

Sedekia, koning van Juda; de verwoesting van Jeruzalem

18Sedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jirmeja, uit Libna. 19Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals Jojakim. 20De HEER was zo woedend op Jeruzalem en Juda dat Hij ze uiteindelijk verstootte.

Sedekia kwam tegen de koning van Babylonië in opstand.

1In het negende jaar van zijn regering, op de tiende dag van de tiende maand, kwam Nebukadnessar, de koning van Babylonië, met heel zijn leger bij Jeruzalem aan. Hij sloeg er zijn kamp op en wierp een wal op rondom de stad. 2Het beleg van de stad duurde tot in het elfde regeringsjaar van koning Sedekia. 3Op de negende dag van de maand – de hongersnood in de stad was ondraaglijk geworden, er was voor de bevolking niets meer te eten – 4werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Hoewel de Chaldeeën rondom de stad lagen, wisten alle soldaten ’s nachts te ontkomen via de poort tussen de beide stadsmuren die uitkwam op de tuin van de koning. De koning vluchtte in de richting van de Jordaanvallei, 5maar het Chaldese leger zette de achtervolging in en haalde hem in op de vlakte van Jericho. Heel zijn leger werd uiteengeslagen 6en de koning zelf namen ze gevangen. Ze brachten hem naar Ribla, naar de koning van Babylonië, en daar werd hij berecht. 7Eerst werden zijn zonen voor zijn ogen afgeslacht en toen werden hem de ogen uitgestoken. Daarna werd hij naar Babel weggevoerd, geboeid met bronzen ketenen.

8Op de zevende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië, trok diens dienaar Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen. 9Hij stak de tempel van de HEER in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op. 10Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de muren van Jeruzalem neer. 11De mensen die nog in de stad waren overgebleven, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babylonië waren overgelopen, kortom iedereen die nog over was. 12Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen.

13De bronzen zuilen bij de tempel van de HEER, de verrijdbare onderstellen van de spoelbekkens en het grote bronzen bekken, de Zee, werden door de Chaldeeën uit elkaar gehaald; het brons namen ze mee naar Babel. 14Ook de potten, scheppen, messen, kommen en het andere bronzen tempelgerei namen ze mee. 15Verder nam commandant Nebuzaradan alles mee wat maar van goud of zilver was, zoals de vuurbakken en de offerschalen. 16De twee zuilen, de Zee, waarvan er maar één was, en de verrijdbare onderstellen die Salomo voor de tempel van de HEER had laten maken, bevatten samen een niet te wegen massa brons. 17De zuilen waren achttien el hoog en bekroond met een bronzen kapiteel van drie el. Daaromheen zat een vlechtwerk, versierd met granaatappels van massief brons.

18De hogepriester Seraja, zijn plaatsvervanger Sefanja en de drie priesters die aan het hoofd van de tempelwacht stonden, werden door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, gevangengenomen. 19En uit de stad haalde hij de raadsheer die belast was met oorlogszaken, vijf van de vertrouwelingen die vrij toegang hadden tot de koning, de secretaris van de opperbevelhebber die tot taak had het volk onder de wapenen te roepen, en zestig mensen uit het gewone volk. 20Deze personen werden door Nebuzaradan gevangengenomen en naar Ribla overgebracht, naar de koning van Babylonië. 21Deze liet hen in Ribla, in het gebied van Hamat, ter dood brengen.

Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd in ballingschap. 22Over het deel van het volk dat van koning Nebukadnessar van Babylonië in Juda mocht blijven, stelde hij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, als gouverneur aan. 23Toen de bevelhebbers van het leger en hun manschappen daarvan hoorden, zochten zij Gedalja in Mispa op: Jismaël, de zoon van Netanja, Jochanan, de zoon van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet uit Netofa, en Jaäzanja, de zoon van iemand uit Maächa, allen met hun mannen. 24Gedalja bezwoer de bevelhebbers en hun mannen: ‘Van de Chaldese ambtenaren hebt u niets te vrezen. U kunt in het land blijven wonen, en zolang u de koning van Babylonië dient zal het u goed gaan.’ 25Maar in de zevende maand van dat jaar kwam Jismaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, die tot de koninklijke familie behoorde, met tien mannen naar Mispa. Ze doodden Gedalja en de Judeeërs en Chaldeeën die bij hem waren. 26Uit angst voor de Chaldeeën nam daarop heel het volk, van hoog tot laag, met de bevelhebbers van het leger de vlucht naar Egypte.

Gratie voor Jojachin

27In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda, op de zevenentwintigste dag van de twaalfde maand, verleende koning Ewil-Merodach van Babylonië hem ter gelegenheid van zijn troonsbestijging gratie en hij ontsloeg hem uit de gevangenis. 28Koning Ewil-Merodach verzekerde hem van zijn welwillendheid en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die gedwongen in Babel verbleven. 29Jojachin hoefde niet langer gevangeniskleren te dragen en werd voor de rest van zijn leven aan het hof opgenomen. 30In zijn dagelijks onderhoud werd voortaan door de koning voorzien, zijn leven lang.

2 Koningen 24-25NBV21Open in de Bijbel

1Aan de rivieren van Babel,

daar zaten wij treurend

en dachten aan Sion.

2Aan de wilgen op de oever

hingen wij onze lieren.

3Daar durfden onze bewakers

te vragen om een lied,

daar vroegen onze beulen:

‘Zing voor ons

een vrolijk lied uit Sion.’

4Hoe zouden wij zingen

een lied van de HEER

op vreemde grond?

5Als ik jou vergeet, Jeruzalem,

laat dan mijn hand de snaren vergeten.

6Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven

als ik niet meer denk aan jou,

als ik Jeruzalem niet stel

boven alles wat mij verheugt.

7Gedenk, HEER,

de dag van Jeruzalems val,

toen het volk van Edom zei:

‘Neer met die stad, neer,

maak haar met de grond gelijk.’

8Vrouwe Babel, weldra ga je ten onder.

Gelukkig wie jou je misdaad vergeldt

en doet wat jij ons hebt aangedaan.

9Gelukkig wie jouw kinderen grijpt

en op de rotsen verbrijzelt.

Psalmen 137NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons