Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 225 / Jes. 13-15, Ps. 49

Bijbeltekst(en)

De ondergang van Babylonië en Assyrië

1Profetie over Babylonië; het visioen van Jesaja, de zoon van Amos.

2Steek op een kale berg de strijdvaan op,

roep op tot de strijd en geef het teken

dat zij optrekken naar de poorten van de edelen.

3Ik heb mijn heilige legers bevel gegeven,

mijn krijgshelden opgeroepen mijn wraak te voltrekken,

juichend over mijn majesteit.

4Hoor het rumoer in de bergen,

de opmars van een groot leger,

hoor het tumult van de koninkrijken,

de volken die zich aaneensluiten:

de HEER van de hemelse machten monstert zijn troepen.

5Daar komen ze, uit een ver land,

van de verste plaats onder de hemel:

de HEER komt heel het land verwoesten

met de werktuigen van zijn toorn.

6Weeklaag! Want de dag van de HEER is nabij,

de dag van ondergang die komt van de Ontzagwekkende!

7Daarom trillen alle handen

en smelt ieders hart van angst.

8De mensen zijn door schrik bevangen.

Door kramp en pijn krimpen ze ineen

als een vrouw in barensnood.

Radeloos staren ze elkaar aan,

de vlammen slaan hun uit.

9De dag van de HEER breekt aan,

meedogenloos, grimmig,

in brandende toorn.

Het land zal in een woestenij veranderen,

de zondaars die er wonen verdelgt Hij.

10De sterren aan de hemel geven geen licht meer,

sterrenbeelden doven uit,

de zon is verduisterd als ze opkomt,

het licht van de maan is verdwenen.

11Dan zal Ik de wereld straffen voor haar slechtheid,

de goddelozen voor hun verdorvenheid.

Ik breek de trots van hoogmoedigen,

hooghartige tirannen verneder Ik.

12Ik maak mensen schaarser dan goud,

stervelingen zeldzamer dan zuiver goud uit Ofir.

13Ik zal de hemel doen sidderen,

de aarde raakt bevend van haar plaats

op de dag van de HEER van de hemelse machten,

de grimmige dag van zijn brandende toorn.

14Dan zal iedereen wegvluchten

naar zijn land van herkomst,

terugkeren naar zijn eigen volk,

als opgejaagde gazellen,

als schapen die niemand bijeenhoudt.

15Wie gegrepen wordt, zal doorstoken worden,

wie weggevoerd wordt, zal omkomen door het zwaard.

16Hun kinderen worden voor hun ogen doodgeslagen,

hun huizen geplunderd, hun vrouwen verkracht.

17Ik zet tegen hen de Meden op,

die niet om zilver geven,

noch zich door goud laten verleiden.

18Hun pijlen treffen jongemannen;

met kinderen hebben ze geen medelijden,

zelfs zuigelingen ontzien ze niet.

19Babel, de parel onder de koninkrijken,

de grote trots van de Chaldeeën,

Babel wordt als Sodom en Gomorra,

steden door God verwoest.

20Nooit meer zullen er mensen wonen,

het blijft ontvolkt tot in het verste nageslacht.

Geen Arabier zal daar zijn tent opslaan,

geen herder laat er zijn kudde rusten.

21Dieren uit de woestijn legeren zich daar,

uilen nemen de huizen in bezit,

struisvogels gaan er wonen

en bokken dansen er rond.

22In de verlaten burchten klinkt het gehuil van hyena’s,

jakhalzen janken in de weelderige paleizen van weleer.

Voor Babel is de tijd nabij,

zijn dagen zijn geteld.

1Maar over Jakob zal de HEER zich ontfermen, weer wordt Israël uitverkozen. Hij zal de Israëlieten weer op hun eigen grond laten wonen. Vreemdelingen zullen zich bij hen aansluiten en zich voegen bij het volk van Jakob. 2De andere volken zullen de Israëlieten halen en hen terugbrengen naar hun eigen land. Daarna zullen de Israëlieten die volken in bezit krijgen, als slaven en slavinnen, op het grondgebied van de HEER. Zij zullen gevangennemen wie hen gevangenhielden, en heersen over wie hen overmeesterd hadden.

3Dan, op die dag, zal de HEER jullie vrede geven en een eind maken aan jullie zwoegen, jullie ellende, jullie slavendienst. 4En jullie zullen het volgende spotlied op de koning van Babylonië aanheffen:

‘Het is gedaan met die slavendrijver,

gedaan met zijn dwingelandij.

5De HEER heeft de stok van de goddelozen gebroken,

de staf van de heersers,

6die de volken sloeg met woedende slagen, zonder eind,

die hen in razernij vervolgde, zonder maat.

7Overal op aarde is rust en vrede,

vrolijk gejubel weerklinkt.

8Zelfs de cipressen verheugen zich,

en ook de ceders van de Libanon:

“Nu jij geveld bent, komt niemand ons meer vellen.”

9Het dodenrijk beneden is in rep en roer

om jou een ontvangst te bereiden:

het wekt de schimmen voor je op

van alle leiders van de aarde,

het laat de vorsten van vreemde volken

voor jou opstaan van hun troon.

10Hoor hoe zij je onthalen:

“Nu ben jij even zwak als wij,

je bent echt een van ons.

11Je pracht en praal, en de klank van je harpen,

ze worden dit dodenrijk binnengebracht.

Wormen zijn je bed, maden je deken.”

12O morgenster, zoon van de dageraad,

hoe diep ben je uit de hemel gevallen.

Overwinnaar van alle volken,

hoe lig je daar ter aarde neergeworpen.

13Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel,

boven Gods sterren plaats ik mijn troon.

Ik zetel op de toppen van de Safon,

de berg waar de goden bijeenkomen.

14Ik stijg op tot boven de wolken,

ik evenaar de Allerhoogste.

15Nee! Je daalt af in het dodenrijk,

in de allerdiepste put.

16Ze zien je, ze kijken naar je

en kijken nog eens goed naar je:

“Is dit de man die de aarde deed beven

en koninkrijken deed sidderen?

17Die het land tot verval bracht en steden verwoestte?

Die zijn gevangenen nooit liet gaan?”

18Andere koningen worden eervol begraven,

ieder in een eigen praalgraf.

19Maar jij bent, ver van je graf,

weggegooid als een afgekeurde twijg;

je ligt bedolven onder de lijken

van hen die door het zwaard zijn doorboord,

die zijn afgedaald in de put en met stenen bedekt zijn;

je bent vertrapt als een kadaver.

20Jij wordt niet bij vorsten te ruste gelegd,

want jij hebt je land verwoest en je volk vermoord.

Over het nageslacht van een schurk als jij

zal niemand ooit nog spreken.’

21Leid zijn zonen naar de slachtbank

om wat hun voorvaders hebben misdaan.

Nooit meer zullen zij de wereld veroveren,

noch de aarde bedekken met hun steden.

22Want Ik zal me tegen hen keren

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

Babels naam zal Ik doen vergeten,

wie er nog over zijn, roei Ik uit met wortel en tak

– zo spreekt de HEER.

23Ik maak van Babel een groot moeras,

roerdompen nemen het in bezit.

Ik veeg het weg met een bezem van vernietiging

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

24De HEER van de hemelse machten heeft gezworen:

‘Voorwaar, het zal gaan zoals Ik heb bepaald,

het zal gebeuren zoals Ik heb besloten.

25Ik breek de Assyrische heerschappij over mijn land,

Ik verbrijzel Assyrië op mijn bergen.

Mijn volk wordt van zijn juk bevrijd,

zijn last wordt van hun schouders genomen.’

26Dit is het besluit dat gevallen is over heel de aarde.

Dit is de hand die opgeheven is tegen alle volken.

27Wanneer Hij dit besloten heeft,

de HEER van de hemelse machten,

wie zal het dan verijdelen?

Wanneer Hij zijn hand opheft,

wie zal hem tegenhouden?

De ondergang van de Filistijnen

28In het sterfjaar van koning Achaz werd deze profetie uitgesproken:

29‘Juich niet te vroeg, Filistijnen,

nu de stok die jullie sloeg is gebroken.

Want zoals uit een wortel een plant groeit,

zo baart de slang een adder

en die brengt een vliegende gifslang voort.

30Zelfs de allerarmsten hebben genoeg te eten,

de behoeftigen vlijen zich rustig neer,

maar jullie nazaten laat Ik verhongeren

en wie er nog over is, wordt omgebracht.

31Weeklaag, poorten,

steden, schreeuw het uit,

beef van angst, Filistijnen.

Want uit het noorden nadert rook,

een leger in gesloten gelederen.

32Welk antwoord krijgen de gezanten van dat volk?

Dat de HEER Sion heeft gegrondvest

als een toevlucht voor de armen van zijn volk.’

De ondergang van Moab

1Profetie over Moab.

Verwoest is Ar-Moab, vernietigd in de nacht!

Verwoest is Kir-Moab, vernietigd in de nacht!

2Dibon trekt op naar de tempel

en heft op de offerhoogten een weeklacht aan,

Moab jammert over de Nebo en over Medeba.

Ieder hoofd is kaalgeschoren,

elke baard is afgeknipt.

3In de straten dragen allen een rouwkleed,

overal, op daken en pleinen, klinkt gejammer,

in tranen gaat men over straat.

4Chesbon en Elale schreeuwen het uit,

tot aan Jahas klinkt hun klagen.

De soldaten van Moab slaan alarm,

ze zijn verlamd van angst.

5Mijn hart schreeuwt het uit om Moab.

Zijn vluchtelingen komen tot aan Soar, tot Eglat-Selisia.

Klacht op klacht klinkt op de weg omhoog naar Luchit,

hun gejammer stijgt op van de weg naar Choronaïm.

6Zelfs de beek van Nimrim wordt een dorre geul:

het gras verdort, het groen verdroogt,

niets wil er nog groeien.

7Wat men heeft kunnen behouden,

het weinige dat gespaard bleef,

wordt in veiligheid gebracht

over de Wadi van de wilgen.

8Hun weeklacht waart heel Moab rond:

‘Wee!’ klinkt het overal, van Eglaïm tot Beër-Elim.

9Het water van Dimon is rood van het bloed,

toch zal Ik Dimons lot nog verzwaren:

een leeuw jaagt op de ontkomen Moabieten,

op alles wat er nog over is van hun land.

Jesaja 13-15NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Van de Korachieten, een psalm.

2Luister, volken, allemaal,

hoor, bewoners van de wereld,

3mensen, kinderen van Adam,

rijk en arm, iedereen.

4Mijn mond spreekt wijze woorden,

diepzinnig is wat mijn hart overpeinst,

5ik heb een open oor voor raadselspreuken,

bij het spel op de lier onthul ik een geheim.

6Waarom zou ik vrezen in slechte tijden,

als ik door uitbuiters word omringd,

7die vertrouwen op hun vermogen

en pronken met hun rijkdom?

8Geen mens kan een ander vrijkopen,

wat God vraagt voor een leven, is niet te betalen.

9De prijs van het leven is te hoog,

in eeuwigheid niet op te brengen.

10Onmogelijk dat iemand voor altijd zou leven,

de kuil van het graf nooit zou zien.

11Dit zien we: wijze mensen sterven,

maar ook dommen en dwazen vergaan

en laten hun vermogen achter.

12Het graf is hun eeuwig thuis,

hun woning van geslacht op geslacht,

ook al stond er veel land op hun naam.

13Een mens, hoe rijk ook, houdt geen stand,

hij is als een dier dat wordt afgemaakt.

14Dit is het lot van wie op zichzelf vertrouwen,

zo vergaat het wie zichzelf graag horen: sela

15als schapen verblijven zij in het dodenrijk,

en de dood is hun herder.

In de morgen vertrappen de oprechten hun graf,

hun lichaam teert weg in het dodenrijk en vindt geen rust.

16Maar mij zal God vrijkopen uit de macht

van het dodenrijk, mij zal Hij wegnemen. sela

17Wees niet bang als iemand rijk wordt,

een groter huis heeft en meer weelde.

18Want bij zijn dood kan hij niets meenemen,

zijn weelde volgt hem niet in het graf.

19Ook al prijst hij zich gelukkig met zijn leven,

– wie roemt je niet in je voorspoed? –

20hij zal zich voegen bij zijn voorgeslacht,

bij hen die nooit het licht meer zien.

21Een mens zonder inzicht, hoe rijk ook,

hij is als een dier dat wordt afgemaakt.

Psalmen 49NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.2
Volg ons