Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 221 / 2Kon. 22-23, Ps. 21

Bijbeltekst(en)

Josia, koning van Juda

1Josia was acht jaar oud toen hij koning werd. Eenendertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jedida, de dochter van Adaja, uit Boskat. 2Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER: hij volgde het voorbeeld van zijn voorvader David en week daar op geen enkele manier van af.

3In het achttiende jaar van zijn regering stuurde koning Josia de hofschrijver Safan, de zoon van Asaljahu, de zoon van Mesullam, met de volgende opdracht naar de tempel van de HEER: 4‘Ga naar de hogepriester Chilkia en laat hem het zilver klaarleggen dat door het volk ten bate van de tempel is afgedragen en door de priesters die de ingang bewaken in ontvangst is genomen. 5Dat zilver moet ter hand worden gesteld aan de bouwmeesters die met het werk aan de tempel belast zijn, en die moeten het weer overhandigen aan de mensen die bezig zijn de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen, 6de handwerkslieden, bouwers en metselaars, zodat ze balken en gehouwen steen kunnen aanschaffen om de tempel te repareren. 7Ze hoeven geen rekening te overleggen voor het zilver dat ze ontvangen, want ze zijn door en door betrouwbaar.’

8De hogepriester Chilkia zei tegen hofschrijver Safan: ‘Ik heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de tekst van de wet.’ Safan nam het boek in ontvangst en las het. 9Daarop ging hij terug naar de koning om verslag uit te brengen. Hij zei: ‘Uw dienaren hebben het zilver dat in de tempel bewaard wordt, tevoorschijn gehaald en overhandigd aan de bouwmeesters die belast zijn met de herstelwerkzaamheden aan de tempel van de HEER.’ 10Vervolgens vertelde hij dat de hogepriester Chilkia hem een boekrol had gegeven, en hij begon de koning eruit voor te lezen. 11Bij het horen van de tekst van het wetboek scheurde de koning zijn kleren. 12Hij beval de hogepriester Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan en zijn persoonlijke dienaar Asaja: 13‘Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de HEER raadplegen over de inhoud van deze boekrol, die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.’

14De hogepriester Chilkia, Achikam, Achbor, Safan en Asaja gingen naar de profetes Chulda, de vrouw van Sallum. Sallum was de zoon van Tikwa, de zoon van Charchas; hij beheerde de priesterkleding. Chulda woonde in het nieuwe stadsdeel van Jeruzalem. Toen ze haar alles verteld hadden, 15zei Chulda tegen hen: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tegen degene die jullie naar Mij toe gestuurd heeft: 16“Dit zegt de HEER: Ik zal onheil brengen over deze stad en haar bewoners, precies zoals beschreven staat in het boek dat de koning van Juda heeft gelezen. 17Dat doe Ik omdat zij zich van Mij hebben afgekeerd, offers hebben ontstoken voor andere goden en Mij hebben getergd met de beelden die ze gemaakt hebben. Mijn toorn tegen deze stad is hoog opgelaaid en zal niet meer doven.” 18-19En tegen de koning van Juda persoonlijk, die jullie heeft gestuurd om de HEER te raadplegen, moeten jullie zeggen: “Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jij hebt je hart opengesteld voor de woorden die je hebt gehoord. Je hebt je verootmoedigd toen je hoorde wat Ik over deze stad en haar inwoners heb gezegd, namelijk dat ze als vloek en schrikbeeld zou gelden. Je hebt je kleren gescheurd en voor Mij gehuild. Daarom heb Ik ook naar jou geluisterd – spreekt de HEER. 20Je zult in vrede sterven en bij je voorouders begraven worden. Jij zult niet met eigen ogen hoeven aan te zien hoe Ik onheil breng over deze stad.”’

Dit antwoord brachten ze aan de koning over.

Maatregelen tegen de afgodendienst

1De koning ontbood de oudsten van Juda en Jeruzalem. 2Met alle inwoners van Juda en Jeruzalem, de priesters en de profeten, kortom de hele bevolking, van hoog tot laag, begaf hij zich naar de tempel van de HEER. Daar las hij hun de hele tekst voor van het verbondsboek dat in de tempel was gevonden. 3Staande op het podium bekrachtigde hij ten overstaan van de HEER het verbond. Hij beloofde dat ze de HEER zouden volgen en zich geheel en al zouden houden aan zijn geboden, voorschriften en bepalingen, om zo het verbond dat in deze boekrol was vastgelegd met hart en ziel na te leven. Heel het volk trad toe tot dit verbond.

4Vervolgens beval de koning dat de hogepriester Chilkia met zijn plaatsvervangers en de priesters die aan het hoofd van de tempelwacht stonden, alle voorwerpen uit de tempel van de HEER moesten halen die voor Baäl, Asjera en de hemellichamen waren gemaakt. Deze voorwerpen verbrandde hij buiten de stad, op het braakliggende terrein bij de Kidron, en de as liet hij naar Betel afvoeren. 5Hij ontsloeg de afgodspriesters die door de koningen van Juda waren aangesteld om offers te ontsteken op de offerplaatsen in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem, en stuurde de priesters weg die offers ontstaken voor Baäl en voor de zon, de maan en de sterren, voor alle hemellichamen. 6Hij liet de Asjerapaal uit de tempel van de HEER verwijderen en buiten de stad brengen, naar de bedding van de Kidron. Daar werd hij verbrand, en de resten werden verpulverd en over de begraafplaats van het gewone volk uitgestrooid. 7Hij liet in de tempel de vertrekken afbreken waarin de mannen gehuisvest waren die zich aan afgoden gewijd hadden, en waarin de vrouwen kleren weefden voor Asjera. 8Alle priesters uit de steden van Juda liet hij naar Jeruzalem komen. In het hele land, van Geba tot Berseba, liet hij de offerplaatsen ontwijden waar de priesters offers ontstoken hadden. Ook de offerplaatsen links van de stadspoort, bij de ingang van de poort van stadscommandant Josua, haalde hij neer. 9De priesters van de offerplaatsen mochten het altaar van de HEER in Jeruzalem niet betreden; wel mochten ze samen met hun ambtgenoten van het ongedesemde brood eten. 10Verder liet Josia de offerplaats Tofet in het Hinnomdal ontwijden, zodat niemand er meer zijn zoon of dochter als offer voor Moloch kon verbranden. 11Hij liet de paarden weghalen die de koningen van Juda ter ere van de zon hadden opgesteld vanaf de ingang van het tempelterrein tot aan het vertrek van de raadsheer Netanmelech aan het binnenplein, en de zonnewagens liet hij verbranden. 12Hij liet de altaren afbreken die de koningen van Juda op het dak van het bovenvertrek van Achaz hadden geplaatst, en ook de altaren die Manasse op de beide voorhoven van de tempel had laten maken. Het puin liet hij zo snel mogelijk afvoeren en in de bedding van de Kidron storten. 13De offerplaatsen buiten de stad, ten zuiden van de Berg van het verderf, die koning Salomo van Israël had laten oprichten voor Astarte, de gruwelijke godin van de Sidoniërs, Kemos, de gruwelijke god van Moab, en Milkom, de weerzinwekkende god van Ammon, werden door de koning ontwijd: 14hij sloeg de gewijde stenen aan stukken, haalde de Asjerapalen omver en liet de gaten opvullen met beenderen van mensen.

15Ook het altaar en de offerhoogte in Betel brak hij af. Die offerplaats was aangelegd door Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet. Josia stak de offerplaats in brand, verpulverde de resten en liet de Asjerapaal in vlammen opgaan. 16Zijn oog viel op de begraafplaats daar op de heuvel, en hij gaf bevel de beenderen uit de graven te halen. Die verbrandde hij op het altaar, dat hij op die manier ontwijdde. Zo ging de profetie van de HEER in vervulling die was uitgesproken door de godsman die dit alles had voorzegd. 17Josia vroeg: ‘Wat is dat daar voor een steen?’ ‘Dat is het graf van de godsman uit Juda,’ antwoordden de mensen die daar woonden. ‘Alles wat u met het altaar van Betel hebt gedaan, is door hem voorzegd.’ 18Daarop zei Josia: ‘Laat hem met rust. Zijn gebeente mag door niemand worden aangeraakt.’ Dus lieten ze zijn gebeente ongemoeid, evenals het gebeente van de profeet uit Samaria.

19Josia liet ook de heiligdommen afbreken die de koningen van Israël op de offerhoogten in de steden van Samaria hadden gebouwd om de HEER te tergen. Hij deed daarmee hetzelfde als hij in Betel had gedaan. 20Op de altaren in Samaria bracht hij de priesters van de offerplaatsen ten offer en hij verbrandde er mensenbeenderen.

Terug in Jeruzalem 21beval de koning het volk: ‘Vier Pesach ter ere van de HEER, uw God, zoals het hier in het boek van het verbond beschreven staat.’ 22Sinds de tijd dat de rechters Israël bestuurden was Pesach namelijk niet meer op die manier gevierd, ook niet in de tijd van de koningen van Israël en Juda. 23Pas in het achttiende regeringsjaar van koning Josia werd in Jeruzalem weer op de voorgeschreven wijze Pesach gevierd ter ere van de HEER.

24Ook zuiverde Josia het land van geestenbezweerders, raadplegers van schimmen, huisgoden, afgoden, kortom van alle verfoeilijke praktijken die in Juda en Jeruzalem voorkwamen. Zo kwam hij na wat beschreven stond in het wetboek dat de hogepriester Chilkia in de tempel van de HEER had gevonden.

25Met heel zijn hart en met heel zijn ziel en met heel zijn kracht keerde hij terug tot de HEER en leefde hij overeenkomstig alle wetten van Mozes, zoals geen van zijn voorgangers of opvolgers ooit gedaan heeft. 26Toch liet de HEER zijn toorn tegen Juda, waarin Hij was ontbrand doordat Manasse Hem tot het uiterste had getergd, niet varen. 27Hij zei: ‘Zoals Ik Israël verstoten heb, zo zal Ik ook Juda verstoten. En Jeruzalem, de stad die Ik had uitverkozen, zal Ik verwerpen, evenals de tempel waarvan Ik heb gezegd dat daar mijn naam zou wonen.’

28Verdere bijzonderheden over Josia zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 29Tijdens de regering van Josia trok farao Necho, de koning van Egypte, naar de Eufraat op om zich bij de koning van Assyrië te voegen. Koning Josia ging de farao tegemoet, maar toen ze elkaar in Megiddo troffen, werd hij door hem gedood. 30Zijn dienaren brachten zijn lichaam op een wagen van Megiddo naar Jeruzalem, waar ze hem begroeven in zijn eigen graf. Josia’s zoon Joachaz werd door het volk tot opvolger van zijn vader uitgeroepen en tot koning gezalfd.

Joachaz, koning van Juda

31Joachaz was drieëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Drie maanden regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chamutal, de dochter van Jirmeja, uit Libna. 32Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals zijn voorouders. 33Hij werd door farao Necho in Ribla in het gebied van Hamat in de boeien geslagen, zodat hij het koningschap niet kon uitoefenen. De farao legde het land een schatting op van honderd talent zilver en één talent goud. 34Hij stelde Eljakim, een andere zoon van Josia, als opvolger van zijn vader aan en veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz werd door de farao meegevoerd naar Egypte, en daar is hij gestorven. 35Jojakim betaalde de farao het zilver en goud. Om de vastgestelde schatting te betalen, legde hij het land belasting op. Iedereen werd naar vermogen aangeslagen; zo werd het zilver en goud voor farao Necho bijeengebracht.

Jojakim, koning van Juda

36Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Zebudda, de dochter van Pedaja, uit Ruma. 37Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, precies zoals zijn voorouders.

2 Koningen 22-23NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Een psalm van David.

2HEER, uw kracht verblijdt de koning,

luid juicht hij om uw overwinning.

3U gaf hem wat zijn hart verlangde,

het verzoek van zijn lippen wees U niet af. sela

4U nadert hem met rijke zegen

en plaatst op zijn hoofd een gouden kroon.

5Leven heeft hij gevraagd, U hebt het hem gegeven,

lengte van dagen, voor eeuwig en altijd.

6Groot is zijn roem door uw overwinning,

U tooit hem met glans en met glorie,

7U schenkt hem voor altijd uw zegen,

U verblijdt hem met het licht van uw gelaat.

8Ja, de koning vertrouwt op de HEER,

door de trouw van de Allerhoogste wankelt hij niet.

9Uw hand zal uw vijanden slaan,

uw machtige hand uw haters treffen,

10u doet hen branden als vuur in een oven

wanneer u verschijnt.

De HEER zal hen in zijn woede verslinden,

vuur zal hen verteren.

11Hun kinderen zult u van de aardbodem wegvagen,

hun nageslacht uitroeien onder de mensen.

12Al spannen zij tegen u samen,

al zinnen zij op kwaad, ze bereiken niets,

13want u zult hen op de vlucht jagen,

u schiet uw pijlen recht op hen af.

14Verhef u, HEER, in uw kracht,

wij zullen uw macht in liederen bezingen.

Psalmen 21NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons