Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 220 / 2Kon. 21, Jes. 3-5

Bijbeltekst(en)

Manasse, koning van Juda

1Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd. Vijfenvijftig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Chefsiba. 2Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij gaf zich over aan de verfoeilijke praktijken van de volken die de HEER voor de Israëlieten verdreven had. 3Hij herbouwde de offerplaatsen die zijn vader Hizkia vernietigd had, richtte nieuwe altaren op voor Baäl en maakte een nieuwe Asjerapaal, naar het voorbeeld van koning Achab van Israël. Hij boog zich in aanbidding neer voor de hemellichamen en diende die. 4Hij richtte altaren op in de tempel van de HEER, waarvan de HEER had gezegd: ‘In Jeruzalem zal Ik mijn naam laten wonen,’ 5en plaatste op de beide voorhoven van de tempel altaren voor de hemellichamen. 6Hij verbrandde zijn zoon als offer en liet zich in met toekomstvoorspelling, waarzeggerij, geestenbezwering en het raadplegen van schimmen. Hij tergde de HEER door voortdurend te doen wat slecht is in zijn ogen. 7Zo liet hij bijvoorbeeld een beeld van de godin Asjera maken, dat hij een plaats gaf in de tempel waarvan de HEER tegen David en zijn zoon Salomo had gezegd: ‘In deze tempel, in Jeruzalem, dat Ik uit alle steden van Israëls stammen heb uitgekozen, zal Ik voor altijd mijn naam laten wonen. 8Ik zal ervoor zorgen dat de Israëlieten nooit meer hoeven weg te trekken uit het land dat Ik hun voorouders heb gegeven, maar dan moeten zij zich wel houden aan alles wat ik hun heb opgedragen, aan de wet die mijn dienaar Mozes hun heeft opgelegd.’ 9Maar ze luisterden niet en lieten zich door Manasse verleiden nog meer kwaad te doen dan de volken die de HEER voor hen had uitgeroeid. 10Daarom sprak de HEER bij monde van zijn dienaren, de profeten: 11‘Koning Manasse van Juda heeft zich ingelaten met verfoeilijke praktijken, erger nog dan die van de Amorieten die hier vroeger woonden, en hij heeft daarbij ook de Judeeërs met zijn afgoden tot zonde aangezet. 12Daarom – zegt de HEER, de God van Israël: Ik zal over Jeruzalem en Juda onheil brengen waarvan ieder zo zal ophoren dat zijn beide oren tuiten. 13Ik zal over Jeruzalem het meetlint van Samaria leggen en het schietlood van het koningshuis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals je een gebruikte schaal schoonveegt en daarna ondersteboven wegzet. 14Wie er van mijn volk nog overblijven zal Ik aan hun lot overlaten. Ik zal ze aan hun vijanden uitleveren, zodat hun vijanden ze kunnen plunderen en beroven. 15Dit alles zal Ik doen omdat zij hebben gedaan wat slecht is in mijn ogen en Mij hebben getergd vanaf de dag dat hun voorouders wegtrokken uit Egypte tot nu toe.’

16Behalve dat Manasse zondigde door de Judeeërs tot zonde aan te zetten, zodat ze deden wat slecht is in de ogen van de HEER, vergoot hij ook onschuldig bloed, zo veel dat Jeruzalem ervan overvloeide. 17Verdere bijzonderheden over Manasse en zijn zondige praktijken zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 18Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, werd hij begraven in de tuin van zijn paleis, de tuin van Uzza. Zijn zoon Amon volgde hem op.

Amon, koning van Juda

19Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Twee jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Mesullemet, de dochter van Charus, uit Jotba. 20Net als zijn vader Manasse deed hij wat slecht is in de ogen van de HEER. 21Hij volgde in alles het voorbeeld van zijn vader, diende dezelfde afgoden als hij en knielde voor hen neer. 22Hij keerde zich af van de HEER, de God van zijn voorouders, en gehoorzaamde Hem niet. 23De dienaren van Amon beraamden een aanslag op de koning en vermoordden hem in zijn paleis. 24Maar het volk doodde allen die tegen koning Amon hadden samengezworen en riep zijn zoon Josia tot zijn opvolger uit. 25Verdere bijzonderheden over Amon zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 26Hij werd begraven in de tuin van Uzza; zijn zoon Josia volgde hem op.

2 Koningen 21NBV21Open in de Bijbel
Chaos in Jeruzalem en Juda

1Voorwaar, God, de HEER van de hemelse machten,

ontneemt Jeruzalem en Juda hun stut en steun:

alle steun van brood en water,

2van krijgsheld en soldaat,

rechter en profeet, waarzegger en oudste,

3bevelhebber, man van aanzien en raadsheer,

tovenaar en bezweerder.

4Hij stelt kinderen als koning aan,

willekeur zal er regeren.

5De mensen zullen elkaar verdringen,

man tegen man, de een tegen de ander;

een jongen beledigt een grijsaard,

een nietsnut een man van eer.

6Een man grijpt in het ouderlijk huis

zijn broer bij de arm en roept hem toe:

‘Jij hebt een mantel. Wees jij onze leider

en ontferm je over deze chaos.’

7Maar dan zal die zich verweren:

‘Verwacht niet dat ik jullie wonden heel.

Ik heb in mijn huis geen voedsel, geen mantel.

Stel mij niet aan als leider van het volk.’

8Jeruzalem is gestruikeld, Juda is gevallen.

Zij keren zich tegen de HEER in woord en daad,

ze tarten Hem openlijk in al zijn luister.

9Hun partijdigheid keert zich tegen hen,

schaamteloos pronken ze met hun zonden, als Sodom.

Wee hun, want ze berokkenen zichzelf kwaad.

10Bedenk: de rechtvaardige gaat het goed,

hij zal de vruchten plukken van zijn daden,

11maar wee de goddeloze, hem gaat het slecht,

al wat hij doet wordt hem vergolden.

12Door tirannen wordt mijn volk uitgebuit,

woekeraars heersen erover.

Mijn volk, jullie leiders zijn misleiders,

zij brengen jullie op een dwaalspoor.

13De HEER bereidt zijn rechtsgeding voor,

Hij staat klaar om over volken vonnis te wijzen.

14Zo luidt de aanklacht van de HEER

tegen de oudsten en de vorsten van zijn volk:

Jullie hebben de wijngaard geplunderd

en jullie huizen gevuld met wat je de armen ontnam.

15Hoe durven jullie mijn volk te vertrappen

en de armen zo zwaar te mishandelen?

– spreekt God, de HEER van de hemelse machten.

Sions vrouwen te schande gezet

16De HEER zegt: Kijk eens hoe hooghartig die vrouwen van Sion zijn; zie hen verwaand flaneren en verleidelijke blikken om zich heen werpen, hoor het rinkelen bij de trippelpasjes die ze maken. 17Daarom zal de HEER Sions vrouwen de schedel kaalscheren en hun voorhoofd ontbloten. 18Op die dag neemt Hij hun alle opschik af: hun enkelringen, zonnetjes en maantjes, 19hun oorringen, armbanden en sluiers, 20hun hoofddoeken, enkelkettinkjes, borstlinten, reukflesjes en amuletten, 21de ringen aan hun handen en de ringetjes door hun neus, 22hun prachtige kleren, mantels, omslagdoeken en tasjes, 23hun doorschijnende gewaden, hemdjes, tulbanden en sjaals. 24Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur en zullen er touwen zijn in plaats van gordels; kale schedels en geen fraaie kapsels, grove rouwkledij en geen mooie feestgewaden. Dit alles vervangt de schoonheid.

25Sions mannen zullen vallen door het zwaard,

haar soldaten sneuvelen in de strijd.

26Haar poorten zullen weeklagen en rouwen,

berooid hurkt Sion neer op de grond.

1Op die dag storten zeven vrouwen zich op één man:

‘Wij zullen zelf voor ons voedsel zorgen

en in onze eigen kleding voorzien.

Laat ons slechts uw naam dragen,

neem de schande van ons weg.’

De HEER vernieuwt Jeruzalem

2Op die dag zal wat de HEER laat ontspruiten een kostbaar sieraad zijn. De rijke vrucht van het land zal elke Israëliet die ontkomen is met trots vervullen. 3Ieder die nog in Sion over is, ieder die in Jeruzalem is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeruzalem die ten leven opgeschreven zijn. 4Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, 5dan zal Hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Die zullen de luister van de Sion overdekken, 6als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en een schuilplaats tegen storm en regen.

Het lied van de wijngaard

1Voor mijn geliefde wil ik zingen

het lied van mijn lief en zijn wijngaard.

Mijn geliefde had een wijngaard,

op een vruchtbare helling gelegen.

2Hij bewerkte de grond, haalde de stenen eruit

en plantte een edele druivensoort.

Hij bouwde er een wachttoren,

hakte ook een perskuip uit.

Hij verwachtte veel van zijn wijngaard,

maar die bracht slechts wrange druiven voort.

3‘Welnu, inwoners van Juda en Jeruzalem,

spreek recht tussen mij en mijn wijngaard.

4Wat kon ik meer aan mijn wijngaard doen,

wat heb ik te weinig gedaan?

Ik verwachtte zoveel van mijn wijngaard,

waarom bracht hij slechts wrange druiven voort?

5Luister, ik zal jullie vertellen

wat ik met mijn wijngaard ga doen:

Ik ruk de doornhaag uit en breek de muur af,

zodat hij vertrapt en geplunderd kan worden.

6Ik zal hem laten verwilderen,

er wordt niet meer gesnoeid, niet meer gewied,

dorens en distels schieten er op.

De wolken zal ik opdragen

geen regen op hem te laten vallen.’

7Israël is de wijngaard van de HEER van de hemelse machten,

de gekoesterde planten zijn de inwoners van Juda.

Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht,

Hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting.

Zesvoudig wee over de onrechtvaardigen

8Wee degenen die zich huis na huis toe-eigenen,

die akker na akker samenvoegen,

tot er voor niemand meer ruimte is

en zij alleen het land bewonen.

9Ik hoor de HEER van de hemelse machten zweren:

‘Al die huizen zullen tot puin vervallen,

zelfs de grootste en mooiste worden niet meer bewoond.

10Een uitgestrekte wijngaard levert amper wijn op,

een berg zaaigoed maar één zak graan.’

11Wee degenen die ’s ochtends in alle vroegte

naarstig op zoek gaan naar drank,

die zich tot diep in de nacht door wijn laten benevelen.

12Bij al hun drinkgelagen klinkt muziek

van lier en harp, van tamboerijn en fluit.

Maar voor de daden van de HEER hebben zij geen oog,

wat Hij tot stand brengt zien ze niet.

13Daarom gaat mijn volk in ballingschap –

omdat het geen inzicht heeft.

Hun edelen komen om van de honger,

de massa versmacht van dorst.

14Het dodenrijk opent zijn keel,

het spert zijn muil wijd open.

Daar verdwijnt de bloem der natie, verzinkt de massa,

daar verstommen de druktemakers en feestvierders.

15Zij worden vernederd, ze moeten buigen,

wie trots was, zal de ogen neerslaan.

16De HEER van de hemelse machten is verheven in zijn oordeel,

de heilige God toont zich heilig in zijn gerechtigheid.

17De schapen zullen grazen als op hun eigen grond,

rondzwerven tussen de puinhopen van de rijken.

18Wee degenen die de straf naar zich toe halen

met de touwen van onrecht,

en de zonde met de dissel van een wagen;

19die smalen: ‘Laat de HEER opschieten

en zijn werk afmaken. Wij willen het nu weleens zien.

Laat de Heilige van Israël komen met zijn plan

en het uitvoeren, zodat we het eindelijk weten.’

20Wee degenen die het kwade goed noemen

en het goede kwaad,

die het licht tot duisternis maken

en het duister tot licht,

die van zoet bitter maken

en van bitter zoet.

21Wee degenen die wijs zijn in eigen ogen,

die naar eigen oordeel verstandig zijn.

22Wee degenen die een held zijn in het drinken van wijn,

die dapper zijn bij het mengen van drank,

23die voor een geschenk de schuldige gelijk geven

en de rechtvaardige beroven van zijn recht.

24Daarom, zoals kaf door vuur wordt verteerd

en dor gras in vlammen opgaat,

zo zal hun wortel verrotten

en hun bloesem verwaaien als stof.

Zij verwierpen het onderricht

van de HEER van de hemelse machten,

en verachtten de woorden van de Heilige van Israël.

Juda bedreigd door de vijand

25Daarom ontsteekt de HEER in woede tegen zijn volk,

Hij heft zijn hand tegen hen op en slaat hen.

De bergen beginnen te beven,

de lijken liggen als vuil op straat.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

26Hij steekt de strijdvaan op voor verre volken,

Hij fluit ze bijeen van de uiteinden der aarde,

en daar komen ze, in allerijl.

27Niemand die moe is, niemand die struikelt,

geen man die dommelt of slaapt.

Geen gordel zakt van de heupen,

niet één sandaalriem breekt.

28De pijlen zijn gescherpt, de bogen gespannen.

De paardenhoeven vonken als vuursteen,

de wagenwielen draaien als een wervelwind.

29Hun krijgsgeschreeuw klinkt als het gebrul van een leeuwin,

ze grommen als een jonge leeuw die zijn prooi grijpt en meesleurt,

en niemand die redding kan bieden.

30Op die dag zal men dat grommen horen,

het zal klinken als een bulderende zee.

Waar men ook kijkt: verstikkende duisternis,

de zon is door wolken in duister gehuld.

Jesaja 3-5NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.1
Volg ons