Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 217 / 2Kon. 18-19, Ps. 59, Spr. 16

Bijbeltekst(en)

Hizkia, koning van Juda

1Hizkia, de zoon van Achaz, werd koning van Juda in het derde regeringsjaar van koning Hosea van Israël, de zoon van Ela. 2Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Negenentwintig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Abi, de dochter van Zecharja. 3Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn voorvader David gedaan had. 4Hij verwijderde de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen, haalde de Asjerapaal omver en sloeg de koperen slang die Mozes gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte om voor deze slang, die de naam Koperslang droeg, wierook te branden. 5Hizkia stelde zijn vertrouwen in de HEER, de God van Israël. Nooit, noch voor noch na zijn tijd, is hij geëvenaard, door geen van de koningen van Juda. 6Hij was de HEER toegedaan en heeft zich nooit van Hem afgekeerd; hij hield zich aan de geboden die de HEER aan Mozes heeft gegeven. 7De HEER stond hem bij, zodat Hizkia alles wat hij ondernam tot een goed einde bracht. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en weigerde nog langer diens vazal te zijn. 8Hij was het ook die de Filistijnen terugsloeg en het hele gebied tot aan Gaza en de omliggende dorpen veroverde, van de kleinste wachtpost tot de sterkste vestingstad.

9In het vierde regeringsjaar van koning Hizkia, dus het zevende regeringsjaar van koning Hosea van Israël, trok koning Salmanassar van Assyrië tegen Samaria op en belegerde de stad. 10Na een beleg van drie jaar, in het zesde regeringsjaar van Hizkia, dus het negende regeringsjaar van koning Hosea van Israël, werd Samaria ingenomen. 11De koning van Assyrië voerde de Israëlieten als ballingen mee naar zijn land, waar sommigen een woonplaats kregen aangewezen in Chalach, anderen aan de rivier de Chabor in Gozan, en weer anderen in de steden van Medië. 12Dit gebeurde omdat de Israëlieten de HEER, hun God, niet gehoorzaamd hadden. Ze hadden de regels van het verbond overtreden die Mozes, de dienaar van de HEER, hun gegeven had; ze hadden er niet naar geluisterd en er niet naar gehandeld.

Jeruzalem door Sanherib bedreigd

13In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia trok koning Sanherib van Assyrië op tegen de versterkte steden van Juda en nam ze in. 14Koning Hizkia van Juda stuurde afgezanten naar de koning van Assyrië, die in Lachis verbleef, met de boodschap: ‘Ik ben tegenover u in gebreke gebleven. Staak uw aanval. Wat u mij oplegt, zal ik dragen.’ De koning van Assyrië eiste van koning Hizkia van Juda driehonderd talent zilver en dertig talent goud. 15Hizkia droeg al het zilver af dat zich in de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis bevond. 16Ook liet hij het gouden beslag verwijderen dat hij zelf op de deuren en deurposten van de grote zaal van de tempel had laten aanbrengen, en gaf dat aan de koning van Assyrië.

17De koning van Assyrië stuurde vanuit Lachis drie hoogwaardigheidsbekleders, de tartan, de rabsaris en de rabsake, met een geweldig leger naar koning Hizkia in Jeruzalem. Zij trokken naar Jeruzalem op. Daar hielden ze halt bij de watertoevoer naar het bovenste waterbekken, aan de straat van het bleekveld, 18en vroegen de koning te spreken. Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen naar hen toe. 19De rabsake zei tegen hen: ‘Zeg tegen Hizkia: “Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: ‘Waarop berust toch dat vertrouwen van u? 20Denkt u soms dat mooie beloften opwegen tegen strategie en militaire macht? En in wie stelt u zo veel vertrouwen dat u tegen mij in opstand durft te komen? 21In Egypte, die geknakte rietstok die je hand doorboort wanneer je probeert erop te leunen! Want meer heeft de farao, de koning van Egypte, niet te betekenen voor degenen die hun vertrouwen in hem stellen.’” 22En u kunt mij nu wel zeggen: “Wij stellen ons vertrouwen in de HEER, onze God,” maar was het niet juist die God wiens offerplaatsen en altaren Hizkia heeft laten verwijderen? Hizkia heeft immers tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem gezegd dat ze alleen voor het altaar in Jeruzalem mogen neerknielen? 23Welnu, waag uw kans met mijn heer, de koning van Assyrië. Hij zal u tweeduizend paarden geven, mits u in staat bent de ruiters ervoor te leveren. 24Zolang u voor strijdwagens en ruiters op Egypte vertrouwt, zult u immers nog niet één enkel provinciehoofd, een van de minste dienaars van mijn heer, kunnen weerstaan. 25U denkt toch niet dat hij zonder instemming van de HEER is opgetrokken om Jeruzalem te vernietigen? De HEER heeft hem gezegd: “Val dit land aan en vernietig het.”’ 26Eljakim, Sebna en Joach zeiden tegen de rabsake: ‘Spreek alstublieft Aramees met ons, heer; wij verstaan dat. Spreek toch geen Judees met ons, het volk op de muur luistert mee.’ 27Maar de rabsake antwoordde: ‘Dacht u dat mijn heer mij gestuurd heeft om het woord uitsluitend tot uw heer en u te richten? Onze woorden zijn net zo goed bestemd voor de mensen daar op de muur, die binnenkort net als u hun eigen drek zullen eten en hun eigen pis zullen drinken.’ 28En hij rechtte zijn schouders, verhief zijn stem en zei, in het Judees: ‘Luister naar wat de grote koning, de koning van Assyrië, u te zeggen heeft! 29Dit zegt de koning: “Laat u niet door Hizkia misleiden, hij is niet in staat u uit mijn greep te redden. 30Laat u niet door hem overhalen uw vertrouwen te stellen in de HEER. Als hij beweert: ‘De HEER zal ons vast en zeker redden en deze stad zal niet in handen vallen van de koning van Assyrië,’ 31luister dan niet naar hem. Want dit zegt de koning van Assyrië: ‘Geef u over en stel u onder mijn hoede, dan kan ieder van u van zijn wijnstok en zijn vijgenboom eten en het water uit zijn eigen put drinken, 32tot ik kom en u meevoer naar een land dat niet onderdoet voor dat van u: een land van graan en wijn, van brood en wijngaarden, van olierijke olijfbomen en honing. U zult in leven blijven en hoeft niet te sterven. Luister toch niet naar Hizkia, die u valse hoop geeft met zijn bewering dat de HEER u zal redden. 33Hebben de goden van andere volken hun land soms gered uit de handen van de koning van Assyrië? 34Waar zijn de goden van Hamat en Arpad gebleven, waar waren de goden van Sefarwaïm, Hena en Iwwa? Hebben die Samaria soms uit mijn handen gered? 35Als geen enkele god in staat is gebleken zijn land uit mijn handen te redden, hoe zou dan de HEER Jeruzalem kunnen redden?’”’ 36Maar het volk zweeg en antwoordde met geen woord, want zo had de koning het bevolen.

37Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen met gescheurde kleren naar Hizkia om hem de woorden van de rabsake over te brengen.

1Zodra koning Hizkia de boodschap hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een rouwkleed aan en begaf zich naar de tempel van de HEER. 2Hofmeester Eljakim, hofschrijver Sebna en de oudsten van de priesters stuurde hij gehuld in rouwkleren naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos. 3Ze zeiden hem: ‘Dit zegt Hizkia: “Deze dag is er een van angst, straf en vernedering: het is als bij een geboorte waarbij de baarmoeder ontsloten is maar de kracht om te baren ontbreekt. 4Maar misschien slaat de HEER, uw God, acht op wat de rabsake gezegd heeft, die door zijn heer, de koning van Assyrië, hierheen is gestuurd om de levende God te honen, en misschien zal Hij die belediging vergelden. Bid daarom voor degenen van ons volk die nog over zijn.”’ 5Zo kwamen de hovelingen van koning Hizkia bij Jesaja, 6en Jesaja antwoordde hun: ‘Zeg tegen uw koning: “Dit zegt de HEER: Laat je niet ontmoedigen door de woorden waarmee de knechten van de koning van Assyrië Mij hebben bespot. 7Ik zal hem een geest sturen en hem een gerucht laten influisteren waardoor hij naar zijn eigen land terugkeert, en daar zal Ik hem een gewelddadige dood laten sterven.”’

8Inmiddels had de rabsake zich weer bij zijn koning gevoegd, die, zoals hij had vernomen, zijn kamp bij Lachis had opgebroken en nu de aanval had geopend op Libna. 9Maar toen Sanherib het gerucht opving dat koning Tirhaka van Nubië was uitgetrokken om de strijd met hem aan te binden, zond hij opnieuw gezanten naar Hizkia, met de opdracht: 10‘Zeg tegen koning Hizkia van Juda: “Laat u niet misleiden door de HEER, uw God, in wie u uw vertrouwen hebt gesteld omdat Hij u heeft toegezegd dat Jeruzalem niet in handen zal vallen van de koning van Assyrië. 11U hebt toch zelf gehoord hoe de koningen van Assyrië alle landen vernietigd hebben. Zou u dan gered worden? 12Gozan, Charan, Resef en de inwoners van Eden in Telassar, die door mijn voorouders werden uitgeroeid, zijn toch ook niet door hun goden gered? 13En wat is er geworden van de koningen van Hamat en Arpad, en van de koningen van de stad Sefarwaïm en van Hena en Iwwa?”’

14Toen Hizkia de brief had gelezen die de boden hem overhandigd hadden, ging hij naar de tempel van de HEER en legde de brief daar open voor Hem neer. 15En hij bad tot de HEER: ‘HEER, God van Israël, U die op de cherubs troont, U alleen bent God van alle koninkrijken op aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 16Leen mij uw oor, HEER, en luister, open uw ogen en zie toe. Hoor met welke woorden Sanherib de levende God hoont. 17Het is waar, HEER, de koningen van Assyrië hebben andere volken en hun landen verwoest 18en hun goden aan het vuur prijsgegeven. Dat waren dan ook geen goden, het waren slechts maaksels van mensenhanden, beelden van hout en steen, die ze vernietigd hebben. 19Ik vraag U, HEER, onze God: red ons uit zijn handen, opdat alle koninkrijken op aarde zullen beseffen dat U, HEER, de enige God bent.’

20Jesaja, de zoon van Amos, liet Hizkia weten: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik heb je gebed over koning Sanherib van Assyrië gehoord, 21en dit is wat Ik, de HEER, over hem zeg:

Vrouwe Sion minacht je, ze lacht je uit,

meewarig schudt Jeruzalem haar hoofd.

22Weet wie je hebt beledigd en bespot,

wie je hebt uitgejouwd, uitdagend aangekeken:

het was de Heilige van Israël!

23Bij monde van je boden heb je de Heer gehoond. Je zei:

“Mijn strijdwagens brachten mij tot op de hoogste bergen,

tot in de verste hoeken van de Libanon.

Zijn hoogste ceders velde ik, zijn mooiste cipressen.

Ik drong door tot in zijn verste schuilhoek, tot in zijn diepste woud.

24Ik heb gegraven en vreemd water gedronken,

de stromen van Egypte met mijn voeten drooggelegd.”

25Heb je niet gehoord dat Ik dit lang tevoren heb beschikt?

In een ver verleden nam Ik het me voor,

nu is de tijd gekomen dat Ik het volbreng.

Onneembare steden worden in puin gelegd,

26hun inwoners staan machteloos, ze zijn verbijsterd en beschaamd.

Als jonge scheuten op de akker zijn ze, als pril groen,

tere sprietjes op het dak: verschroeid nog voor ze opgekomen zijn.

27Maar Ik ken je, Ik ben op de hoogte van je doen en laten,

Ik weet heel goed hoe je tekeergaat tegen Mij;

28Ik zie je zelfgenoegzaamheid,

je razernij is tot mijn oren doorgedrongen.

Ik sla mijn haak door je neus en leg mijn bit in je mond

en voer je terug over de weg waarlangs je gekomen bent.

29Jou, Hizkia, geef Ik het volgende teken: Dit jaar zul je eten wat er na de oogst toevallig nog opkomt, volgend jaar wat er vanzelf groeit, maar het jaar daarna kun je zaaien en oogsten, wijngaarden planten en van de opbrengst eten. 30De Judeeërs die ontkomen, zij die overblijven, zullen wortel schieten en vrucht dragen, 31want wie het overleven en ontkomen, zullen zich vanuit Jeruzalem, vanaf de Sion verspreiden. De HEER van de hemelse machten zal dat in zijn vurige liefde tot stand brengen. 32Daarom – dit zegt de HEER over de koning van Assyrië: Hij zal deze stad niet te na komen. Hij zal er geen pijl op afschieten, geen schild tegen opheffen en geen bestormingsdam tegen opwerpen. 33Hij zal terugkeren over de weg waarlangs hij gekomen is en deze stad niet te na komen – spreekt de HEER. 34Omwille van mijzelf en omwille van mijn dienaar David zal Ik deze stad beschermen en haar bevrijden.’

35Diezelfde nacht trok een engel van de HEER ten strijde en doodde in het kamp van de Assyriërs honderdvijfentachtigduizend man. De volgende ochtend zag men niets dan lijken liggen. 36Koning Sanherib van Assyrië brak het beleg op en keerde voorgoed terug naar Nineve. 37Daar werd hij, terwijl hij neerknielde in de tempel van zijn god Nisroch, vermoord door Adrammelech en Sareser, die vervolgens naar Ararat wisten te ontkomen. Zijn zoon Esarhaddon volgde hem op.

2 Koningen 18-19NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Op de wijs van Verdelg niet. Van David, een stil gebed, toen Saul opdracht had gegeven David thuis vast te houden en hem te doden.

2Bevrijd mij van mijn vijanden, mijn God,

bescherm mij tegen mijn belagers.

3Bevrijd mij van wie onrecht doen,

red mij van hen die bloed vergieten.

4Zij hebben het op mijn leven voorzien

en vallen mij aan met geweld.

Niet om mijn misdaad, niet om mijn zonde, HEER,

5ik ben onschuldig, maar zij dringen op en sluiten de rijen.

Verhef u om mij te helpen, zie naar mij om,

6HEER, God van de hemelse machten,

God van Israël, ontwaak en straf alle volken,

heb geen genade met verraad en onrecht. sela

7Avond aan avond keren zij terug

en zwerven rond in de stad,

grommend als honden.

8Hun mond loopt over van venijn,

de woorden op hun lippen zijn zwaarden,

zij denken: Wie hoort het?

9U, HEER, zult om hen lachen,

U drijft de spot met alle volken.

10Mijn sterkte, aan U houd ik mij vast,

ja, God is mijn burcht.

11God, die trouw is, zal mij te hulp komen,

God zal mij doen neerzien op wie mij aanvallen.

12Dood hen nog niet – mijn volk mag niet vergeten –,

laat hen ronddolen en sla hen dan neer,

met uw kracht, Heer, ons schild.

13Zonde is de taal uit hun mond,

het woord van hun lippen.

Laat hen stikken in hun trots,

in hun vloeken en leugens.

14Sla toe in uw toorn,

sla vernietigend toe.

Tot aan de einden der aarde

zullen zij weten dat God

over Jakob heerst. sela

15Ze keren terug, avond aan avond,

grommend als honden

zwerven ze rond door de stad,

16dolend op zoek naar voedsel,

jankend als ze niet worden verzadigd.

17Maar ik, ik zal uw sterkte roemen,

in de morgen uw trouw bezingen:

U bent voor mij altijd een burcht geweest,

een toevlucht in tijden van nood.

18Mijn sterkte, voor U wil ik zingen,

mijn burcht is God,

de God die mij trouw blijft.

Psalmen 59NBV21Open in de Bijbel

1Een mens weegt zijn woorden,

maar wat hij zegt, komt van de HEER.

2Een mens kiest in eigen ogen steeds de juiste weg,

de HEER toetst wat hem ten diepste beweegt.

3Vertrouw bij je werk op de HEER,

en je plannen zullen slagen.

4De HEER heeft alles wat Hij heeft gemaakt zijn doel gegeven,

de goddelozen heeft Hij voor de ondergang bestemd.

5De HEER verafschuwt hooghartige mensen,

ze worden hoe dan ook gestraft.

6Wie trouw en liefde betoont, bedekt de zonde,

wie ontzag heeft voor de HEER, mijdt het kwaad.

7Als de weg die iemand gaat de HEER behaagt,

laat Hij zelfs zijn vijand vrede met hem sluiten.

8Beter een schamel bezit, rechtvaardig verworven,

dan een grote rijkdom, verkregen door onrecht.

9Een mens stippelt zijn weg uit,

de HEER bepaalt de richting die hij gaat.

10De koning spreekt Gods oordeel uit,

wanneer hij rechtspreekt, faalt hij niet.

11De HEER bepaalt de maatstaf van het recht,

Hij stelt de gewichten en balans vast.

12Koningen verfoeien wetteloosheid,

rechtvaardigheid schraagt hun troon.

13Een koning schept behagen in oprechte woorden,

wie de waarheid spreekt is hem dierbaar.

14De woede van de koning is een bode van de dood,

een wijze brengt hem tot bedaren.

15Het stralende gezicht van de koning brengt leven,

als een voorjaarsregen is zijn gunstbewijs.

16Hoeveel beter is het wijsheid te verwerven dan goud,

hoezeer is inzicht te verkiezen boven zilver.

17Wie oprecht is, mijdt de weg van het kwaad,

wie op het rechte pad blijft, beschermt zijn leven.

18Hooghartigheid gaat vooraf aan ellende,

hoogmoed komt voor de val.

19Beter in eenvoud leven met de armen

dan de buit verdelen met hoogmoedigen.

20Wie goed luistert, zal het goed vergaan,

wie op de HEER vertrouwt is gelukkig.

21Wie wijs is van hart, wordt verstandig genoemd,

wie op milde toon spreekt, heeft meer overtuigingskracht.

22Inzicht is een bron van leven,

dwazen worden met dwaasheid gestraft.

23Wie een wijs hart heeft, schoolt zijn mond

en geeft zo kracht aan het betoog van zijn lippen.

24Een vriendelijk woord is een korf vol honing,

zoet voor de ziel en gezond voor het lichaam.

25Soms denkt een mens de juiste weg te gaan,

terwijl die eindigt bij de dood.

26Een mens zwoegt omdat hij moet eten,

het is de honger die hem dwingt.

27Een onruststoker roept het kwaad op,

wat hij zegt is een verzengend vuur.

28Een vals karakter zaait voortdurend tweedracht,

een lasteraar drijft vrienden uit elkaar.

29Een boosdoener bedriegt zelfs zijn vriend,

hij lokt hem op het slechte pad.

30Wie heimelijk zijn oog dichtknijpt, heeft kwaad in de zin,

wie zijn lippen samenperst, heeft het kwaad al gedaan.

31De ouderdom is een prachtige kroon

die je verwerft door rechtvaardig te leven.

32Beter een geduldig mens dan een vechtjas,

beter zelfbeheersing dan een stad veroveren.

33Men werpt het lot in een mantel,

de HEER bepaalt hoe het valt.

Spreuken 16NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons