Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 212 / Hos. 3-5

Bijbeltekst(en)

Israëls liefde afgedwongen

1De HEER zei tegen mij: ‘Heb nogmaals een vrouw lief, een vrouw die ondanks de liefde van haar man toch overspelig is, net zoals de HEER de Israëlieten liefheeft hoewel zij zich op andere goden richten en uit zijn op de lekkernijen in hun tempels.’ 2Ik kocht zo’n vrouw voor de prijs van vijftien sjekel zilver en anderhalve ezelslast gerst. 3Ik zei tegen haar: ‘Je zult geruime tijd in huis moeten blijven, je zult geen overspel kunnen plegen en je met geen man inlaten. Ook ik zal niet met je slapen.’ 4Zo zullen de Israëlieten geruime tijd verstoken blijven van koning en leiders, van offers en gewijde stenen, van orakels en huisgoden. 5Dan zullen ze tot inkeer komen en weer verlangen naar de HEER, hun God, en hun koning David; zo zullen ze zich uiteindelijk vol ontzag aan de HEER en zijn goedheid onderwerpen.

Aanklacht tegen volk en priesters

1Luister naar de woorden van de HEER, Israëlieten! De HEER voert een geding tegen de inwoners van dit land, want ze kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd. 2Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en overspel; het ene bloedbad volgt op het andere. 3Daarom is het land in rouw gedompeld en bezwijken al zijn inwoners, mét de dieren van het veld en de vogels van de hemel; zelfs de vissen in de zee sterven uit.

4Maar laat niemand een aanklacht indienen of een ander ter verantwoording roepen. Tegen jou, priester, richt Ik mijn aanklacht! 5Op klaarlichte dag zul je struikelen, en ’s nachts sleep je een profeet mee in je val. En je moeder zal Ik laten omkomen. 6Mijn volk komt om doordat het met Mij niet vertrouwd is. Jij wilde het niet met Mij vertrouwd maken, daarom wil Ik niets meer met jou te maken hebben: je zult Mij niet meer als priester dienen. Jij hebt de wet van je God verwaarloosd, daarom zal Ik jouw kinderen verwaarlozen. 7Hoe talrijker de priesters werden, des te meer zondigden ze tegen Mij. Maar Ik zal hun aanzien verruilen voor schande. 8Ze teren op de zonden van mijn volk en hongeren naar nog meer. 9Ik zal volk en priesters over één kam scheren: Ik zal hun wangedrag bestraffen, hun misdaden zal Ik vergelden. 10-11Ze zullen eten maar niet verzadigd raken, overspel plegen maar niet in aantal toenemen. Want ze hebben de HEER verlaten en vereren nu ontucht en wijn, waardoor het verstand beneveld raakt.

12Mijn volk raadpleegt een stuk hout, uit stokjes lezen ze de toekomst af. Ze zijn bezeten van ontucht en keren zich af van hun God. 13Ze brengen offers op de bergtoppen en branden wierook op de heuvels en onder eik, populier en terebint, want in hun schaduw is het aangenaam. Vandaar dat jullie dochters overspel plegen en jullie schoondochters ontrouw zijn! 14Maar jullie dochters zal Ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal Ik niet straffen voor hun ontrouw, want de priesters gaan zelf met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van vrouwen die zich aan afgoden hebben gewijd. Zo komt een volk zonder verstand ten val.

15Als jij zo trouweloos bent, Israël, maak dan Juda tenminste niet medeschuldig. Kom niet naar Gilgal, trek niet naar Bet-Awen, en zweer daar niet: ‘Zo waar de HEER leeft!’ 16Israël verzet zich als een onwillige koe. Zou de HEER het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld? 17Het volk van Efraïm heeft zich vergooid aan afgodsbeelden – laat het maar! 18Ze zijn hun kater nog niet kwijt of ze haasten zich al naar de hoeren. Zie hun hartstocht branden, hun vorsten zijn dol op schande. 19Maar een wervelstorm zal hen meesleuren. Met al dat offeren zullen ze bedrogen uitkomen.

Oordeel over de leiders

1Luister, priesters! Hoor toe, oudsten van Israël! Leden van het hof, luister aandachtig! De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? Maar in Mispa hebben jullie mijn volk in de val gelokt, op de Tabor je netten voor hen uitgespreid; 2een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven. Maar Ik zal jullie leren, allemaal! 3Ik kende Efraïm, Israël lag Mij na aan het hart; maar nu is Efraïm overspelig geworden, Israël heeft zich onrein gemaakt. 4Hun daden verhinderen hen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor ze niet meer vertrouwd zijn met de HEER. 5Israëls hoogmoed zal tegen hemzelf getuigen, Efraïm struikelt door zijn wandaden; ook Juda sleept hij mee in zijn val. 6Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om de HEER te zoeken, zullen ze Hem niet vinden: Hij zal zich voor hen verborgen houden. 7Ze zijn de HEER ontrouw geweest en hebben bastaardkinderen voortgebracht. Maar vóór nieuwemaan worden ze met hun bezittingen verslonden.

8Blaas de ramshoorn in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Bet-Awen: ‘Te wapen, Benjamin!’ 9Efraïm zal een schrikbeeld worden als de dag van de vergelding komt; wat Ik over de stammen van Israël afkondig is onafwendbaar. 10De leiders van Juda stillen hun landhonger, maar Ik stort mijn woede als een vloed over hen uit. 11Efraïm wordt verdrukt en het recht wordt verkracht, omdat het volk onverstoorbaar achter nietswaardige goden aan liep. 12Als een etterwond ben Ik voor Efraïm, voor het volk van Juda als beenrot. 13Toen Efraïm merkte hoe ziek het was, en Juda zijn zwerende wonden zag, wendde Efraïm zich tot Assyrië om hulp te zoeken bij koning Kemphaan. Maar die kan geen genezing brengen, die heeft geen middel tegen hun kwalen. 14Want Ik ben het die Efraïm aanvalt als een leeuw, als een sterke leeuw keer Ik mij tegen het volk van Juda: Ikzelf zal hen verscheuren, Ik zal hen wegslepen, en niemand die hen redden kan. 15Ik ga terug naar de plaats waar Ik woon, totdat ze voor hun daden geboet hebben en Mij weer gaan zoeken. Door de nood gedreven zullen ze weer naar Mij vragen.

Hosea 3-5NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons