Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 210 / Jes. 8:23B-12:6, Ps. 104

Bijbeltekst(en)

23En wie daardoor omsloten wordt, zal niet ontkomen.

Licht in de duisternis

Zoals het land van Zebulon en Naftali

in het verleden smadelijk bejegend is,

zo wordt weldra eer bewezen aan de kuststreek,

het land aan de overkant van de Jordaan

en het domein van andere volken.

1Het volk dat in duisternis ronddoolt

ziet een schitterend licht.

Zij die in het donker wonen

worden door een helder licht beschenen.

2U hebt het volk weer groot gemaakt,

diepe vreugde gaf U het,

blijdschap als de vreugde bij de oogst,

zij jubelen als bij het verdelen van de buit.

3Het juk dat op hen drukte,

de stok op hun schouder, de staf van de drijver,

U hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds.

4Iedere laars die dreunend stampte

en elke mantel die doordrenkt is van bloed,

ze worden verbrand,

ze vallen ten prooi aan het vuur.

5Een kind is ons geboren,

een zoon is ons gegeven;

de heerschappij rust op zijn schouders.

Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman,

Sterke God, Eeuwige vader, Vredevorst.

6Groot is de heerschappij en zonder einde de vrede

voor de troon van David en voor zijn koninkrijk;

ze zijn gegrondvest op recht en gerechtigheid

en staan vast voor altijd en eeuwig.

De HEER van de hemelse machten

brengt dit in zijn vurige liefde tot stand.

De opgeheven hand van de HEER

7De Heer heeft zijn woord op Israël afgestuurd,

het heeft Jakobs volk getroffen.

8Het volk van Efraïm, de inwoners van Samaria,

zij hebben het ondervonden.

Hoogmoedig en verwaten zeiden ze:

9‘De bakstenen muren zijn ingestort,

wij herbouwen met gehouwen steen;

de vijgenbomen zijn geveld,

wij planten ceders in hun plaats.’

10De HEER heeft Resins vijanden tegen hen opgezet,

Hij heeft hun tegenstanders opgehitst:

11vanuit het oosten viel Aram aan,

vanuit het westen de Filistijnen,

en zij verslonden Israël met huid en haar.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

12Het volk keert niet terug naar wie hen sloeg,

de HEER van de hemelse machten zoeken zij niet.

13Daarom zal de HEER bij Israël op één dag

kop en staart, palmtak en riet afsnijden;

14de kop zijn de oudsten en aanzienlijken,

en de staart de leugenprofeten.

15De leiders van dit volk werden misleiders,

het volk dat leiding zoekt, is op een dwaalspoor gebracht.

16Daarom wil de Heer hun jongeren niet sparen,

zich over hun wezen en weduwen niet ontfermen.

Heel het volk is goddeloos en zondig,

iedereen verkondigt dwaasheid.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

17Hun goddeloosheid woedt als een verterend vuur:

dorens en distels verbranden, het bos vat vlam,

en alles verdwijnt in dikke rook.

18De toorn van de HEER van de hemelse machten

zal het land in duisternis hullen,

het volk valt ten prooi aan het vuur.

De mensen zullen elkaar niet ontzien:

19men bijt naar rechts, maar de honger blijft,

men hapt naar links, maar raakt niet verzadigd,

zelfs het vlees van hun verwanten eten zij.

20Manasse eet Efraïm, Efraïm Manasse,

en samen storten zij zich op Juda.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

1Wee degenen die onrechtvaardige wetten uitvaardigen,

die de onderdrukking wettelijk bekrachtigen.

2Zij verdraaien het recht van de zwakken

en ontnemen de armen van mijn volk hun deel.

Weduwen worden door hen beroofd, wezen uitgebuit.

3Maar wat doen jullie op de dag van de vergelding,

wanneer ver weg de storm opsteekt?

Bij wie zoeken jullie dan je toevlucht,

waar laten jullie je rijkdom?

4In gevangenschap zullen zij zuchten,

of sneuvelen in de strijd.

Maar nog is zijn woede niet bekoeld,

nog is zijn hand tegen hen opgeheven.

Oordeel over Assyrië, de stok in Gods hand

5Wee Assyrië, stok van mijn toorn,

staf waarmee Ik in mijn woede sla.

6Je koning zend Ik naar een goddeloos volk,

Ik stuur hem af op het volk dat Mij tergde,

om te plunderen en te roven en buit te behalen,

en hen te vertrappen als vuil op straat.

7Maar zo heeft hij dat niet bedoeld,

hij heeft iets anders in de zin,

hij streeft naar de ondergang van talloze volken.

8Hij zegt: ‘Zijn mijn aanvoerders niet allen koningen?

9Is het Kalno niet vergaan als Karkemis?

En Hamat als Arpad? Samaria als Damascus?

10Ik heb de hand gelegd op koninkrijken vol afgoden,

rijker aan beelden dan Jeruzalem en Samaria.

11Samaria met zijn afgoden heb ik vernietigd,

zou ik niet hetzelfde kunnen doen

met Jeruzalem en zijn godenbeelden?’

12Maar zodra de Heer met de Sion en Jeruzalem heeft gedaan wat Hij zich heeft voorgenomen, zal Hij de koning van Assyrië straffen om zijn hoogmoedige houding en trotse blik. 13Want deze beweerde:

‘Op eigen kracht heb ik dit gedaan,

in mijn grote wijsheid – want ik ben wijs!

Ik heb grenzen verlegd en volken geplunderd,

door mijn macht heb ik hen in het stof doen bijten.

14Zoals iemand een vogelnest vindt,

zo vond ik de rijkdom van die volken,

en zoals iemand verlaten eieren verzamelt,

zo nam ik heel de aarde in mijn handen.

Er was niemand meer die zijn vleugels bewoog

of die zijn snavel opende om te tjilpen.’

15Schept een bijl op tegen wie ermee hakt?

Verheft een zaag zich boven wie hem hanteert?

Alsof de stok slaat wie hem vastheeft,

alsof de staf optilt wie niet van hout is!

16Daarom laat God, de HEER van de hemelse machten,

de weldoorvoede Assyriërs vermageren,

Hij verteert hun welvaart als door een groot vuur.

17Het licht van Israël zal een vlam worden,

de Heilige van Israël een vuur;

op één dag verbrandt het hun dorens,

verteert het hun distels.

18De weelde van hun wouden en wijngaarden

vernietigt Hij, met alles wat daar leeft;

ze zullen wegkwijnen als een zieke.

19Wat blijft over van zijn bossen?

Enkele bomen, een kind kan ze tellen.

20Op die dag zullen de overgebleven Israëlieten niet langer vertrouwen stellen in hem door wie ze werden geslagen. Het deel van Jakobs volk dat ontkomen is, zal weer oprecht vertrouwen op de HEER, de Heilige van Israël. 21Een rest zal terugkeren naar de sterke God, de rest die van Jakob is overgebleven. 22Want, Israël, al bestond je volk uit zo veel mensen als er zand is bij de zee, slechts een rest zal terugkeren. Je vernietiging staat vast en de gerechtigheid zal overvloedig zijn. 23Want God, de HEER van de hemelse machten, heeft tot vernietiging van het hele land besloten.

24Daarom – dit zegt God, de HEER van de hemelse machten: Wees niet bang, mijn volk, dat op de Sion woont, wees niet bang voor Assyrië, dat jullie slaat met zijn stok en zijn staf tegen jullie opneemt, zoals eerder Egypte deed. 25Want nog een korte tijd, dan is de maat van mijn toorn vol en richt mijn woede zich op zijn ondergang. 26Dan zal de HEER van de hemelse machten hem met een gesel slaan, zoals Midjan bij de Rots van Oreb is geslagen; Hij zal zijn stok opnemen tegen de zee, zoals Hij eerder bij Egypte deed.

27Op die dag wordt de Assyrische last van je schouders genomen, je nek wordt van zijn juk bevrijd; het sterke juk zal verbrijzeld worden.

28Ze rukken op naar Ajjat, ze trekken door Migron;

ze laten de legertros bij Michmas achter, met de hele uitrusting.

29Ze steken het ravijn over. ‘In Geba zullen we overnachten!’

Rama siddert, Gibea van Saul vlucht weg.

30Gil het uit, Bat-Gallim! Laïs, geef gehoor!

Anatot is er slecht aan toe,

31Madmena slaat op de vlucht,

de inwoners van Gebim houden zich schuil.

32Vandaag nog houden ze halt bij Nob,

ze ballen de vuist tegen de Sion,

tegen de heuvel van Jeruzalem.

33God, de HEER van de hemelse machten,

houwt met geweld hun takken af;

de hoogste bomen worden omgehakt,

de statigste stammen neergehaald.

34Met een bijl kapt Hij de struiken weg.

Heel de Libanon wordt door de Machtige geveld.

Vrede en gerechtigheid door de telg van Isaï

1Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op,

een scheut van zijn wortels komt tot bloei.

2De geest van de HEER zal op hem rusten:

een geest van wijsheid en inzicht,

een geest van kracht en verstandig beleid,

een geest van kennis en ontzag voor de HEER.

3Hij ademt ontzag voor de HEER;

zijn oordeel stoelt niet op uiterlijke schijn,

noch grondt hij zijn vonnis op geruchten.

4Over de zwakken velt hij een rechtvaardig oordeel,

de armen in het land geeft hij een eerlijk vonnis.

Hij tuchtigt de aarde met de gesel van zijn mond,

met de adem van zijn lippen doodt hij de schuldigen.

5Hij draagt gerechtigheid als een gordel om zijn lendenen

en trouw als een gordel om zijn heupen.

6Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,

een panter vlijt zich bij een bokje neer;

kalf en leeuw zullen samen weiden

en een kleine jongen zal ze hoeden.

7Een koe en een berin grazen samen,

hun jongen liggen bijeen;

een leeuw eet stro, net als een rund.

8Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,

een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.

9Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil

op heel mijn heilige berg.

Want kennis van de HEER vervult de aarde,

zoals het water de bodem van de zee bedekt.

10Op die dag zal de telg van Isaï

als een vaandel voor alle volken staan.

Dan zullen de volken hem zoeken

en zijn woonplaats zal schitterend zijn.

Terugkeer van de overgebleven Israëlieten

11Op die dag heft de Heer opnieuw zijn hand op

om wat van zijn volk nog overbleef vrij te kopen

uit Assyrië en Egypte,

uit Patros, Nubië en Elam,

uit Sinear en Hamat,

en van de eilanden in zee.

12Dan steekt Hij een vaandel op voor de volken.

Hij brengt bijeen wie uit Israël verdreven waren,

de vluchtelingen uit Juda brengt Hij samen,

van de vier uiteinden van de aarde.

13Efraïms afgunst zal verdwijnen,

aan Juda’s vijandschap komt een eind.

Efraïm is niet meer afgunstig op Juda,

Juda is Efraïm niet meer vijandig.

14Ze strijken neer op de flank van Filistea, aan de zee,

samen beroven zij de stammen in het oosten;

ze leggen de hand op Edom en Moab

en de Ammonieten zullen hun gehoorzamen.

15Dan zal de HEER de zeearm van Egypte splijten;

de Eufraat bedwingt Hij met zijn machtige adem,

Hij slaat het water uiteen in zeven beken

waar men droogvoets door kan gaan.

16Zo baant Hij een weg uit Assyrië

voor wat er van zijn volk nog overbleef,

zoals eens voor Israël, toen het wegtrok uit Egypte.

Loflied

1Op die dag zul je zeggen:

‘Ik zal U loven, HEER.

U bent woedend op mij geweest,

maar uw toorn is geweken, U troost mij.

2God, Hij is mijn redder.

Ik heb een vast vertrouwen, ik ben niet bang,

want de HEER is mijn sterkte, Hij is mijn beschermer,

Hij heeft mij redding gebracht.’

3Vol vreugde zullen jullie water putten

uit de bron van de redding.

4Op die dag zullen jullie zeggen:

‘Loof de HEER, roep zijn naam uit.

Maak alle volken zijn daden bekend,

verkondig zijn verheven naam.

5Zing een lied voor de HEER,

machtig zijn zijn daden.

Laat heel de aarde dit weten.

6Jubel en juich, inwoners van Sion,

want groot is de Heilige van Israël,

die in jullie midden woont.’

Jesaja 8:23-12:6NBV21Open in de Bijbel

1Prijs de HEER, mijn ziel.

HEER, mijn God, hoe groot bent U.

Met glans en glorie bent U bekleed,

2in een mantel van licht gehuld.

U spant de hemel uit als een tentdoek

3en bouwt op de wateren uw hoge zalen,

U maakt van de wolken uw wagen

en beweegt u op de vleugels van de wind,

4U maakt van de winden uw boden,

van vlammend vuur uw dienaren.

5U hebt de aarde op pijlers vastgezet,

tot in eeuwigheid wankelt zij niet.

6De oerzee bedekte haar als een kleed,

tot boven de bergen stonden de wateren.

7Toen U dreigde, vluchtten zij weg,

toen uw donderstem klonk, stoven zij heen:

8naar hoog in de bergen, naar diep in de dalen,

naar de plaatsen die U had bepaald.

9U stelde een grens die zij niet overschrijden,

nooit weer zullen zij de aarde bedekken.

10U leidt het water van de bronnen door beken,

tussen de bergen beweegt het zich voort.

11Het drenkt alles wat leeft in het veld,

wilde ezels lessen er hun dorst.

12Daarboven wonen de vogels van de hemel,

uit het dichte groen klinkt hun gezang.

13U bevloeit de bergen vanuit uw hoge zalen,

door uw daden raakt de aarde verzadigd.

14Gras laat U groeien voor het vee

en gewassen die de mens moet verbouwen.

Zo zal hij brood winnen uit de aarde

15en wijn die het mensenhart verheugt,

geurige olie die het gelaat doet stralen,

ja brood dat het mensenhart versterkt.

16De bomen van de HEER zuigen zich vol,

de ceders van de Libanon, door Hemzelf geplant.

17De vogels bouwen daar hun nesten,

in de cipressen huizen ooievaars.

18De hoge bergen zijn voor de steenbokken,

in de kloven schuilen de klipdassen.

19U hebt de maan gemaakt voor de tijden,

de zon weet wanneer zij moet ondergaan.

20Als U het duister spreidt, valt de nacht,

en alles wat leeft in het woud gaat zich roeren.

21De jonge leeuwen gaan uit op roof,

brullend vragen zij God om voedsel.

22Bij zonsopgang trekken zij zich terug

en leggen zich neer in hun legers.

23De mensen gaan aan het werk

en arbeiden door tot de avond.

24Hoe talrijk zijn uw werken, HEER.

Alles hebt U met wijsheid gemaakt,

vol van uw schepselen is de aarde.

25Zie hoe wijd de zee zich uitstrekt.

Daar wemelt het, zonder tal,

van dieren, klein en groot.

26Daar bewegen de schepen zich voort,

daar gaat Leviatan, door U gemaakt om mee te spelen.

27En allen zien ernaar uit

dat U voedsel geeft, op de juiste tijd.

28Geeft U het, dan doen zij zich tegoed,

opent zich uw hand, dan worden zij verzadigd.

29Verberg uw gelaat en zij bezwijken van angst,

ontneem hun de adem en het is met hen gedaan,

dan keren zij terug tot het stof dat zij waren.

30Zend uw adem en zij worden geschapen,

zo geeft U de aarde een nieuw gelaat.

31De luister van de HEER moge eeuwig duren,

laat de HEER zich verheugen in zijn werken.

32Hij richt zijn oog op de aarde en zij beeft,

Hij raakt de bergen aan en zij stoten rook uit.

33Voor de HEER wil ik zingen zolang ik leef,

een lied voor mijn God zolang ik besta.

34Moge mijn lofzang de HEER behagen,

zoals ik mijn vreugde vind in Hem.

35Zondaars zullen van de aardbodem verdwijnen,

onrechtvaardigen zullen niet meer bestaan.

Prijs de HEER, mijn ziel.

Halleluja!

Psalmen 104NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.19.2
Volg ons