Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 209 / Jes. 6:1-8:23A

Bijbeltekst(en)

Jesaja geroepen

1In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. 2Boven Hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. 3Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ 4Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. 5Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.’ 6Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiend kooltje van het altaar en vloog daarmee op mij af. 7Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Dit heeft je lippen aangeraakt; je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’ 8Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal Ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ 9Toen zei Hij: ‘Ga naar dit volk en profeteer het volgende tegen hen: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” 10Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren en met hun hart niet begrijpen. Ze zullen niet naar Mij terugkeren en geen herstel vinden.’ 11Ik vroeg: ‘Hoe lang, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij. 12Totdat de HEER de mensen heeft weggevoerd en er totale verlatenheid heerst in het land. 13En als er nog een tiende deel achterblijft, dan zal ook dat vernietigd worden, zoals er van een eik of terebint na het vellen slechts een stronk overblijft. Maar wat uit die stronk voortkomt, is heilig.’

Het teken van Immanuel

1In de tijd dat Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, regeerde over Juda, trok koning Resin van Aram samen met koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, op naar Jeruzalem. Hij belegerde de stad, maar slaagde er niet in haar in te nemen. 2Toen het koningshuis van David het bericht kreeg dat Aram zich in Efraïm had gelegerd, sloeg de koning en zijn volk de schrik om het hart, en zij beefden als bomen in de storm. 3Toen zei de HEER tegen Jesaja: ‘Ga samen met je zoon Sear-Jasub op weg om Achaz te ontmoeten, op de straat van het bleekveld, waar de watertoevoer in het bovenste waterbekken uitkomt. 4Zeg tegen hem: “Houd het hoofd koel, laat u geen schrik aanjagen door die twee smeulende stukken hout, Resin van Aram en de zoon van Remaljahu, hoe hoog hun woede ook oplaait. 5Aram mag dan kwaad tegen u in de zin hebben, net als Efraïm met die zoon van Remaljahu, en zeggen: 6‘Laten we tegen Juda ten strijde trekken, het met angst vervullen en overmeesteren, en dan stellen we de zoon van Tabeal aan als koning’ – 7maar dit zegt God, de HEER: Het zal niet gebeuren, het zal niet zo gaan. 8-9Immers, het hoofd van Aram is Damascus, en het hoofd van Damascus is die Resin; het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is die zoon van Remaljahu. Trouwens, nog vijfenzestig jaar en het volk van Efraïm bestaat niet meer. Maar als jullie geen vertrouwen hebben, houden jullie geen stand.”’

10De HEER liet verder tegen Achaz zeggen: 11‘Vraag om een teken van de HEER, uw God, hetzij uit de diepte van het dodenrijk hetzij uit de hoge hemel.’ 12Maar Achaz antwoordde: ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal de HEER niet op de proef stellen.’ 13Toen antwoordde Jesaja: ‘Luister, huis van David. Is het u niet genoeg mensen te tergen? Moet u nu ook mijn God tergen? 14Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen. 15Boter en honing zal hij eten, totdat hij in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen. 16Want voordat de jongen in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land van de beide koningen die u zoveel angst inboezemen, geheel verlaten zijn. 17En voor u, uw volk en uw koningshuis zal de HEER een tijd laten aanbreken zoals men niet meer heeft meegemaakt sinds Efraïm zich van Juda afscheidde: de heerschappij van Assyrië.’

18Op die dag zal de HEER de vliegen van de verste waterstromen van Egypte bijeenfluiten, en uit Assyrië een zwerm bijen. 19Ze zullen allemaal komen en neerstrijken in steile rivierdalen en in rotsspleten, bij iedere drinkplaats en op elke doornstruik. 20Op die dag zal de Heer met een aan de overkant van de Eufraat gehuurd scheermes – de koning van Assyrië – bij jullie alle haren van hoofd en onderlichaam afscheren en zelfs de baard. 21Op die dag zal men een jonge koe houden en twee schapen. 22Doordat ze ruimschoots melk geven, zal iedereen boter eten. Voor wie in het land achterblijven is er boter en honing. 23Op die dag zal elk stuk grond waar duizend wijnstokken staan ter waarde van duizend sjekel zilver, door dorens en distels overwoekerd worden. 24Alleen met pijl en boog dringt men er door; dorens en distels versperren overal de weg. 25Hellingen die met de hak zijn bewerkt, zullen onbereikbaar worden door vervaarlijke dorens en distels. Men kan er slechts de runderen heen drijven, het door de schapen laten vertrappen.

Onheil over een volk zonder vertrouwen

1De HEER zei tegen mij: ‘Neem een groot schrijftablet en noteer daarop in leesbaar schrift: haastige roof, spoedige buit.’ 2Als betrouwbare getuigen koos ik de priester Uria en Zecharja, de zoon van Jeberechjahu. 3Ik had gemeenschap met de profetes; zij werd zwanger en baarde een zoon. De HEER zei tegen mij: ‘Geef hem de naam Maher-Salal-Chas-Baz. 4Want nog voordat de jongen vader en moeder kan zeggen, zullen de rijkdommen van Damascus en de schatten van Samaria door de koning van Assyrië worden buitgemaakt.’

5De HEER zei verder nog tegen mij: 6‘Omdat dit volk het kabbelende water van Siloach verwerpt en zijn geluk zoekt bij Resin en de zoon van Remaljahu, 7zal de Heer de koning van Assyrië en zijn geweldige legermacht over hen uitstorten als de grote watermassa’s van de Eufraat: ze zullen zwellen en buiten hun oevers treden. 8Ze zullen Juda binnendringen en het overspoelen, zodat het water ieder tot de lippen stijgt. Ze zullen je land over de volle breedte overvleugelen, Immanuel.’

9Roep op tot de strijd, volken, beef van angst. Luister, volken van de verste hoeken van de aarde. Gord je wapens aan en beef van angst, ja, gord je wapens aan en beef van angst. 10Smeed een plan – het zal verijdeld worden; sluit een overeenkomst – het zal nergens toe leiden. Want God is met ons.

11Toen greep de HEER mij bij de hand en hield me voor dat ik niet de weg van dit volk moest gaan. Hij zei: 12‘Noem niet alles een samenzwering wat zij een samenzwering noemen. Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt, heb er geen ontzag voor. 13Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig, voor Hem zijn angst en ontzag op hun plaats. 14Hij zal een heiligdom zijn, maar ook de steen waaraan men zich stoot, de rots waarover de twee koningshuizen van Israël struikelen, de valstrik en het net waarin de inwoners van Jeruzalem verstrikt raken. 15Velen zullen struikelen, ze komen ten val en worden vermorzeld, raken verstrikt en worden gevangen.’

16Ik zal mijn getuigenis zorgvuldig bewaren, dit onderricht in mijn leerlingen verzegelen. 17Ik zal wachten op de HEER, hoewel Hij zich van het volk van Jakob heeft afgewend; ik heb mijn hoop op Hem gevestigd. 18Ik ben, met de kinderen die de HEER mij heeft gegeven, een teken voor Israël, een zinnebeeld van de HEER van de hemelse machten, die op de Sion woont.

19Wanneer men jullie vraagt om de geesten van doden te raadplegen en te luisteren naar het gefluister en gemompel van schimmen – elk volk raadpleegt toch zijn goden en vraagt de doden om raad voor de levenden? –, 20ga dan alleen af op dit onderricht, op mijn getuigenis. Want de woorden van schimmen kunnen het kwaad niet bezweren.

21Moedeloos en hongerig zullen de mensen door het land zwerven. Ze zullen honger lijden en in hun woede de koning en hun God vervloeken. Ze kijken omhoog 22of staren naar de grond, maar overal heerst verstikkende duisternis; donker en somber is het, nacht overal. 23En wie daardoor omsloten wordt, zal niet ontkomen.

Licht in de duisternis

Zoals het land van Zebulon en Naftali

in het verleden smadelijk bejegend is,

zo wordt weldra eer bewezen aan de kuststreek,

het land aan de overkant van de Jordaan

en het domein van andere volken.

Jesaja 6:1-8:23NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons