Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 208 / 2Kon. 15-16, Spr. 15

Bijbeltekst(en)

Azarja, koning van Juda

1Azarja, de zoon van Amasja, werd koning van Juda in het zevenentwintigste regeringsjaar van koning Jerobeam van Israël. 2Hij was zestien jaar oud toen hij koning werd. Tweeënvijftig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jecholja, ze was afkomstig uit Jeruzalem. 3Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn vader Amasja gedaan had. 4Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden.

5De HEER trof de koning met een huidziekte die onrein maakt, waaraan hij leed tot op de dag van zijn dood. Al die tijd leefde hij in afzondering, terwijl zijn zoon Jotam de gang van zaken in het paleis regelde en ook het landsbestuur waarnam. 6Verdere bijzonderheden over Azarja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 7Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Jotam volgde hem op.

Zecharja, koning van Israël

8Zecharja, de zoon van Jerobeam, werd koning van Israël in het achtendertigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Zes maanden regeerde hij in Samaria. 9Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: net zomin als zijn voorvaders brak hij met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

10Tegen Zecharja werd een samenzwering beraamd door Sallum, de zoon van Jabes. Deze liet hem publiekelijk ter dood brengen en werd in zijn plaats koning. 11Verdere bijzonderheden over Zecharja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 12De HEER had aan Jehu voorzegd dat zijn nakomelingen tot in de vierde generatie op de troon van Israël zouden zitten, en zo is het ook gebeurd.

Sallum, koning van Israël

13Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste regeringsjaar van koning Uzzia van Juda. Eén maand regeerde hij in Samaria. 14Menachem, de zoon van Gadi, trok vanuit Tirsa naar Samaria op en versloeg Sallum, de zoon van Jabes. Hij doodde hem en werd in zijn plaats koning. 15Verdere bijzonderheden over Sallum en over de samenzwering die hij beraamde zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 16Toen Menachem vanuit Tirsa optrok, wilden de inwoners van Tifsach hem geen vrije doortocht verlenen. Daarom veroverde hij Tifsach, doodde alle inwoners van de stad en omgeving en reet alle zwangere vrouwen de buik open.

Menachem, koning van Israël

17Menachem, de zoon van Gadi, werd koning van Israël in het negenendertigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Tien jaar regeerde hij in Samaria. 18Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: zijn leven lang brak hij niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

19In die tijd viel koning Pul van Assyrië het land binnen. Menachem gaf Pul duizend talent zilver om zich te verzekeren van diens steun bij het handhaven van zijn koningschap. 20Daartoe legde hij de vermogende Israëlieten een schatting op van vijftig sjekel zilver per hoofd. Hij droeg het zilver over aan de koning van Assyrië, die daarop zijn troepen terugtrok en het land niet bezette. 21Verdere bijzonderheden over Menachem zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël. 22Toen hij bij zijn voorouders te ruste ging, volgde zijn zoon Pekachja hem op.

Pekachja, koning van Israël

23Pekachja, de zoon van Menachem, werd koning van Israël in het vijftigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Twee jaar regeerde hij in Samaria. 24Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

25Tegen Pekachja werd een samenzwering beraamd door zijn adjudant Pekach, de zoon van Remaljahu. Met de hulp van vijftig Gileadieten doodde Pekach de koning, en ook Argob en Arje, in het versterkte deel van het paleis in Samaria. Hij doodde Pekachja en werd in zijn plaats koning. 26Verdere bijzonderheden over Pekachja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël.

Pekach, koning van Israël

27Pekach, de zoon van Remaljahu, werd koning van Israël in het tweeënvijftigste regeringsjaar van koning Azarja van Juda. Twintig jaar regeerde hij in Samaria. 28Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER: hij brak niet met de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat, die de Israëlieten tot zonde had aangezet.

29In de tijd van koning Pekach van Israël viel koning Tiglatpileser van Assyrië het land binnen. Hij veroverde Ijjon, Abel-Bet-Maächa, Janoach, Kedes en Hasor, Gilead en Galilea inclusief het gebied van Naftali, en voerde de inwoners van die steden en gebieden als ballingen naar Assyrië mee.

30Tegen Pekach, de zoon van Remaljahu, werd een samenzwering beraamd door Hosea, de zoon van Ela. Het was in het twintigste regeringsjaar van koning Jotam, de zoon van Uzzia, dat Hosea Pekach doodde en in zijn plaats koning werd. 31Verdere bijzonderheden over Pekach zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël.

Jotam, koning van Juda

32Jotam, de zoon van Uzzia, werd koning van Juda in het tweede regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. 33Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jerusa, de dochter van Sadok. 34Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER en volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn vader Uzzia. 35Toch bleven de offerplaatsen bestaan en bleven de Judeeërs daar offers brengen en wierook branden.

Het was Jotam die de Bovenpoort van de tempel van de HEER bouwde. 36Verdere bijzonderheden over Jotam zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 37Het was in die tijd dat de HEER voor het eerst koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël op Juda afstuurde. 38Toen Jotam stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Achaz volgde hem op.

Achaz, koning van Juda

1Achaz, de zoon van Jotam, werd koning van Juda in het zeventiende regeringsjaar van koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu. 2Hij was twintig jaar oud toen hij koning werd. Zestien jaar regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed niet wat goed is in de ogen van de HEER, zoals zijn voorvader David, 3maar volgde het voorbeeld van de koningen van Israël. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven. 4Hij bracht offers en brandde wierook op de offerplaatsen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.

5In die tijd trokken koning Resin van Aram en koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, tegen Jeruzalem ten strijde. Ze dreven Achaz in het nauw, maar slaagden er niet in hem te overwinnen. 6Het was in diezelfde tijd dat koning Resin van Aram Elat weer bij zijn rijk inlijfde en de Judeeërs eruit verdreef. De Edomieten trokken Elat binnen, en ze zijn er gebleven tot op de dag van vandaag. 7Achaz stuurde gezanten naar koning Tiglatpileser van Assyrië, met de boodschap: ‘Ik ben uw dienaar en uw zoon. Trek op en verlos mij uit de greep van de koning van Aram en de koning van Israël, die zich tegen mij hebben gekeerd.’ 8Hij liet het goud en het zilver uit de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis halen en bood dat de koning van Assyrië als geschenk aan. 9De koning van Assyrië gaf gehoor aan Achaz’ verzoek. Hij trok op tegen Damascus en nam de stad in. De bevolking voerde hij als ballingen naar Kir, en Resin liet hij ter dood brengen.

10Koning Achaz ging naar Damascus om koning Tiglatpileser van Assyrië te ontmoeten. Toen hij het altaar in Damascus zag, stuurde hij een model en een gedetailleerd bouwplan naar de priester Uria. 11Nog voordat Achaz terugkeerde liet Uria het altaar nabouwen, precies volgens het ontwerp dat de koning hem vanuit Damascus had gestuurd. 12Toen koning Achaz uit Damascus terugkeerde, nam hij het altaar in ogenschouw, liep ernaartoe en besteeg de treden. 13Hij droeg persoonlijk verschillende offers op: een brandoffer, een graanoffer en een wijnoffer, en goot het bloed van de dieren voor het vredeoffer tegen de zijkanten van het altaar. 14Tussen het nieuwe altaar en de tempel stond nog het bronzen altaar ter ere van de HEER. Dat liet hij verwijderen en opzij van het nieuwe altaar opstellen, aan de noordkant. 15Hij beval de priester Uria: ‘Op dit grote altaar moeten vanaf nu ’s morgens het brandoffer en ’s avonds het graanoffer worden opgedragen. Ook het brandoffer en het graanoffer van de koning moeten daar worden opgedragen, evenals de brandoffers, de graan- en de wijnoffers van het volk, en het bloed van de offerdieren moet tegen de zijkanten van het grote altaar worden gegoten. Het bronzen altaar gebruik ik voortaan zelf, wanneer ik God wil raadplegen.’ 16De priester Uria voerde alles precies uit zoals de koning het hem had opgedragen. 17Verder liet koning Achaz de spoelbekkens van hun onderstellen halen en de panelen van de onderstellen slopen. Het grote bekken, de Zee, liet hij verwijderen van de bronzen runderen waarop het rustte, en op een stenen fundering zetten. 18Ook liet hij het sabbatsbaldakijn dat men aan de tempel had aangebouwd en de speciale opgang voor de koning verplaatsen naar de binnenkant van de tempel, opdat de koning van Assyrië ze niet te zien zou krijgen.

19Verdere bijzonderheden over Achaz zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Juda. 20Toen hij stierf, werd hij begraven bij zijn voorouders in de Davidsburcht. Zijn zoon Hizkia volgde hem op.

2 Koningen 15-16NBV21Open in de Bijbel

1Een vriendelijk antwoord doet drift bedaren,

krenkende woorden wakkeren woede aan.

2De woorden van wijzen verschaffen inzicht,

de mond van dwazen brengt niets dan onzin voort.

3De ogen van de HEER zijn overal,

zowel de goeden als de kwaden houdt Hij in het oog.

4Kalme woorden zijn een levensboom,

een valse tong vernietigt de geest.

5Een dwaas veracht zijn vaders vermaning,

wie berispingen ter harte neemt is verstandig.

6Het huis van een rechtvaardige bergt talloze schatten,

in de winst van een goddeloze schuilt ellende.

7De mond van de wijze verspreidt kennis,

uit het hart van de dwaas komt niets.

8Het offer van de goddelozen is de HEER een gruwel,

het gebed van de oprechten is Hem welgevallig.

9De weg van de goddelozen is de HEER een gruwel,

wie rechtvaardigheid nastreeft, heeft Hij lief.

10Wie het rechte pad verlaat, wordt zwaar gestraft,

wie berispingen verafschuwt, sterft.

11De HEER doorgrondt de afgrond van het dodenrijk,

hoeveel te meer het mensenhart.

12Een spotter wordt niet graag terechtgewezen,

nooit wendt hij zich tot de wijzen.

13Een vrolijk hart brengt een lach op het gezicht,

een verdrietig hart stemt de geest somber.

14Een verstandig mens hongert naar kennis,

een dwaas voedt zich met domheid.

15Voor de arme is elke dag weer een kwelling,

voor een blijmoedig mens is het leven een feest.

16Beter een schamel bezit en ontzag voor de HEER

dan grote rijkdom en veel onrust.

17Beter een karige schotel groenten en liefde

dan een vetgemeste os en haat.

18Een driftkop wakkert ruzie aan,

wie kalm is, sust een twistgesprek.

19Het pad van een luiaard is vol dorens,

de weg van de oprechten is geëffend.

20Een wijze zoon geeft zijn vader veel vreugde,

een dwaas minacht zijn moeder.

21Voor wie geen verstand heeft, is dwaasheid een vreugde,

een mens met inzicht kiest de juiste weg.

22Bij gebrek aan overleg mislukken plannen,

ze slagen pas na rijp beraad.

23Een mens vindt vreugde in een goedgekozen antwoord,

de juiste woorden op de juiste tijd – hoe voortreffelijk is dat.

24De levensweg van een verstandig mens voert omhoog,

hij blijft op verre afstand van de diepte van het dodenrijk.

25De HEER verwoest het huis van de hoogmoedigen,

het bezit van weduwen beschermt Hij.

26Snode plannen zijn de HEER een gruwel,

vriendelijke woorden zijn zuiver.

27Wie woekerwinst najaagt, richt zijn huis te gronde,

wie steekpenningen haat, zal leven.

28Een rechtvaardige denkt na voordat hij antwoordt,

uit de mond van goddelozen komt alleen maar onheil.

29De HEER blijft ver van de goddelozen,

maar het gebed van de rechtvaardigen hoort Hij.

30Een stralend gezicht verblijdt het hart,

een goed bericht verkwikt het lichaam.

31Wie luistert naar de lessen van het leven

schaart zich onder de wijzen.

32Wie zich niet laat terechtwijzen, doet zichzelf tekort,

wie berispingen ter harte neemt, wint daarbij.

33Wie ontzag heeft voor de HEER, wint aan wijsheid,

bescheidenheid gaat aan eerbetoon vooraf.

Spreuken 15NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons