Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 207 / Am. 7-9

Bijbeltekst(en)

Visioenen

1Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag hoe Hij een zwerm sprinkhanen schiep net toen het nagras opkwam. (Dat is het gras dat opkomt nadat er voor de koning al gemaaid is.) 2En toen de sprinkhanen ook het laatste groen van het land wegvraten, zei ik: ‘HEER, mijn God, vergeef het volk van Jakob toch, hoe zou het dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ 3Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Het zal niet gebeuren,’ zei de HEER.

4Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag hoe God, de HEER, bevel gaf om het land met vuur te straffen. De vlammen verteerden het water in de diepte, en toen ze over het land sloegen 5zei ik: ‘HEER, mijn God, ik smeek U: houd op hiermee! Hoe zou het volk van Jakob dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ 6Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Ook dit zal niet gebeuren,’ zei God, de HEER.

7Dit heeft Hij mij laten zien: Ik zag hoe de Heer op een loden muur stond met een loden voorwerp in zijn hand. 8En de HEER vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ Ik antwoordde: ‘Lood.’ Toen zei de Heer: ‘Een loden last zal Ik mijn volk Israël opleggen, Ik zal het niet langer sparen. 9De offerhoogten van Isaaks volk zullen worden verwoest, de heiligdommen van Israël zullen in puin vallen, en Ik zal het huis van Jerobeam treffen met het zwaard.’

10Toen stuurde Amasja, de priester van Betel, deze boodschap aan Jerobeam, de koning van Israël: ‘Amos hitst de Israëlieten tegen u op; het volk zal geen weerstand aan zijn woorden kunnen bieden. 11Hij zegt dat u, Jerobeam, door het zwaard zult sterven en dat Israël van zijn grond zal worden verbannen.’ 12Daarna zei Amasja tegen Amos: ‘Ziener, verdwijn! Ga terug naar Juda en verdien daar je brood, ga daar maar profeteren. 13Hier in Betel mag je niet langer profeteren, want dit is het heiligdom van de koning, dit is de koninklijke tempel.’ 14Maar Amos antwoordde: ‘Ik ben helemaal geen profeet, en ook geen leerling van een profeet. Ik ben veeboer en vijgenteler. 15Maar de HEER heeft me achter mijn schapen vandaan gehaald, en het is de HEER die tegen me heeft gezegd: “Ga naar mijn volk Israël en profeteer daar.” 16Luister daarom naar de woorden van de HEER. Jij zegt dat ik niet mag profeteren in Israël, geen profeet mag zijn voor Isaaks volk. 17Daarom – zegt de HEER – zal je vrouw in de stad als hoer moeten leven, zullen je zonen en dochters sterven door het zwaard en zal je land in stukken worden verdeeld. Jijzelf zult op onreine grond sterven en Israël zal van zijn grond worden verbannen.’

1Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag een mand met rijp fruit. 2En de HEER vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ Ik antwoordde: ‘Een mand met rijp fruit.’ Toen zei de HEER: ‘Weldra zal de tijd rijp zijn, Ik zal mijn volk Israël niet langer sparen. 3Op die dag zal er in de tempel alleen nog gejammer klinken’ – spreekt God, de HEER –, ‘overal liggen lijken, overal zijn ze neergeworpen. – Wees stil!’

4Jullie die de armen kwaad willen berokkenen en uit zijn op de ondergang van de machtelozen van dit land, luister! 5Jullie zeggen: ‘Wanneer is de dag van de nieuwemaan voorbij, zodat we weer koren kunnen verkopen? Wanneer de sabbat, zodat we weer graan kunnen verhandelen?’ Jullie maken de efa kleiner, jullie maken de sjekel zwaarder en jullie knoeien met de weegschaal. 6Jullie kopen de zwakken voor een handvol zilver, de armen voor een paar sandalen, en jullie zeggen: ‘Ook het kaf verkopen we als graan!’ 7Dit zweert de HEER bij de trots van Jakobs volk: Nooit zal Ik een van jullie daden vergeten. 8Daarom zal de aarde beven, en al wat erop leeft gaat in rouw gehuld. Ze zal in haar geheel omhoogkomen, zoals de Nijl; ze zal kolken en weer wegzinken, zoals de rivier van Egypte. 9Op die dag – spreekt God, de HEER – zal Ik op het middaguur de zon doen ondergaan, en het land verduisteren op klaarlichte dag. 10Ik verander jullie feesten in rouw, jullie liederen in klaagzangen; om jullie heupen gord Ik een rouwkleed, en jullie hoofden scheer Ik kaal. Jullie zullen treuren als om de dood van een enig kind, en die dag zal eindigen in bitterheid.

11Weet dat de dagen komen – spreekt God, de HEER – dat Ik het land zal laten hongeren. Het zal geen honger zijn naar brood of dorst naar water, maar naar de woorden van de HEER. 12Het volk zal zwerven van de ene zee naar de andere, en dwalen van het noorden naar het oosten om de woorden van de HEER te zoeken, maar ze zullen die niet vinden. 13Mooie meisjes en flinke jongens zullen op die dag van dorst bezwijken. 14Zij die zweren bij de zonde van Samaria, bij de god van Dan en de pelgrimstocht naar Berseba, zij zullen vallen en niet meer opstaan.

1Ik zag de Heer bij het altaar staan, en Hij zei: ‘Sla op het kapiteel, laat de drempels dreunen! Sla de stenen stuk op de hoofden; wie er dan nog overblijven, zal Ik zelf doden met het zwaard. Niemand die vlucht zal ontsnappen; niemand die ontsnapt zal ontkomen. 2Al kruipen ze de onderwereld in, Ik breng ze naar boven; al klimmen ze op naar de hemel, Ik haal ze naar beneden. 3Al verschuilen ze zich op de top van de Karmel, Ik zal ze weten te vinden en ze daar weghalen; al proberen ze zich voor Mij te verbergen op de bodem van de zee, Ik zal de slang daar bevelen om hen te bijten. 4Al worden ze door hun vijanden gevangengenomen en weggevoerd, dan nog geef Ik het zwaard bevel om hen te doden. Ik houd mijn oog op hen gericht, ten kwade, niet ten goede.’

5God, de HEER van de hemelse machten, raakt de aarde aan

en ze beeft, al haar bewoners gaan in rouw gehuld.

Ze komt omhoog als de Nijl, zinkt weg als de rivier van Egypte.

6Hij die in de hemel zijn verheven verblijf heeft gebouwd,

Hij die het hemelgewelf op de aarde laat rusten,

Hij die het water van de zee bijeenroept en het uitstort over de aarde –

zijn naam is HEER.

7Zijn jullie Israëlieten voor Mij soms meer dan de Nubiërs? – spreekt de HEER. Ik heb jullie uit Egypte weggeleid, maar ook de Filistijnen uit Kreta en de Arameeërs uit Kir. 8De ogen van God, de HEER, zijn gericht op dit zondige koninkrijk. Ik zal het van de aardbodem wegvagen, maar Ik zal niet het hele volk van Jakob vernietigen – spreekt de HEER.

9Op mijn bevel zullen de Israëlieten door alle volken heen worden geschud, als in een zeef waar niet één steentje doorheen valt. 10Alle zondaars in mijn volk zullen sterven door het zwaard, ook al zeggen ze: ‘U zorgt er wel voor dat het kwaad ons niet treft, dat het ver van ons blijft.’

Herstel van Israël

11De dag komt dat Ik het vervallen huis van David zal herbouwen; Ik zal de muren herstellen en opbouwen wat is neergehaald, Ik zal het in zijn vroegere luister herstellen. 12Dan zal Israël in bezit nemen wat er nog rest van Edom en van alle volken die Mij eens toebehoorden – spreekt de HEER, die dit alles doen zal.

13Ja, de dagen komen – spreekt de HEER – dat de ploeger de maaier ontmoet en de druiventreder de zaaier, dat de bergen druipen van de wijn en alle heuvels golven van het koren. 14Ik zal het lot van mijn volk Israël ten goede keren. Zij zullen hun verwoeste steden herbouwen en erin wonen, ze zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken, ze zullen tuinen aanleggen en de vruchten ervan eten. 15Ik zal hen terugplanten in hun grond, en zij zullen niet meer worden weggerukt uit het land dat Ik hun heb gegeven – zegt de HEER, jullie God.

Amos 7-9NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.18.8
Volg ons