Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 2 / Gen. 4-5, Ps. 37

Bijbeltekst(en)

Adams zonen

1De mens had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER,’ zei ze, ‘heb ik het leven geschonken aan een man!’ 2Daarna bracht ze zijn broer Abel ter wereld. Abel werd herder, Kaïn werd landbouwer. 3Na verloop van tijd bracht Kaïn de HEER een offer van de opbrengst van het land. 4Ook Abel bracht een offer: van de eerstgeboren dieren van zijn kudde offerde hij de beste stukken vlees. De HEER schonk aandacht aan Abel en zijn offer, 5maar aan Kaïn en zijn offer niet. Dat maakte Kaïn woedend, zijn blik werd donker. 6De HEER zei tegen hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? 7Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’ 8Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. 9Toen vroeg de HEER: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ 10‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar Mij schreeuwt. 11Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer uit jouw hand te ontvangen. 12Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’ 13Kaïn zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar. 14U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag U niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ 15Maar de HEER beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En Hij merkte Kaïn met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan. 16Toen ging Kaïn bij de HEER vandaan en hij vestigde zich in Nod, een land ten oosten van Eden.

17Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Chanoch ter wereld. Kaïn was toen een stad aan het bouwen en hij noemde die Chanoch, naar zijn zoon. 18Chanoch kreeg een zoon, Irad. Irad was de vader van Mechujaël, Mechujaël was de vader van Metusaël en Metusaël was de vader van Lamech. 19Lamech nam twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla. 20Ada bracht Jabal ter wereld; hij werd de stamvader van hen die in tenten leven en vee houden. 21Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen die op de lier of de fluit spelen. 22Ook Silla bracht een zoon ter wereld, Tubal-Kaïn; hij was smid en werd de stamvader van allen die brons en ijzer bewerken. De zus van Tubal-Kaïn heette Naäma. 23Lamech zei tegen zijn vrouwen:

‘Ada en Silla, hoor wat ik zeg!

Vrouwen van Lamech, luister naar mij!

Een man die mij verwondt, sla ik dood,

zelfs een kind dat mij een striem toebrengt.

24Kaïn wordt zevenmaal gewroken,

Lamech zevenenzeventigmaal.’

25Opnieuw had de mens, Adam, gemeenschap met zijn vrouw, en zij bracht een zoon ter wereld. Ze noemde hem Set, ‘want,’ zei ze, ‘God heeft mij in de plaats van Abel, die door Kaïn is gedood, een ander kind gegeven.’ 26Ook Set kreeg een zoon, die hij Enos noemde. In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen.

Van Adam tot Noach

1Dit is de lijst van Adams nakomelingen.

Toen God Adam schiep, maakte Hij hem zo dat hij leek op God. 2Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen. Toen Hij hen geschapen had, zegende Hij hen en noemde hen mens.

3Toen Adam 130 jaar was, verwekte hij een zoon die op hem leek, die zijn evenbeeld was. Hij noemde hem Set. 4Na de geboorte van Set duurde Adams leven nog 800 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 5In totaal leefde hij 930 jaar. Daarna stierf hij.

6Toen Set 105 jaar was, verwekte hij Enos. 7Na de geboorte van Enos leefde Set nog 807 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 8In totaal leefde hij 912 jaar. Daarna stierf hij.

9Toen Enos 90 jaar was, verwekte hij Kenan. 10Na de geboorte van Kenan leefde Enos nog 815 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 11In totaal leefde hij 905 jaar. Daarna stierf hij.

12Toen Kenan 70 jaar was, verwekte hij Mahalalel. 13Na de geboorte van Mahalalel leefde Kenan nog 840 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 14In totaal leefde hij 910 jaar. Daarna stierf hij.

15Toen Mahalalel 65 jaar was, verwekte hij Jered. 16Na de geboorte van Jered leefde Mahalalel nog 830 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 17In totaal leefde hij 895 jaar. Daarna stierf hij.

18Toen Jered 162 jaar was, verwekte hij Henoch. 19Na de geboorte van Henoch leefde Jered nog 800 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 20In totaal leefde hij 962 jaar. Daarna stierf hij.

21Toen Henoch 65 jaar was, verwekte hij Metuselach. 22Na de geboorte van Metuselach leefde Henoch nog 300 jaar, in verbondenheid met God. Hij verwekte zonen en dochters. 23In totaal leefde hij 365 jaar. 24Henoch leefde in verbondenheid met God. Op een dag was hij er niet meer, doordat God hem wegnam.

25Toen Metuselach 187 jaar was, verwekte hij Lamech. 26Na de geboorte van Lamech leefde Metuselach nog 782 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 27In totaal leefde hij 969 jaar. Daarna stierf hij.

28Toen Lamech 182 jaar was, verwekte hij een zoon, 29die hij Noach noemde. ‘Deze zoon,’ zei hij, ‘zal ons troost geven voor het werken en zwoegen dat ons deel is omdat de HEER het akkerland heeft vervloekt.’ 30Na de geboorte van Noach leefde Lamech nog 595 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. 31In totaal leefde hij 777 jaar. Daarna stierf hij.

32Toen Noach 500 jaar oud was, verwekte hij Sem, Cham en Jafet.

Genesis 4-5NBV21Open in de Bijbel

1Van David.

Erger je niet aan slechte mensen,

wees niet jaloers op wie kwaad doen,

2zij verdorren snel als gras,

zij verwelken als het jonge groen.

3Vertrouw op de HEER en doe het goede,

bewoon het land en leef er veilig.

4Zoek je geluk bij de HEER,

Hij zal geven wat je hart verlangt.

5Leg je leven in de handen van de HEER,

vertrouw op Hem, Hij zal dit voor je doen:

6het recht zal dagen als het morgenlicht,

de gerechtigheid stralen als de middagzon.

7Blijf kalm en wacht op de HEER,

erger je niet aan wie slaagt in het leven,

aan wie met listen te werk gaat.

8Wind je niet op, laat je woede varen,

erger je niet, dat brengt maar onheil.

9Slechte mensen worden verdelgd,

wie hopen op de HEER, zullen het land bezitten.

10Nog even, en verdwenen is de zondaar,

je kijkt waar hij is, maar vindt hem niet.

11Wie nederig zijn, zullen het land bezitten

en gelukkig leven in overvloed en vrede.

12De zondaar belaagt de rechtvaardige

met een grijns op zijn gezicht.

13Maar de Heer lacht hem uit

en ziet de dag al van zijn ondergang.

14Zondaars trekken hun zwaard

en spannen hun boog,

om zwakken en armen te doden,

om af te slachten wie eerlijk hun weg gaan.

15Maar het zwaard dringt in hun eigen hart

en hun bogen worden gebroken.

16Beter het weinige dat een rechtvaardige heeft

dan de rijkdom van talloze zondaars.

17De macht van de zondaars wordt gebroken,

maar de HEER zal de rechtvaardigen steunen.

18De HEER trekt zich het lot van onschuldigen aan,

hun bezit blijft voor eeuwig behouden.

19Zij worden niet teleurgesteld in kwade dagen,

in tijden van hongersnood worden zij verzadigd.

20De zondaars zullen ten onder gaan,

de vijanden van de HEER verdwijnen

als bloemen in het veld, verdwijnen als rook.

21De zondaar vraagt te leen en brengt niet terug,

de rechtvaardige geeft, uit mededogen.

22Gods gezegenden zullen het land bezitten,

de vervloekten worden verdelgd.

23Wie de HEER welgevallig is,

mag zijn weg gaan met vaste tred.

24Al komt hij ten val, hij blijft niet liggen,

want de HEER richt hem op.

25Ooit was ik jong, nu ben ik oud,

en nooit zag ik dat een rechtvaardige werd verlaten,

nooit zag ik zijn kinderen zoeken naar brood;

26hij is vol mededogen en leent uit, elke dag,

en zijn nageslacht is een bron van zegen.

27Mijd het kwade en doe het goede,

en je zult voor eeuwig wonen in het land,

28want de HEER heeft gerechtigheid lief,

wie Hem trouw zijn, verlaat Hij niet.

Zij blijven voor eeuwig behouden,

maar het nageslacht van zondaars wordt verdelgd.

29De rechtvaardigen zullen het land bezitten

en het bewonen, hun leven lang.

30De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid,

zijn tong spreekt gerechtigheid,

31hij draagt de wet van God in zijn hart

en zijn voeten struikelen niet.

32De zondaar loert op de rechtvaardige

en zoekt een kans om hem te doden,

33maar de HEER laat zijn dienaar niet los:

wordt hij aangeklaagd, vrijspraak zal volgen.

34Vestig je hoop op de HEER

en blijf op de weg die Hij wijst,

Hij zal je aanzien geven en grondbezit,

je zult beleven dat zondaars worden verdelgd.

35Ik heb een zondaar gezien, een uitbuiter,

hij groeide uit als een woekerende laurier;

36op een dag was hij verdwenen,

ik zocht hem en ik vond hem niet.

37Zie de onschuldigen, kijk naar de oprechten:

wie vredelievend zijn hebben de toekomst.

38Maar zondaars worden verdelgd,

er is geen toekomst voor een slecht mens.

39De rechtvaardigen vinden redding bij de HEER,

Hij is hun toevlucht in tijden van nood.

40De HEER heeft hen altijd geholpen en bevrijd,

Hij bevrijdt hen ook nu van de zondaars, Hij redt hen,

want zij schuilen bij Hem.

Psalmen 37NBV21Open in de Bijbel
Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.20
Volg ons