Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 1 / Gen. 1-3, Ps. 8

Bijbeltekst(en)

De schepping van hemel en aarde

1In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2De aarde was woest en doods, duisternis lag over de oervloed, en over het water zweefde Gods geest.

3God zei: ‘Laat er licht zijn,’ en er was licht. 4God zag dat het licht goed was, en Hij scheidde het licht van de duisternis; 5het licht noemde Hij dag, de duisternis noemde Hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.

6God zei: ‘Laat er midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ 7God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. Zo gebeurde het. 8Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.

9God zei: ‘Laat het water onder de hemel naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het. 10Het droge noemde Hij aarde, het samengestroomde water noemde Hij zee. En God zag dat het goed was.

11God zei: ‘Laat overal op aarde jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en alle soorten bomen die vruchten dragen met zaad erin.’ En zo gebeurde het. 12De aarde bracht jong groen voort: alle soorten zaadvormende planten en alle soorten bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. 13Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.

14God zei: ‘Laten er lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten dienen als tekens die de feesten aangeven en de dagen en de jaren, 15en als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. 16God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. 17Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, 18om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. 19Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.

20God zei: ‘Laat het water wemelen van levende wezens, en laten er boven de aarde, langs het hemelgewelf, vogels vliegen.’ 21En God schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en alle soorten vogels, alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. 22God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ 23Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.

24God zei: ‘Laat de aarde alle soorten levende wezens voortbrengen: alle soorten vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. 25God maakte alle soorten in het wild levende dieren, alle soorten vee en alle soorten dieren die op de aardbodem rondkruipen. En God zag dat het goed was.

26God zei: ‘Laten Wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken; zij moeten heersen over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ 27God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij de mensen. 28Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ 29Ook zei God: ‘Hierbij geef Ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. 30Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef Ik alle groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het. 31God zag alles wat Hij had gemaakt: het was zeer goed. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.

1Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. 2Op de zevende dag had God zijn werk voltooid. Op de zevende dag rustte Hij van het werk dat Hij gedaan had. 3God zegende de zevende dag en heiligde die, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk.

De tuin van Eden

4Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, zo werden ze geschapen.

In de tijd dat de HEER God aarde en hemel maakte, 5groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkel gewas opgeschoten, want de HEER God had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; 6wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide. 7Toen maakte de HEER God de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.

8De HEER God legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste Hij de mens die Hij had gemaakt. 9Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad.

10Er ontspringt in Eden een rivier die de tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen. 11Een daarvan is de Pison; die stroomt om heel Chawila heen, het land waar goud gevonden wordt. 12(Het goud van dat land is uitstekend, en er is daar ook balsemhars en onyx.) 13De tweede rivier heet Gichon; die stroomt om heel Nubië heen. 14De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assyrië. De vierde ten slotte is de Eufraat.

15De HEER God bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. 16Hij legde hem het volgende verbod op: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, 17maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’

18De HEER God zei: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is, Ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.’ 19Toen vormde Hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels, en Hij bracht die bij de mens om te zien welke namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten. 20De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste. 21Toen liet de HEER God de mens in een diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam Hij een van zijn ribben weg, en Hij sloot het lichaam weer op die plaats. 22Uit de rib die Hij bij de mens had weggenomen, bouwde de HEER God een vrouw en Hij bracht haar bij de mens. 23Toen riep de mens uit:

‘Dit is ze!

Mijn eigen gebeente,

mijn eigen vlees en bloed.

Vrouw wordt zij genoemd,

genomen uit een man.’

24Daarom maakt een man zich los van zijn vader en moeder en hecht hij zich aan zijn vrouw, en zij zullen één lichaam zijn.

25Beiden waren ze naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.

1Van alle in het wild levende dieren die de HEER God gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier vroeg aan de vrouw: ‘Heeft God werkelijk gezegd dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?’ 2‘We mogen de vruchten van alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw, 3‘behalve die van de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we sterven.’ 4‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. 5‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’

6De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan. 7Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van.

8Toen de mens en zijn vrouw de HEER God in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem tussen de bomen. 9Maar de HEER God riep de mens: ‘Waar ben je?’ 10Hij antwoordde: ‘Ik hoorde U in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ 11‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan Ik je verboden had te eten?’ 12De mens antwoordde: ‘De vrouw die U mij hebt gegeven om mij terzijde te staan, gaf mij vruchten van de boom en toen heb ik ervan gegeten.’ 13‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg de HEER God aan de vrouw. En zij antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’

14De HEER God zei tegen de slang:

‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan,

het vee zal je voortaan mijden,

wilde dieren wenden zich af;

op je buik zul je kruipen

en stof zul je eten,

je hele leven lang.

15Vijandschap sticht Ik tussen jou en de vrouw,

tussen jouw nageslacht en het hare;

dat verbrijzelt jou de kop,

jij bijt het in de hiel.’

16Tegen de vrouw zei Hij:

‘Je zwangerschap maak Ik tot een zware last,

zwoegen zul je als je baart.

Je zult je man begeren,

en hij zal over je heersen.’

17Tegen de mens zei Hij:

‘Je hebt geluisterd naar je vrouw,

gegeten van de boom die Ik je had verboden.

Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,

zwoegen zul je om ervan te eten,

je hele leven lang.

18Dorens en distels zullen er groeien,

toch moet je van zijn gewassen leven.

19Zweten zul je voor je brood,

totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen:

stof ben je, tot stof keer je terug.’

20De mens noemde zijn vrouw Eva; zij is de moeder van alle levenden geworden. 21De HEER God maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen en trok hun die aan.

22Toen zei de HEER God: ‘Nu is de mens aan Ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad. Nu wil Ik voorkomen dat hij ook vruchten van de levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven.’ 23Daarom stuurde Hij de mens weg uit de tuin van Eden om de aarde waaruit hij was genomen te gaan bewerken. 24En nadat Hij hem had weggejaagd, plaatste Hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.

Genesis 1:1-3:24NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Op de wijs van De Gatitische. Een psalm van David.

2HEER, onze Heer,

hoe machtig is uw naam

op heel de aarde.

Uw luister aan de hemel wordt bejubeld

3door de mond van kinderen en zuigelingen.

Tegen uw vijanden hebt U een macht gebouwd

om hun wraak en verzet te breken.

4Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,

de maan en de sterren door U daar bevestigd,

5wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt,

het mensenkind dat U naar hem omziet?

6U hebt hem bijna een god gemaakt,

hem gekroond met glans en glorie,

7hem toevertrouwd het werk van uw handen

en alles aan zijn voeten gelegd:

8schapen, geiten, al het vee,

en ook de dieren van het veld,

9de vogels aan de hemel, de vissen in de zee

en alles wat trekt over de wegen der zeeën.

10HEER, onze Heer,

hoe machtig is uw naam

op heel de aarde.

Psalmen 8NBV21Open in de Bijbel

Je gaat beginnen! Heb je er al over nagedacht hoe je je Bijbelmoment het beste een plek kunt geven in je dagelijkse routine? ’s Morgens vroeg, voordat de drukte losbarst? Of juist voor het slapengaan? Probeer een vorm te vinden die lang vol te houden is – en als je merkt dat je er nog niet helemaal bent, probeer dan of een kleine verandering helpt. Bijvoorbeeld een kwartier eerder naar bed gaan. Of het lezen af en toe afwisselen met het luisteren naar de Bijbel in een jaar podcast. 

Het eerste boek dat je gaat lezen is Genesis. In Genesis lees je over de oorsprong van de wereld, van goed en kwaad, van de mensen en van de familie die uiteindelijk uitgroeit tot Gods volk. Lees meer…

In het boek Psalmen kom je vaak dezelfde onderwerpen tegen. De dichter van Psalm 8 is bijvoorbeeld enorm onder de indruk van Gods schepping. Psalm 37 staat stil bij hoe je met het kwaad in de wereld kunt omgaan. En soms kun je een psalm lezen alsof de hoofdpersoon deze woorden zou kunnen hebben gedacht, gesproken of gezongen. Bijvoorbeeld Psalm 56, die heel goed past bij Jakobs ervaring bij de rivier de Jabbok in Genesis 32. Lees meer…

Luister naar deze aflevering

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons