Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap

Dag 199 / 2Kon. 1-2, Ps. 68

Bijbeltekst(en)

De dood van Achazja

1Na de dood van Achab kwam Moab tegen Israël in opstand.

2Achazja was uit het venster gevallen van een vertrek op de bovenverdieping van zijn paleis in Samaria, en zwaargewond geraakt. Hij stuurde boden uit met de opdracht Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen. ‘Vraag hem of ik mijn val zal overleven.’ 3Een engel van de HEER zei tegen de Tisbiet Elia: ‘Ga de boden van de koning van Samaria tegemoet en zeg hun: “U gaat Baäl-Zebub, de god van Ekron, raadplegen, alsof Israël zelf geen God heeft. 4Daarom – zegt de HEER – zul je niet meer van je ziekbed opstaan, maar sterven.”’ Elia deed wat hem gezegd was. 5Toen de boden bij de koning terugkeerden, vroeg deze: ‘Hoe kan het dat jullie nu al terug zijn?’ 6Ze antwoordden: ‘We kwamen onderweg iemand tegen die zei: “Ga terug naar de koning die u gestuurd heeft en zeg hem: ‘Dit zegt de HEER: Jij laat Baäl-Zebub, de god van Ekron, raadplegen, alsof Israël zelf geen God heeft. Daarom zul je niet meer van je ziekbed opstaan, maar sterven.’”’ 7‘Hoe zag hij eruit, die man die jullie tegemoetkwam en dit tegen jullie heeft gezegd?’ vroeg de koning. 8‘Hij was sterk behaard,’ antwoordden ze, ‘en hij droeg een leren lendendoek.’ ‘Dan was het de Tisbiet Elia,’ zei de koning.

9Achazja stuurde een bevelhebber met vijftig mannen naar Elia toe. Ze troffen Elia aan op de top van een berg. De bevelhebber zei: ‘Godsman, de koning beveelt u naar beneden te komen.’ 10Maar Elia antwoordde: ‘Als ik een godsman ben, laat er dan vuur uit de hemel komen om u en uw vijftig mannen te verteren.’ Hierop kwam er vuur uit de hemel dat de bevelhebber en zijn mannen verteerde. 11Opnieuw stuurde de koning een bevelhebber met vijftig mannen naar Elia toe, en die zei tegen Elia: ‘Godsman, de koning beveelt u onmiddellijk naar beneden te komen.’ 12En weer antwoordde Elia: ‘Als ik een godsman ben, laat er dan vuur uit de hemel komen om u en uw vijftig mannen te verteren.’ Hierop kwam er een goddelijk vuur uit de hemel dat de bevelhebber en zijn mannen verteerde. 13Voor de derde maal stuurde de koning een bevelhebber met vijftig mannen. Toen deze derde bevelhebber bij Elia kwam, knielde hij voor hem neer en smeekte: ‘Godsman, spaar alstublieft mijn leven en dat van deze vijftig mannen. 14Ik weet dat er vuur uit de hemel is gekomen dat de twee vorige bevelhebbers en hun mannen heeft verteerd. Maar alstublieft, spaar mijn leven.’ 15Toen zei de engel van de HEER tegen Elia: ‘Ga met hem mee, je hebt van de koning niets te vrezen.’ Hierop ging Elia met de bevelhebber mee naar de koning 16en hij zei tegen hem: ‘Dit zegt de HEER: Je hebt boden gestuurd om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen, alsof Israël zelf geen God heeft die je had kunnen raadplegen. Daarom zul je niet meer van je ziekbed opstaan, maar sterven.’

17Achazja stierf, zoals de HEER bij monde van Elia had voorzegd. Dit gebeurde in het tweede regeringsjaar van koning Joram van Juda, de zoon van Josafat. Omdat hij geen zoon had, werd hij opgevolgd door zijn broer Joram. 18Verdere bijzonderheden over Achazja zijn opgetekend in de kronieken van de koningen van Israël.

Elia in de hemel opgenomen

1De tijd was niet ver meer dat de HEER Elia in een stormwind in de hemel zou opnemen. Elia en Elisa stonden op het punt uit Gilgal te vertrekken, 2maar Elia zei tegen Elisa: ‘Blijf jij hier, de HEER wil dat ik naar Betel ga.’ Elisa antwoordde: ‘Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat gaan.’ Zo gingen ze samen op weg naar Betel. 3De profeten uit Betel kwamen Elisa vanuit de stad tegemoet en zeiden tegen hem: ‘Weet u wel dat de HEER vandaag uw meester van u zal wegnemen?’ ‘Ja, ik weet het,’ antwoordde hij. ‘Zeg maar niets.’ 4Elia zei tegen Elisa: ‘Blijf jij hier, Elisa, de HEER wil dat ik naar Jericho ga.’ Maar Elisa antwoordde: ‘Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat gaan.’ Zo gingen ze samen naar Jericho. 5De profeten uit Jericho kwamen naar Elisa toe en zeiden tegen hem: ‘Weet u wel dat de HEER vandaag uw meester van u zal wegnemen?’ ‘Ja, ik weet het,’ antwoordde Elisa. ‘Zeg maar niets.’ 6Elia zei tegen Elisa: ‘Blijf jij hier, de HEER wil dat ik naar de Jordaan ga.’ Maar Elisa antwoordde: ‘Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan dat ik u alleen laat gaan.’ Zo gingen ze samen verder.

7Bij de oever van de Jordaan hielden ze stil. Vijftig profeten die hen waren gevolgd bleven op een afstand staan kijken. 8Elia deed zijn mantel af en vouwde hem dubbel. Hij sloeg ermee op het water, waarop het naar links en naar rechts wegvloeide en zij tweeën droog konden oversteken. 9Terwijl ze overstaken vroeg Elia aan Elisa: ‘Wat kan ik nog voor je doen voor ik van je word weggenomen? Vraag het maar.’ Elisa antwoordde: ‘Laat mij dubbel in uw geest delen.’ 10‘Je vraagt iets heel moeilijks,’ zei Elia. ‘Als je ziet hoe ik van je word weggenomen, zal je wens vervuld worden, maar als je het niet ziet, gebeurt het niet.’ 11En terwijl ze liepen te praten, werden ze plotseling uit elkaar gedreven door een wagen van vuur, met paarden van vuur ervoor, en Elia steeg in een stormwind op naar de hemel. 12Elisa zag het gebeuren en riep uit: ‘Vader, vader! Strijdwagen en ruiterij van Israël!’ Toen hij Elia niet meer kon zien, scheurde hij zijn kleren. 13Hij raapte Elia’s mantel, die was afgegleden, op, en liep terug. Bij de oever van de rivier hield hij stil. 14Hij sloeg met Elia’s mantel op het water en riep uit: ‘Waar is de HEER, de God van Elia?’ Dus ook hij sloeg op het water en opnieuw vloeide het naar links en naar rechts weg, zodat Elisa kon oversteken. 15De profeten uit Jericho, die Elisa vanaf de overkant in het oog hielden, zeiden tegen elkaar: ‘De geest van Elia is op Elisa neergedaald.’ Ze gingen hem tegemoet, knielden voor hem neer 16en zeiden: ‘We hebben vijftig flinke mannen bij ons. Laat die uw meester gaan zoeken. Misschien heeft een geest van de HEER hem opgetild en ergens op een berg of in een dal neergeworpen.’ ‘Doe dat niet,’ zei Elisa, 17maar ze drongen zo lang aan dat hij ten slotte hun aanbod aannam. Vijftig mannen werden eropuit gestuurd en zochten drie dagen lang, maar ze vonden Elia niet. 18Toen ze terugkwamen bij Elisa, die in Jericho zijn intrek had genomen, zei hij tegen hen: ‘Ik had toch gezegd dat jullie niet moesten gaan zoeken?’

Eerste optreden van Elisa

19De inwoners van Jericho zeiden tegen Elisa: ‘De ligging van de stad is goed, zoals u ziet, maar het water is slecht en de grond veroorzaakt misgeboorten.’ 20Elisa zei: ‘Breng me een nieuwe schaal, met wat zout erop.’ Ze brachten hem een schaal, 21en Elisa ging naar de bron en strooide daar zout in terwijl hij zei: ‘Dit zegt de HEER: Hierbij zuiver Ik dit water. Het zal geen sterfgevallen of misgeboorten meer veroorzaken.’ 22En tot op de dag van vandaag is het water daar zuiver, zoals Elisa heeft gezegd.

23Van Jericho ging Elisa naar Betel. Toen hij naar de stad omhoogliep, rende een troep jongens op hem af die hem uitlachten en schreeuwden: ‘Zet ’m op, kaalkop! Zet ’m op, kaalkop!’ 24Elisa keek om, en toen hij de kinderen zag, vervloekte hij ze in de naam van de HEER. Meteen kwamen er twee berinnen uit het bos, die tweeënveertig van de kinderen verscheurden.

25Vanuit Betel trok Elisa naar de Karmel, en van daar keerde hij naar Samaria terug.

2 Koningen 1-2NBV21Open in de Bijbel

1Voor de koorleider. Van David, een psalm, een lied.

2God staat op,

zijn vijanden stuiven uiteen,

zijn haters vluchten als Hij verschijnt.

3U verdrijft ze zoals wind de rook verdrijft.

Zoals was smelt bij het vuur,

zo vergaan de zondaars als God verschijnt.

4Maar de rechtvaardigen verblijden zich,

zij juichen als God verschijnt,

uitgelaten van vreugde.

5Zing voor God, bezing zijn naam,

maak ruim baan voor Hem die door de vlakten rijdt.

HEER is zijn naam! Jubel als Hij verschijnt:

6vader van wezen, beschermer van weduwen,

God in zijn heilig verblijf.

7God geeft eenzamen een thuis

en gevangenen vrijheid en voorspoed.

Maar opstandigen zullen wonen op dorre grond.

8God, toen U optrok aan het hoofd van uw volk,

toen U voortschreed door de woestijn, sela

9beefde de aarde,

en water stortte uit de hemel

toen God verscheen, de God van de Sinai,

toen God verscheen, de God van Israël.

10U liet een milde regen neerdalen, God,

en schonk uw uitgeput land nieuwe kracht.

11Uw kleine kudde ging er wonen,

in uw goedheid, God, gaf U het aan de zwakken.

12De HEER sprak een bevel uit,

een menigte vrouwen zei het voort:

13‘Koningen vluchten, hun legers vluchten,

thuis verdelen de vrouwen de buit

14en jullie slapen bij de schaapskooi!’

De vleugels van de duif waren met zilver bedekt,

haar slagpennen met geelgroen goud:

15de Ontzagwekkende dreef koningen uiteen,

sneeuw viel neer op de Salmon.

16Machtige berg, berg van Basan,

veeltoppige berg, berg van Basan,

17waarom afgunstig, veeltoppig gebergte,

op de berg die God als zetel koos?

De HEER woont daar voor eeuwig.

18Met machtige wagens, tweemaal tienduizend,

met duizenden en duizenden,

trok de Heer van de Sinai naar het heiligdom.

19U voerde gevangenen mee,

eiste gaven van opstandige mensen,

en steeg op naar uw woning, HEER, onze God.

20Geprezen zij de Heer, dag aan dag,

deze God draagt ons en redt ons. sela

21Onze God is een reddende God,

bij God, de HEER, is bevrijding uit de dood.

22God verplettert de hoofden van zijn vijanden,

de harige schedels van wie met schuld zijn beladen.

23De Heer zegt: ‘Ik haal jullie vijanden uit Basan,

Ik haal ze uit de diepten van de zee:

24jullie voeten zullen waden in hun bloed,

jullie honden likken het op met hun tong.’

25Een schouwspel is uw stoet, o God,

de stoet van mijn God, mijn koning, naar zijn heiligdom:

26voorop zangers, daarachter snarenspelers,

omstuwd door meisjes met tamboerijnen.

27Prijs God wanneer u samenkomt,

prijs de HEER, u die aan Israëls bron bent ontsprongen.

28Daar is Benjamin, de jongste, hij opent de rij,

daar zijn de vorsten van Juda, uitbundig bijeen,

de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.

29Ontplooi uw macht, o God,

de macht die U, God, ons altijd toonde,

30vanuit uw tempel die boven Jeruzalem oprijst.

Laten koningen U schatting brengen.

31Vaar uit tegen het gedierte in het riet,

die troep stieren, die kalveren van volken.

Vertrap wie zilver begeren,

verstrooi de volken die belust zijn op strijd.

32Laten de gezanten uit Egypte zich aandienen,

de Nubiërs met geschenken zich haasten naar God.

33Koninkrijken der aarde,

zing voor God,

zing een lied voor de Heer, sela

34voor Hem die rijdt door de hoogste, eeuwige hemel.

Hoor, zijn stem is een machtige stem.

35Erken Gods macht:

zijn majesteit heerst over Israël,

zijn macht reikt tot boven de wolken.

36Ontzagwekkend bent U, God, in uw heiligdom.

De God van Israël, Hij geeft macht

en nieuwe kracht aan zijn volk.

Geprezen zij God!

Psalmen 68NBV21Open in de Bijbel

“Net als bij 1 Koningen lees je ook nu hoofdstukken uit het boek Spreuken, over de wijsheid en rechtvaardigheid die sommige koningen helaas missen. Daarnaast lees je een aantal boeken van profeten die in deze tijd optraden. Bijvoorbeeld van Amos, die in de tijd van koning Jerobeam II optrad in het noordelijke koninkrijk Israël. Het was een tijd waarin handel steeds belangrijker werd in Israël en er relatief veel rijkdom was. Maar het was ook een spannende tijd: de dreiging van het grote, machtige Assyrische rijk hing als een onweerswolk boven het volk. Amos heeft veel kritiek op de koning en de andere leiders, die volgens hem het onrecht in de samenleving in stand houden. Binnen het boek vind je verschillende soorten teksten: woorden van God die Amos moet doorgeven, waarschuwingen van Amos zelf, gesprekken tussen Amos en de Israëlieten, dromen en informatie over het leven van Amos. Het helpt om steeds goed te kijken wat voor soort tekst je voor je hebt. Lees hier een inleiding op het boek Amos

De profeet Hosea trad in dezelfde tijd op als Amos. Ook hij heeft forse kritiek op de leiders, en hij moet van God zijn eigen leven gebruiken om die kritiek kracht bij te zetten. Hij moet trouwen met de prostitué Gomer, Haar ontrouw staat symbool voor het gedrag van de Israëlieten: God hield van hen, maar zij hebben ervoor gekozen om achter andere goden aan te lopen. In onze tijd vinden veel mensen het beeld van God als jaloerse echtgenoot van een overspelige vrouw problematisch. Wat zegt dit over vrouwen en over God? Het kan helpen om juist op de positieve kant van het beeld te focussen: de onvoorstelbaar grote liefde van God voor zijn volk, die uiteindelijk zelfs de grootste ontrouw overwint. Lees hier een inleiding op het boek Hosea

In de tijd van de profeet Nahum hebben de Assyriërs Samaria veroverd, de hoofdstad van het noordelijk koninkrijk Israël. Misschien werd Nahum zelfs meegevoerd in ballingschap. In zijn boek profeteert hij over het einde van het Assyrische rijk. Hun macht en rijkdom hebben ze met geweld verkregen, en God zal daar een einde aan maken. Voor de mensen in Juda is dat goed nieuws: zij zijn niet in ballingschap weggeleid, zoals hun noordelijke buren, maar ze worden wel door de Assyriërs onderdrukt. Maar dat gaat niet lang meer duren, schrijft Nahum! Lees hier een inleiding op het boek Nahum”

Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschapv.4.16.16
Volg ons